Archief

Voorlichting & Communicatie, van het Militair rechtscollege

                                                                                                   
Zoeken = Cntrl + F

   Communiqué no. 21 

Paramaribo, 25 juni 2009

Krijgsraadzitting 22 juni 2009 in het 8 December strafproces

Op maandag 22 juni 2009 is het 8 december strafproces hervat in de stand waarin het geding was geschorst op 29 mei jl. Voor de zitting van 22 juni waren een vijftal verdachten en twaalf getuigen op de rol opgebracht.

Het onderzoek tegen de verdachte D.B.

Omstreeks 10.10 uur wordt de zitting geopend door de President van de Krijgsraad. Nadat de zaak van de verdachte D. B.. is afgeroepen, blijkt dat betrokken verdachte niet aanwezig is, zijn raadsman is dat wel. Op de vraag van de President van de Krijgsraad naar de reden van de afwezigheid van de verdachte, wordt door zijn raadsman gesteld dat hij vanwege zijn eigen drukke werkzaamheden, geen contact heeft gehad met zijn cliënt.

Door de President van de Krijgsraad wordt thans kenbaar gemaakt dat er de dag daarvoor een spoedschrijven van de raadsman is ontvangen, in welke is aangegeven dat zich bij hem een persoon heeft aangemeld, die een ooggetuigenverslag wenst te doen in verband met een inval in Suriname in december 1982. Betrokkene heeft informatie over de aankoop van wapens en personen. Deze persoon is woonachtig in Nederland, maar vertoeft tot 5 juli as. in Suriname. De raadsman vraagt dat deze persoon in het belang van de waarheidsvinding, als getuige wordt gehoord door de Rechter-Commissaris. In reactie op het verzoek van de raadsman, stelt de Plaatsvervangend Auditeur Militair dat men bezig is met waarheidsvinding, en dat het Openbaar Ministerie geen moeite heeft met een getuige die daartoe kan bijdragen. In casu zal het Openbaar Ministerie zich refereren aan het oordeel van de Krijgsraad.

Na de standpunten van de verdediging en het Openbaar Ministerie gehoord te hebben, wordt de zitting geschorst opdat de Krijgsraad zich over het onderwerpelijke kan beraden. Na enige tijd wordt de zitting hervat, en door de President van de Krijgsraad aangegeven dat de Krijgsraad besloten heeft op een later moment in de zitting haar bevinding omtrent het verzoek van de raadsman kenbaar te maken.

Na deze mededeling wordt een aanvang gemaakt met de getuigenverhoren. In de zaak van deze verdachte zijn een zestal personen als getuige op de rol opgebracht, te weten B.J, P.T, H.V, H.A, R.S en R.L. Betrokkenen zijn naar mededeling van de deurwaarder, allen ter terechtzitting aanwezig.

Het verhoor van de getuige B.J.

Zoals voorgeschreven door het Wetboek van Strafvordering, wordt de getuige naar zijn personalia gevraagd, waarna van hem de belofte wordt afgenomen dat hij naar waarheid zal verklaren. Aan deze getuige worden door zowel de Krijgsraad als de Plv. Auditeur Militair en de raadsman, vragen gesteld. Op gegeven moment protesteert de Plv. Auditeur Militair tegen de wijze van vraagstelling door de raadsman, die hij als suggestief classificeert.

Op een ander moment wordt door de raadsman aan de getuige voorgehouden dat hij in het kader van het Gerechtelijk Vooronderzoek in de maand mei van het jaar 2002 als getuige door de Rechter Commissaris is gehoord. De raadsman citeert daarna uit een door een functionaris van de Militaire Politie opgemaakt proces-verbaal, gedateerd op 29 april 2002, waarin wordt gerelateerd wat een informant zou hebben verklaard aan die bewuste functionaris. Aan de getuige wordt gevraagd, als hij die bewuste informant is. De getuige stelt daarop dat hij geen informant is.

Hoewel de informant in het relaas niet bij naam wordt genoemd, blijkt na voorlezing van delen van het relaas dat de zaken welke die informant zou hebben verklaard, opmerkelijke overeenkomsten vertonen met zaken welke de getuige B. J. verklaard heeft ter terechtzitting. De getuige stelt in reactie op hetgeen hem wordt voorgehouden, dat hij in het jaar 2002 benaderd is door de functionaris van de Militaire Politie, die hem vroeg als hij op 8 december 1982 op een bepaalde plek aanwezig was, en kennis droeg van zaken die zich hadden afgespeeld. De getuige heeft daar bevestigend op geantwoord, waarna hem door de functionaris van de Militaire Politie gevraagd is als hij bereid zou zijn mee te werken aan een verhoor. Ook daarop heeft de getuige bevestigend geantwoord.

Enkele dagen na dat onderhoud is de getuige door de functionaris van de Militaire Politie opgehaald en gebracht naar de Rechter Commissaris, alwaar hij een verklaring heeft afgelegd. De getuige benadrukt dat hij vóór het afleggen van de verklaring bij de Rechter Commissaris, geen verklaring heeft afgelegd bij de functionaris van de Militaire Politie over hetgeen hem bekend is van de gebeurtenissen rondom 8 december 1982. Dat kennelijk zaken die hij in mei 2002 aan de Rechter Commissaris heeft verklaard, zijn gerelateerd in een proces verbaal van de Militaire Politie dat gedateerd is op 29 april 2002, kan volgens de getuige gelegen hebben aan het feit dat op die bewuste datum een begin is gemaakt met het proces verbaal, doch dat dit is afgerond op een latere datum.

Nadat het verhoor van de getuige is afgerond, wordt hem toestemming verleend de zaal te verlaten, met de stipulatie dat hij beschikbaar moet blijven voor een mogelijke confrontatie met een andere nog te horen getuige. Uitdrukkelijk wordt door de President van de Krijgsraad gesteld dat deze reeds gehoorde getuige, in het Gerechtsgebouw moet worden afgezonderd van de nog te horen getuigen.[1]

Het verhoor van de getuigen P. T., H.A. en R.S.

De getuige P. T. wordt voor de Krijgsraad geleid, waarna hij, zoals voorgeschreven door het Wetboek van Strafvordering, naar zijn personalia wordt gevraagd en van hem de belofte wordt afgenomen dat hij naar waarheid zal verklaren. Aan deze getuige worden zowel door de Krijgsraad als de Plv. Auditeur Militair vragen gesteld. Op een vorige zitting had deze getuige tevens aangegeven dat hij tijdens het Gerechtelijk Vooronderzoek bij de Militaire Politie gehoord is geworden door uitsluitend de verbalisant H. A. Echter stond in het proces-verbaal in welke de verklaring van de getuige was opgetekend, aangegeven dat betrokken getuige door de verbalisanten H. A. en R. S. is gehoord.

Teneinde de getuige P. T. te confronteren met de personen van H. A. en R.S, zijn de twee laatstgenoemden heden ter terechtzitting als getuigen gedagvaard door de Krijgsraad. De getuige H. A. wordt voor de Krijgsraad geleid, naar zijn personalia gevraagd, waarna hij onder ede wordt gesteld. De getuige H. A. geeft desgevraagd in aanwezigheid van de getuige P. T. aan dat diens verhoor indertijd is geschied door hemzelf en zijn collega R. S. tezamen, en dat aan de getuige door beide verbalisanten vragen zijn gesteld. In reactie hierop stelt de getuige P. T. tot twee maal toe dat de persoon van H. A. liegt, waarop P. T. wordt geïnstrueerd door de President van de Krijgsraad, dat hij zijn mening in andere bewoordingen zou moeten aangeven.

Op gegeven moment wordt aan H. A. door de raadsman gevraagd, welk belang de getuige P. T. zou hebben om te beweren dat H. A. zou liegen. Daarop antwoordt H. A. dat hij dat belang niet kan aangeven, daar dit bij de getuige P. T. ligt. Na de confrontatie tussen deze getuigen, wordt H. A. toestemming verleend te vertrekken, waarop de persoon van R. S. voor de Krijgsraad wordt geleid, naar zijn personalia wordt gevraagd, en van hem de belofte wordt afgenomen dat hij naar waarheid zal verklaren. De getuige R. S. verklaart dat de getuige P. T. tijdens het Gerechtelijk Vooronderzoek door zowel de persoon van H. A. als door hemzelf, vragen zijn gesteld. De getuige P. T. blijft bij zijn verklaring dat de persoon van R. S., hem indertijd geen enkele vraag heeft gesteld. Na de confrontatie tussen deze getuigen wordt hen door de Krijgsraad toestemming verleend te vertrekken.

Het verhoor van de getuige H. V.

De getuige wordt naar zijn personalia gevraagd en onder ede gesteld, waarna hem door zowel de Krijgsraad als de Plv. Auditeur Militair en de raadsman, vragen worden gesteld. Na het verhoor van de getuige, wordt hem aangegeven dat hij beschikbaar moet blijven voor een mogelijke confrontatie met een andere getuige.

Het verhoor van de getuige R. L.

De getuige wordt naar zijn personalia gevraagd en onder ede gesteld, waarna hem door zowel de Krijgsraad als de Plv. Auditeur Militair en de raadsman, vragen worden gesteld. Gedurende het verhoor van deze getuige, wordt de eerder gehoorde getuige H. V. voor de Krijgsraad geleid voor een confrontatie met de getuige R. L., aangezien hun verklaringen op een bepaald punt significant verschillen; met name ten aanzien van het tijdstip waarop de verdachte D. B. op een of meerdere locaties aanwezig zou zijn.

Ook de eerder gehoorde getuige B.J. wordt wederom voor de Krijgsraad geleid, en herhaalt wat hij eerder had aangegeven over het tijdstip op welke hij de verdachte op een bepaalde plek zou hebben gezien. Door de Krijgsraad en de Plv. Auditeur Militair worden aan deze getuigen nadere vragen gesteld. Na de confrontatie van de getuigen, wordt hen alle drie toestemming gegeven te vertrekken.

Beslissing Krijgsraad op verzoek raadsman

Nadat de getuigen die heden zijn opgeroepen in de zaak tegen de verdachte D. B. zijn gehoord, geeft de Krijgsraad haar beslissing op het eerder gedane verzoek van de raadsman om een bepaalde persoon als getuige te doen horen door de Rechter Commissaris. Door de President van de Krijgsraad wordt aangegeven dat de Krijgsraad heeft besloten te gelasten dat de betreffende getuige in het belang van de waarheidsvinding wordt gehoord door de Rechter Commissaris, en wel op een datum vóór 5 juli 2009. Ingevolge artikel 302 van het Wetboek van Strafvordering, wordt bepaald dat de zaak tegen de verdachte D. B. geschorst wordt tot de datum op welke het verhoor van de getuige door de Rechter Commissaris zal hebben plaatsgevonden.[2] De behandeling van de zaak tegen de verdachte zal worden voortgezet op 24 juli as.

Het onderzoek tegen de verdachte B. B.

De verdachte zowel zijn raadsman zijn ter terechtzitting aanwezig. In de zaak tegen de verdachte is de persoon van S. M. als getuige op de rol opgebracht, echter is betrokkene in het buitenland woonachtig. Desgevraagd stelt de Plv. Auditeur Militair dat het Openbaar Ministerie een aantal personen die in het buitenland woonachtig zijn, heeft opgebracht als getuigen. Thans wordt het verzoek gedaan dat deze personen op 23 oktober 2009 ter terechtzitting worden gehoord. De President van de Krijgsraad stelt dat de Krijgsraad akkoord gaat met het verzoek van de Auditeur Militair.

Gesteld wordt dat de wettelijke termijn voor het dagvaarden van getuigen die in Nederland woonachtig zijn, drie maanden is, en wordt de verdachte aangezegd op 23 oktober wederom ter terechtzitting aanwezig te zijn voor de voortzetting van het onderzoek tegen zijn persoon. Tevens wordt de raadsman aangegeven dat indien de verdediging voornemens is in het buitenland woonachtige personen als getuigen a decharge te dagvaarden, zulks zo spoedig mogelijk behoort te worden doorgegeven, zodat deze ook door de Auditeur Militair opgenomen kunnen worden in het verzoek[3].

Het onderzoek tegen de verdachte I. T.

De verdachte zowel zijn raadsman zijn ter terechtzitting aanwezig. In de zaak tegen deze verdachte zijn een drietal personen als getuige op de rol opgebracht, te weten H. K., J. R. en M. R.

Het verhoor van de getuige H.K.

De getuige is ter terechtzitting aanwezig, en wordt na opgave van zijn personalia onder ede gesteld. Door de Krijgsraad wordt aangegeven dat het Openbaar Ministerie gevraagd is beeldmateriaal te achterhalen, welke thans ter terechtzitting zal worden vertoond. Aangezien het in casu opnamen betreft van twee van de personen die op of omstreeks 8 december 1982 om het leven zijn gekomen, worden de in de zaal aanwezige nabestaanden door de President van de Krijgsraad om begrip gevraagd voor de vertoning van deze beelden.

De beelden worden daarna op een in de zittingszaal geplaatst scherm vertoond. Na de vertoning wordt de getuige H K. - die indertijd deze beelden zou hebben opgenomen – door de Krijgsraad, de Plv. Auditeur Militair en de raadsman, vragen gesteld omtrent de omstandigheden rondom hetgeen is vastgelegd op het beeld. Na afronding van het verhoor van deze getuige wordt gesteld dat de 2 andere personen die op de lijst zijn opgebracht als getuige, met name

J. R. en M. R., in het buitenland woonachtig zijn. Ten aanzien hiervan stelt de Plv. Auditeur Militair dat het Openbaar Ministerie ook deze personen zal dagvaarden voor de zitting van 23 oktober 2009. Door de raadsman wordt gesteld dat de verdediging geen behoefte heeft aan het horen van de getuigen, en zou kunnen worden overgegaan tot het requisitoir en pleidooi.[4] Daarop wordt door de President van de Krijgsraad gesteld dat in het kader van de waarheidsvinding, het Openbaar Ministerie de gelegenheid zal worden geboden de getuigen op te roepen.

Het onderzoek tegen de verdachte E. G.

De verdachte is niet ter terechtzitting aanwezig, zijn raadsman wel. In de zaak van deze verdachte, zijn de een drietal personen opgebracht als getuige, met name A. G., I. D. en S. M. Door de raadsman wordt aangegeven dat zijn cliënt vanwege medische redenen in het ziekenhuis is opgenomen. Gevraagd wordt dat gewacht wordt met het getuigenverhoor totdat de verdachte hersteld is en ter terechtzitting aanwezig kan zijn. In reactie hierop wordt gesteld door de President van de Krijgsraad, dat zulks moet worden aangegeven met overlegging van een medische verklaring.

Desgevraagd onderschrijft de Plv. Auditeur Militair dat de medische verklaring wordt geproduceerd. Indien daaruit mocht blijken dat de verdachte op enig moment aanwezig zal kunnen zijn bij de getuigenverhoren, behoort hij daartoe in de gelegenheid te worden gesteld. Indien echter niet blijkt wanneer de verdachte aanwezig zal kunnen zijn, zou in de visie van de Plv. Auditeur Militair, uit proceseconomische redenen moeten worden bekeken voort te gaan met de getuigenverhoren. Door de President van de Krijgsraad wordt gesteld dat vanwege het recht van de verdachte om aanwezig te zijn bij het tegen hem gerichte onderzoek, thans niet zal worden overgegaan tot het horen van de getuigen.

De getuigen A.G. en I.D. zijn ter terechtzitting aanwezig, de persoon van S. M. is in het buitenland woonachtig. De twee aanwezige getuigen worden gezamenlijk voor de Krijgsraad gebracht, en wordt hun voorgehouden waarom zij heden niet zullen worden gehoord. Hen wordt aangegeven dat de zaak wordt uitgesteld tot 24 juli as, doch dat hen tijdig zal worden aangegeven indien deze datum niet haalbaar is. De raadsman wordt door de Krijgsraad geïnstrueerd tijdig door te geven als de datum van 24 juli haalbaar zal zijn voor de verdachte om aanwezig te zijn ter terechtzitting.

Aangezien er niets meer op de rol staat, wordt de zitting omstreeks 19.20 uur gesloten.

mr. Marjory Sanches

Woordvoerder 8 decemberstrafproces


[1] Ter voorkoming van beïnvloeding van een nog niet gehoorde getuige door een reeds gehoorde getuige, worden zodanige maatregelen getroffen om te voorkomen dat deze zich met elkaar kunnen onderhouden.

[2] Artikel 302 van het Wetboek van Strafvordering stelt dat indien enig onderzoek door de Rechter Commissaris noodzakelijk blijkt, de rechter met schorsing van de zaak tot de afloop van dat onderzoek, de stukken in handen stelt van een Rechter Commissaris belast met de behandeling van strafzaken. Het door de Rechter Commissaris verrichte onderzoek geldt als een Gerechtelijk Vooronderzoek.

[3] Een getuige a charge is een getuige die het Openbaar Ministerie denkt te kunnen gebruiken voor het bewijzen van het ten laste gelegde feit. Tegenover een getuige a charge staat een getuige a decharge, die ontlastende verklaringen zou kunnen afleggen.

[4] Nadat de getuigen en de verdachte zijn gehoord, kan de vervolgingsambtenaar het woord voeren en legt hij zijn vordering na voorlezing aan de rechter over. De vordering omschrijft de straf - indien oplegging daarvan wordt geëist - en vermeld in dat geval tevens welk strafbaar feit zou zijn begaan. Het voordragen van die vordering door de vervolgingsambtenaar, wordt het requisitoir genoemd. Het antwoord van de verdachte of diens raadsman op het requisitoir, wordt pleidooi genoemd.

 

   Communiqué no. 20 

Paramaribo, 18 juni 2009

Krijgsraadzitting 12 juni 2009 in het 8 December strafproces

Op vrijdag 12 juni 2009 is het 8 december strafproces hervat in de stand waarin het geding was geschorst op 6 april jl. Voor de zitting van 12 juni waren een vijftal verdachten en achttien getuigen op de rol opgebracht.

Het onderzoek tegen de verdachte A.G.

Omstreeks 10.00 uur wordt de zitting geopend door de President van de Krijgsraad. Nadat de zaak van de verdachte A. G. is afgeroepen, blijken zowel de verdachte als diens raadsman aanwezig te zijn.

In de zaak van deze verdachte zijn een viertal personen op de rol opgebracht als getuige. Ten aanzien van de persoon van L. S. , blijkt uit het rapport van de deurwaarder dat betrokkene niet langer woonachtig is op het bij de Justitie van hem bekende adres, waardoor het niet mogelijk was hem te dagvaarden. Door de Plaatsvervangend Auditeur Militair wordt naar aanleiding hiervan gesteld dat het vaker voorkomt dat personen bij verhuizing, nalaten de Burgerlijke Stand van hun nieuwe adres op de hoogte te stellen. Vanuit de vervolging zal getracht worden het huidige adres van betrokkene te achterhalen, zodat hij alsnog als getuige kan worden gedagvaard. Naar aanleiding van het vorengaande, beveelt de Krijgsraad de hernieuwde dagvaardig van de persoon van L. S. op 13 juli as.

De tweede op de rol opgebrachte getuige P. A. is wel ter terechtzitting aanwezig. Zoals voorgeschreven door het Wetboek van Strafvordering, wordt de getuige door de President van de Krijgsraad naar zijn personalia gevraagd, waarna hij onder ede wordt gesteld. Aan de getuige worden door zowel de Krijgsraad als de Plv. Auditeur Militair vragen gesteld; de raadsman en de verdachte hebben geen vragen te stellen aan deze getuige. Hierna wordt het verhoor aangevangen van de derde op de rol opgebrachte getuige A. P. Ook deze getuige doet opgave van zijn personalia, en wordt daarna onder ede gesteld. Ook aan deze getuige worden door zowel de Krijgsraad als de Plv. Auditeur Militair vragen gesteld; noch de raadsman noch de verdachte hebben vragen te stellen aan deze getuige. Ten aanzien van de persoon van R. C. die eveneens op de rol is opgebracht als getuige, blijkt ter terechtzitting dat diens dagvaarding niet heeft kunnen plaatsvinden, aangezien hij in het buitenland woonachtig is. Door de Plv. Auditeur Militair wordt naar aanleiding hiervan gesteld dat het Openbaar Ministerie zal nagaan hoe betrokkene op enig moment kan worden gehoord.

Ten aanzien van de persoon van J. G. wiens dagvaarding als getuige eerder was gelast, wordt door de President van de Krijgsraad aangegeven dat er een rapport van de deurwaarder is ontvangen waaraan een verklaring van de Burgerlijke Stand is gevoegd, waaruit blijkt dat betrokkene in het jaar 2008 in Frankrijk is komen te overlijden. Naar aanleiding hiervan vraagt de Plv. Auditeur Militair dat de verklaring die J. G. tijdens het Gerechtelijk vooronderzoek heeft afgelegd, thans ter terechtzitting wordt voorgelezen.

De raadsman van de verdachte stelt bezwaar hiertegen te hebben, aangezien niet bekend is als de persoon van J. G. tijdens het Gerechtelijk Vooronderzoek onder ede is gehoord door de Rechter-Commissaris, en een bij de politie afgelegde verklaring niet als bewijs zou kunnen dienen.

Naar aanleiding van het voorgaande wordt de zitting geschorst. Na de schorsing wordt de Plv. Auditeur Militair de gelegenheid geboden te reageren op het verweer van de raadsman. Door de Plv. Auditeur Militair wordt gesteld dat hoewel de raadsman heeft beweerd dat een bij de politie afgelegde verklaring niet mag worden gebruikt voor bewijs, dit verweer niet gestoeld is op de wet. Immers geeft artikel 325 van het Wetboek van Strafvordering expliciet aan de wettige bewijsmiddelen, en is daarin vermeld dat processen verbaal een wettig bewijsmiddel zijn. De verklaring van de persoon van J. G. is tijdens het vooronderzoek afgenomen en afgesloten op ambtseed door een daartoe bevoegde ambtenaar, en is derhalve een bewijsmiddel in de zin van de wet.[1] Tevens verwijst de Plv. Auditeur Militair naar jurisprudentie, met als vindplaats NJ 1992, # 199 in welke wordt gesteld dat gebruik mag worden gemaakt van getuigenverklaringen afgelegd bij de politie.[2] De feitelijke situatie is dat de persoon van

J. G. het tijdelijke met het eeuwige heeft verwisseld, doch betekent dit volgens de Plv. Auditeur Militair niet dat hetgeen hij eerder heeft verklaard, niet mag worden gebruikt voor bewijs aangezien zowel in de wet als in de jurisprudentie ondubbelzinnig wordt aangegeven dat zulke verklaringen wel voor bewijs mogen worden gebruikt

In reactie hierop stelt de raadsman dat de Plv. Auditeur Militair weliswaar de wet en jurisprudentie heeft geciteerd, doch dat dan de vraag kan worden gesteld wat voor nut het dan zou hebben om personen die reeds bij de politie een verklaring hebben afgelegd, alsnog een verklaring te doen afleggen ter terechtzitting. Er zou dan in feite gewoon kunnen worden aangevangen met het verhoor van de verdachte, omdat er dan geen getuigen nodig zijn. De raadsman stelt dat er een verschil behoort te zijn tussen een verklaring welke is afgelegd bij de politie en die welke is afgelegd bij de Rechter Commissaris, omdat anders het onderscheid niet zou behoeven te worden gemaakt.[3] Naar aanleiding van het onderwerpelijke wordt door de President van de Krijgsraad gesteld dat de Krijgsraad zich zal buigen over deze kwestie, en op de zitting van 13 juli as. haar beslissing hierover kenbaar zal maken.

Aangehaald wordt dat eerder de dagvaarding was gelast van de persoon van S. M., waarop door de Plv. Auditeur Militair wordt gesteld dat betrokkene in het buitenland woonachtig is, en wordt gevraagd dat het Openbaar Ministerie de ruimte krijgt na te gaan hoe deze persoon kan worden gehoord.

Door de Krijgsraad wordt bepaald dat het onderzoek tegen de verdachte A. G. wordt uitgesteld naar maandag 13 juli as. op welke datum het Openbaar Ministerie rapport zal uitbrengen over het als getuige dagvaarden van de personen van R. C. en S. M.

Het onderzoek tegen de verdachte E. B.

De verdachte en zijn raadslieden zijn ter terechtzitting aanwezig. Door de Plv. Auditeur Militair wordt gesteld dat beide in deze zaak als getuige opgebrachte personen, met name N. R. en J. T. woonachtig zijn in het buitenland. Getracht is geworden om in contact te treden met de persoon van N. R., doch is dat niet gelukt. Door Plv. Auditeur Militair wordt derhalve gevraagd dat het Openbaar Ministerie een termijn wordt gegund om betrokken personen alsnog te dagvaarden. Door de raadsman van de verdachte wordt daarop gesteld dat de verdediging daar in principe geen bezwaar tegen zou hebben, echter zijn de eerder door betrokken personen afgelegde verklaringen aanwezig in het strafdossier, en vraagt de verdediging zich af als het niet mogelijk is af te zien van deze getuigen, daar niet veel relevantie wordt gezien in de verklaringen. Gevraagd wordt dat indien mogelijk, gelijk wordt aangevangen met het verhoor van de verdachte, ook indachtig het late uur.

In reactie hierop wordt door de Auditeur Militair gesteld dat in de zaak tegen de vorige verdachte reeds gesteld was dat het mogelijk is gebruik te maken van tijdens het vooronderzoek afgelegde verklaringen. Hier wordt dan ook niet afwijzend tegenover gestaan, doch acht de vervolging het toch wenselijk betrokken personen ter terechtzitting te dagvaarden, of op zijn minst een poging hiertoe te wagen. Volgens de Plv. Auditeur Militair is namelijk gebleken dat ter terechtzitting nuances worden aangebracht in verklaringen die tijdens het vooronderzoek zijn afgelegd. Om deze reden wordt uitstel gevraagd om te trachten betrokken personen alsnog te dagvaarden als getuigen. Mocht zulks niet lukken, dan kan de zaak worden voortgezet op grond van de stukken uit het procesdossier.

De raadsman van de verdachte, in de gelegenheid gesteld te reageren, geeft aan dat het bezwaar van de verdediging meer gericht is op de dagvaarding, waarbij de vraag wordt opgeworpen welk bewijs deze getuigen kunnen leveren.[4] Uit de verklaringen die betrokkenen eerder hebben afgelegd blijkt volgens de raadsman namelijk dat er niet veel bewijs is dat zij zouden kunnen leveren tegen de verdachte.

Naar aanleiding van het voorgaande wordt de zitting voor enige ogenblikken geschorst zodat de Krijgsraad zich kan beraden. Na de schorsing wordt door de President van de Krijgsraad gesteld dat vanwege het onmiddellijkheidsbeginsel,[5] de Auditeur Militair tenminste eenmaal de gelegenheid moet krijgen om genoemde personen als getuige te dagvaarden. Echter onderkent de Krijgsraad dat het voor de verdachte lastig is ter terechtzitting geconfronteerd te worden met het feit dat er geen getuigen aanwezig zijn. Derhalve wordt beslist dat het onderzoek tegen de verdachte wordt geschorst, en aan hem bericht zal worden verstrekt wanneer er zicht is op het horen van de getuigen.

Het onderzoek tegen de verdachte W. C.

De verdachte en zijn raadsman zijn ter terechtzitting aanwezig, en de zaak tegen de verdachte wordt voorgedragen door de Plv. Auditeur Militair.[6] In de zaak tegen deze verdachte is de persoon van E. B. als getuige opgebracht. De getuige is aanwezig ter terechtzitting en na opgave van de personalia, wordt betrokkene onder ede gesteld, en worden haar door zowel de Krijgsraad als de Plv. Auditeur Militair en de raadsman vragen gesteld. Na het verhoor van deze getuige, wordt door de President van de Krijgsraad aan de raadsman van de verdachte gevraagd als de verdediging getuigen a decharge zal opbrengen.[7] Volgens de raadsman zal de verdediging op dit moment geen getuigen a decharge opgeven, doch kan in deze fase niet worden gesteld dat er helemaal geen getuigen a decharge zullen worden opgebracht. Door de raadsman wordt gesteld dat thans over mag worden gegaan tot het verhoor van de verdachte. De President van de Krijgsraad geeft echter aan dat op dit moment moet worden aangegeven als er al dan geen getuigen a decharge zullen worden opgebracht. Indien zulks niet op dit moment kan worden opgegeven, zal de zaak tegen de verdachte worden uitgesteld.

Op aangeven van de President van de Krijgsraad wordt de zitting kort geschorst, zodat de raadsman zich kan onderhouden met zijn cliënt. Na het onderhoud tussen raadsman en cliënt, wordt door de verdediging gevraagd het onderzoek uit te stellen. De Krijgsraad stelt het onderzoek tegen de verdachte uit naar 13 juli as., op welke datum de verdediging zal behoren aan te geven als zij al dan geen getuigen a decharge zal doen oproepen. De raadsman attendeert de Krijgsraad nog op het feit dat zijn cliënt vanaf omstreeks 9 uur hedenmorgen in de open lucht, en wel in de zon zijn verschijning voor de Krijgsraad heeft moeten afwachten, en wordt gevraagd als er geen andere ruimte voorhanden is.[8] Thans blijkt tevens dat deze verdachte is gedagvaard voor 09.30 uur, terwijl dat 12.30 uur had moeten zijn. Door de President van de Krijgsraad wordt gesteld dat zulks een omissie betreft van het Openbaar Ministerie, en wordt de verdachte aangegeven dat hij in het vervolg steeds om 12.30 uur aanwezig zal behoren te zijn. Door de Krijgsraad wordt gevraagd dat het Openbaar Ministerie in het vervolg attent is op het voorgaande.

Het onderzoek tegen de verdachte R. R.

De verdachte is niet ter terechtzitting aanwezig, zijn raadsman wel. Door de raadsman wordt verwezen naar artikel 269 van het Wetboek van Strafvordering, welke stelt dat in gevallen waarin van nietigheid van de dagvaarding kan blijken zonder onderzoek van de zaak zelf, de verdachte bevoegd is deze verwering dadelijk voor te dragen.[9] Naar aanleiding hiervan wordt door de raadsman gesteld dat hij op 25 mei jl. de dagvaarding van de verdachte R. R. in ontvangst heeft genomen, de verdachte zelf heeft deze niet ontvangen. De raadsman stelt dat artikel 517 van het Wetboek van Strafvordering aangeeft op welke wijze de uitreiking van een dagvaarding moet geschieden; het uitreiken van een dagvaarding aan de raadsman staat niet vermeld in artikel 517 van het Wetboek van Strafvordering. Derhalve moet ingevolge lid 6 van het artikel, nietigheid volgen.[10]

In reactie hierop stelt de Plv. Auditeur Militair heden een rapport te hebben ontvangen van de deurwaarder, waaruit blijkt dat de deurwaarder op instructie van de verdachte de dagvaarding heeft afgestaan aan diens raadsman, en de vraag die gesteld moet worden is wat beoogd wordt met de in de wet aangegeven wijze van dagvaarding. De Plv. Auditeur Militair stelt dat een dagvaarding een oproepfunctie en een mededelingsfunctie heeft: het moet de verdachte namelijk kenbaar zijn op welke datum en bij welke rechter hij zich zal moeten vervoegen, tevens behoort het de verdachte kenbaar te worden gemaakt van welk strafbaar feit hij verdacht wordt. De deurwaarder heeft zich met de dagvaarding begeven naar het bij de justitie bekende adres van de verdachte R. R. , doch is de verdachte noch enige huisgenoot daar aangetroffen. Aangezien de deurwaarder over het telefoonnummer van de verdachte beschikte, heeft hij deze opgebeld en hem medegedeeld dat hij gedagvaard wordt om ter terechtzitting te verschijnen. Op instructie van de verdachte heeft de deurwaarder de dagvaarding ter hand gesteld aan de raadsman, die geen bezwaar had deze in ontvangst te nemen. Door de Plv. Auditeur Militair wordt geconcludeerd dat de functies die aan de dagvaarding zijn verbonden kenbaar zijn gemaakt aan de verdachte, die gesteld heeft dat de dagvaarding aan zijn raadsman ter hand moest worden gesteld, hetwelk ook is gebeurd. Hoewel dit afwijkt van hetgeen bij wet is gesteld, is zulks geschied met goedkeuring van de verdachte, en wordt derhalve gevraagd dat de Krijgsraad voorbij gaat aan het verweer van de raadsman.

De raadsman op zijn beurt herhaalt dat in artikel 517 van het Wetboek van Strafvordering wordt aangegeven op welke wijze een dagvaarding betekent moet worden. Indien de verdachte niet wordt aangetroffen, stelt de wet dat de dagvaarding moet worden uitgereikt aan het hoofd van het plaatselijk bestuur. Derhalve is de betekening thans niet geschiedt, en staat daar ingevolge artikel 517 van het Wetboek van Strafvordering, nietigheid op. De raadsman vervolgt met te stellen dat de verdachte indertijd telefonisch aan de deurwaarder had aangegeven dat hij verhuisd was, en dat dit ook bekend was bij de Burgerlijke Stand. Volgens de raadsman had de betekening van de dagvaarding op de juiste manier kunnen zijn geschied, indien men zich vergewist had van het juiste adres van de verdachte.

Het feit dat gebeld is naar de verdachte is niet ter zake, omdat deze wijze van handelen niet in de wet staat opgenomen. Indien niet volgens de wet is gehandeld, is nietigheid het gevolg, aldus de raadsman.

In reactie hierop wordt door de Plv. Auditeur Militair gesteld dat de wet geen dode letter is, doch een bedoeling heeft. De bij wet voorgeschreven wijze van betekening op straffe van nietigheid, heeft als bedoeling dat op enig moment vastgesteld kan worden dat de verdachte inderdaad zijn dagvaarding heeft ontvangen of geacht wordt te hebben ontvangen, waardoor indien hij niet is verschenen, verstek kan worden gevraagd. De verdachte heeft volgens de Plv. Auditeur Militair aangegeven aan de deurwaarder dat hij een raadsman heeft en dat de dagvaarding aan die raadsman kan worden afgestaan. Derhalve kan nu niet gesteld worden dat de verdachte niet is opgeroepen om zich op een bepaalde datum op een bepaalde locatie te vervoegen. De Plv. Auditeur Militair concludeert dat hoewel is afgeweken van hetgeen gesteld in artikel 517 van het Wetboek van Strafvordering, zulks is geschied op aangeven van de verdachte. Verder concludeert de Auditeur Militair dat zowel de oproepfunctie als de mededelingsfunctie van de dagvaarding zijn volbracht. Reden waarom de Plv. Auditeur Militair vraagt om voorbij te gaan aan het verweer, en verstek te verlenen tegen de verdachte.[11]

Aangezien de deurwaarder W. K. die de dagvaarding heeft afgestaan aan de raadsman van de verdachte R. R. heden ter terechtzitting aanwezig is, wordt betrokkene beëdigd als ad hoc deskundige, en ter zake gehoord door de Krijgsraad. De deurwaarder verklaart ter terechtzitting o.a. indertijd op het van de verdachte bekende adres, niemand te hebben aangetroffen aan wie de dagvaarding kon worden afgestaan. Na terugkeer op de werkplek heeft hij zulks gerapporteerd aan zijn meerdere die hem heeft aangegeven dat hij de verdachte moest bellen. Zulks is gebeurd, doch weigerde de verdachte tijdens dat telefoongesprek zijn huidige adres kenbaar te maken, en heeft in plaats daarvan aangegeven dat de dagvaarding aan zijn raadsman kon worden afgestaan. Volgens de deurwaarder heeft hij zich ten kantore van de raadsman begeven, en hem het telefonisch onderhoud met diens cliënt voorgehouden, waarop de raadsman geen bezwaar had de dagvaarding in ontvangst te nemen. Volgens de deurwaarder heeft de raadsman hem medegedeeld dat de verdachte was verhuisd, doch heeft de deurwaarder niet om het nieuwe adres gevraagd, noch heeft de raadsman dat uit zichzelf opgegeven. In reactie op het vorengaande erkent de raadsman gesproken te hebben met de deurwaarder, die hem heeft aangegeven dat hij een gesprek heeft gehad met de verdachte. Volgens de raadsman heeft hij de dagvaarding weliswaar in ontvangst genomen, doch heeft hij deze niet in ontvangst genomen voor de verdachte. Tevens stelt de raadsman dat toen de deurwaarder constateerde dat de verdachte niet aanwezig was op het bij de justitie van hem bekende adres, de wet had moeten worden geraadpleegd voor instructie omtrent hoe te handelen. In de wet staat niet dat verdachten gebeld moeten worden als zij niet aangetroffen worden. Volgens de raadsman rust op de verdachte niet de verplichting om zijn huidige adres door te geven aan de deurwaarder. In casu verwijst de raadsman naar het “nemo tenetur” beginsel, hetwelk stelt dat een verdachte niet behoeft mee te werken aan zijn eigen veroordeling.

Na de standpunten van het Openbaar Ministerie en de verdediging gehoord te hebben, wordt de zitting geschorst opdat de Krijgsraad zich over het onderwerpelijke kan beraden. Bij hervatting van de zitting wordt door de Krijgsraad gesteld dat gelet op de aard van de wet die zeer stringent is op dit punt, zal moeten worden geconcludeerd dat de dagvaarding niet op de volgens de wet voorgeschreven wijze is betekend. Indien om welke reden dan ook niet voldaan is aan de vereisten van artikel 517 van het Wetboek van Strafvordering, moet de dagvaarding nietig worden verklaard, en is er thans geen zaak tegen de verdachte R. R.[12] De consequentie van het oordeel van de Krijgsraad is dat de personen die als getuige tegen deze verdachte zijn opgeroepen en verschenen, heden niet ter terechtzitting kunnen worden gehoord.

Het onderzoek tegen de verdachte E. R.

De verdachte en zijn raadsman zijn ter terechtzitting aanwezig, en de zaak tegen de verdachte wordt voorgedragen door de Plv. Auditeur Militair. In de zaak tegen deze verdachte is de persoon van M. R. als getuige opgeroepen. Betrokkene is aanwezig, en verklaart desgevraagd de jongere zuster te zijn van de verdachte. Betrokkene wordt geattendeerd op het verschoningsrecht dat haar toekomt, en wordt gevraagd als zij bereid is afstand hiervan te doen.[13] De getuige is daartoe bereid en doet afstand van het verschoningsrecht, waarna haar door zowel de Krijgsraad als de Plv. Auditeur Militair vragen worden gesteld. De raadsman noch zijn cliënt hebben enige vragen te stellen aan de getuige. Ten aanzien van de tweede op de rol opgebrachte getuige S. B., blijkt ter terechtzitting dat betrokkene in persoon is gedagvaard, doch niet ter terechtzitting is verschenen, waarop de Plv. Auditeur Militair de medebrenging van deze getuige verzoekt. De Krijgsraad verleent hierbij akte van niet-verschijning, en gelast de medebrenging van de getuige naar de zitting van 13 juli as.

De raadsman wordt gevraagd als de verdediging beschikt over getuigen a decharge, waarop ontkennend wordt geantwoord. Naar aanleiding hiervan stelt de President van de Krijgsraad dat de verdediging zich behoort voor te bereiden op het verhoor van de verdachte op 13 juli as. aangezien thans slechts het verhoor van 1 getuige a charge rest. Op de vraag van de raadsman als de zaak daarna voor requisitoir en pleidooi zal staan, wordt aangegeven dat zulks dan zal worden bekeken.[14]

De raadsman vraagt de aandacht van de Krijgsraad voor het gegeven dat in het dossier een rapport van het Nederlands Juristen Comité is opgenomen, in welke melding wordt gemaakt van een aantal getuigenverklaringen op welke dat rapport zou zijn gebaseerd. Echter zijn die getuigenverklaringen niet aangetroffen in het dossier dat de verdediging heeft ontvangen van het Openbaar Ministerie.

Naar aanleiding van de opmerking van de raadsman stelt de President van de Krijgsraad dat het rapport van het Nederlands Juristen Comité zou zijn gebaseerd op getuigenverklaringen die indertijd zouden zijn gedeponeerd bij de Vice-President van het Gerechtshof in Den Haag, Nederland.

Het rapport zou een samenvatting zijn van meer dan 10 getuigenverklaringen die indertijd zijn afgelegd. De President van de Krijgsraad vraagt het Openbaar Ministerie te bewerkstelligen dat over die getuigenverklaringen kan worden beschikt. De Plv. Auditeur Militair stelt dat op een later tijdstip hier een reactie op zal volgen. De zaak tegen de verdachte E. R. wordt hierna uitgesteld tot 13 juli as., waarbij door de President van de Krijgsraad aan de Auditeur Militair wordt gevraagd dat indien hij voor die datum over de relevante informatie beschikt, zulks aan de Krijgsraad kenbaar wordt gemaakt.

Aangezien er verder niets meer op de rol staat, wordt de zitting omstreeks 15.30 uur gesloten.

mr. Marjory Sanches

Woordvoerder 8 decemberstrafproces

 

[1] Artikel 325 van het Wetboek van Strafvordering noemt als wettige bewijsmiddelen: de eigen waarneming van de rechter, verklaringen van de verdachte, getuigen en deskundigen, alsook schriftelijke bescheiden. Artikel 330, lid 1 onder 2 duidt als schriftelijke bescheiden ook aan processen verbaal en andere geschriften in wettelijke vorm opgemaakt door colleges en personen die daartoe bevoegd zijn, en behelzende hun mededeling van feiten of omstandigheden door henzelf waargenomen of ondervonden.

[2] In casu wordt verwezen naar het arrest van de Hoge Raad der Nederlanden d.d. 29 oktober 1991

[3] Artikel 284, lid 1 van het Wetboek van Strafvordering stelt o.a. dat indien een getuige overleden is, de verklaring die hij tijdens het gerechtelijk vooronderzoek na beëdiging heeft afgelegd, mits ter terechtzitting voorgelezen, als aldaar afgelegd wordt beschouwd. Tijdens het gerechtelijk vooronderzoek worden verklaringen onder ede slechts bij de Rechter-Commissaris afgelegd, bij de politie worden geen verklaringen onder ede afgelegd.

[4] In de dagvaarding wordt ook het strafbare feit of de strafbare feiten welke de verdachte ten laste is of zijn gelegd vermeld. Het Openbaar Ministerie poogt ter terechtzitting deze tenlastelegging te bewijzen.

[5] Het onmiddellijkheidsbeginsel strekt ertoe dat zo veel als mogelijk die informatie die ter terechtzitting in aanwezigheid van de verdediging, het Openbaar Ministerie, de rechter en eventueel het publiek in de meest authentieke vorm en bij voorkeur als onderdeel van mondelinge ondervraging en mondeling debat wordt gepresenteerd, als bewijsmateriaal wordt gebezigd.

[6] Bij de voordracht van de zaak wordt door de Auditeur Militair o.a. aangegeven welke feiten de verdachte ten laste zijn gelegd.

[7] Een getuige a charge is een getuige die het Openbaar Ministerie denkt te kunnen gebruiken voor het bewijzen van het ten laste gelegde feit. Tegenover een getuige a charge staat een getuige a decharge, die ontlastende verklaringen zou kunnen afleggen.

[8] Ter plekke zijn zowel in het Gerechtsgebouw als buiten het gebouw zelf, ruimten voor de verdachten bestemd. De verdachte heeft de keuze in welke van die ruimten hij zich in afwachting van zijn verschijning voor de Krijgsraad wenst op te houden.

[9] Alvorens een aanvang wordt gemaakt met de inhoudelijke behandeling van een strafzaak, heeft de verdachte de bevoegdheid een verweer op te werpen ten aanzien van de geldigheid van de dagvaarding, de bevoegdheid van de rechter om kennis te nemen van de zaak, en de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie. Indien een verweer gegrond wordt verklaard, wordt niet overgegaan tot inhoudelijke behandeling van de zaak, althans niet totdat de omstandigheid die aanleiding heeft gegeven tot het verweer, hersteld wordt.

[10] Artikel 517 van het Wetboek van Strafvordering stelt o.a. dat de uitreiking van een dagvaarding in persoon of aan een huisgenoot geschiedt. Worden noch de persoon, noch diens huisgenoten aangetroffen aan zijn woon- of verblijfplaats, of zijn deze niet bereid de dagvaarding in ontvangst te nemen, dan wordt deze uitgereikt aan het hoofd van het plaatselijk bestuur (de Districts-Commissaris) of een door hem aangewezen persoon, die de dagvaarding zo mogelijk alsnog aan de verdachte doet toekomen, zonder dat hiervan in rechte zal behoeven te blijken. Artikel 517, lid 6 van het Wetboek van Strafvordering geeft aan dat indien wordt afgeweken van hetgeen vermeld in artikel 517, nietigheid van de dagvaarding het gevolg is.

[11] Artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering stelt o.a. dat tegen de verdachte die in gebreke is op de aan hem gedane dagvaarding ter terechtzitting te verschijnen, verstek wordt verleend, waarna het onderzoek wordt voortgezet.

[12] Indien de dagvaarding nietig is verklaard, kan het Openbaar Ministerie de verdachte zo zij dat wenst, opnieuw dagvaarden.

[13] Artikel 196 van het Wetboek van Strafvordering geeft aan dat van het geven van getuigenis zich kunnen verschonen de verdachte’s bloed of aanverwanten in de rechte lijn (ouders, kinderen, kleinkinderen etc.), de verdachte’s bloed of aanverwanten in de zijlijn tot de derde graad (o.a. broers, zusters, ooms, tantes), alsook de verdachte’s echtgenoot of vroegere echtgenoot, dan wel de persoon met wie de verdachte duurzaam feitelijk samenwoont dan wel heeft samengewoond.

[14] Nadat de getuigen en de verdachte zijn gehoord, kan de vervolgingsambtenaar het woord voeren en legt hij zijn vordering na voorlezing aan de rechter over. De vordering omschrijft de straf - indien oplegging daarvan wordt geëist - en vermeld in dat geval tevens welk strafbaar feit zou zijn begaan. Het voordragen van die vordering door de vervolgingsambtenaar, wordt het requisitoir genoemd. Het antwoord van de verdachte of diens raadsman op het requisitoir, wordt pleidooi genoemd.

 

   Communiqué no. 19 

Paramaribo, 2 juni 2009

Krijgsraadzitting 29 mei 2009 in het 8 December strafproces

Op vrijdag 29 mei 2009 is het 8 december strafproces hervat. Voor de zitting van 29 mei waren een viertal verdachten en twaalf getuigen op de rol opgebracht.

Omstreeks 10.00 uur wordt de zitting voor geopend verklaard en de zaak van de eerste op de rol opgebrachte verdachte D.B. afgeroepen. Echter was betrokkene niet aanwezig ter terechtzitting. Door de President van de Krijgsraad wordt gesteld dat de raadsman van de verdachte melding heeft gedaan van verhindering wegens ziekte, en heeft gevraagd dat de behandeling van de zaak tegen zijn cliënt om deze reden wordt uitgesteld.

In de zaak tegen deze verdachte zijn een zestal getuigen op de rol opgebracht, en wordt door de Krijgsraad hun gezamenlijke binnenkomst bevolen. Vijf van de getuigen blijken aanwezig ter terechtzitting, en zoals voorgeschreven door het Wetboek van Strafvordering worden zij gevraagd naar hun personalia. Door de President van de Krijgsraad wordt hierna aan betrokkenen voorgehouden dat de raadsman van de verdachte in wiens zaak zij getuigenis zouden moeten afleggen, een schrijven heeft gericht aan de Krijgsraad, waarin wordt gesteld dat de raadsman vanwege gezondheidsredenen niet ter terechtzitting aanwezig zal kunnen zijn.

De raadsman heeft verder aangegeven niet te wensen dat voor hem waargenomen wordt, aangezien hij er prijs op stelt persoonlijk aanwezig te zijn bij de behandeling van de zaak tegen zijn cliënt. Vermeldenswaard is dat de raadsman van verdachte D.B., tevens raadsman is van al de verdachten die heden op de rol zijn opgebracht.

Naar aanleiding van het schrijven van de raadsman wordt door de Krijgsraad beslist dat de zaak tegen de verdachte D.B. wordt uitgesteld naar maandag 22 juni as., en worden de ter terechtzitting verschenen getuigen B.J., P.T., H.V., H.A. en R.S. aangezegd om op genoemde datum aanwezig te zijn. Ten aanzien van de niet ter terechtzitting verschenen getuige R.L., blijkt uit het rapport van de deurwaarder dat betrokkene zich op dit moment in het buitenland bevindt, en wordt zijn hernieuwde dagvaarding bevolen.

Hierna wordt de zaak van de tweede op de rol geplaatste verdachte E.G. afgeroepen. Betrokkene is ter terechtzitting aanwezig, en geeft desgevraagd zijn personalia op aan de President van de Krijgsraad. Door de President van de Krijgsraad wordt kenbaar gemaakt dat er een schrijven is ontvangen van een neuroloog betreffende de verdachte in kwestie, en dat daar ter terechtzitting rekening mee zal worden gehouden.

In de zaak van deze verdachte zijn een drietal getuigen op de rol opgebracht, echter blijkt slechts 1 getuige ter terechtzitting aanwezig. De President van de Krijgsraad houdt de verdachte en de getuige het schrijven van de raadsman voor, in welke melding wordt gedaan van verhindering wegens ziekte, en wordt gevraagd de zaak tegen zijn cliënt uit te stellen. Desgevraagd stelt de verdachte niet op de hoogte te zijn van de omstandigheden en het verzoek van zijn raadsman.

Door de President van de Krijgsraad wordt aangegeven dat de Krijgsraad voldoet aan het verzoek van de raadsman, en dat het onderzoek tegen de verdachte E.G. wordt uitgesteld naar 22 juni. Derhalve worden zowel de verdachte als de aanwezige getuige A.G. aangezegd om op die datum aanwezig te zijn. Ten aanzien van de niet ter terechtzitting verschenen getuige I.D. wordt door de President van de Krijgsraad aangegeven dat van betrokkene bericht van verhindering wegens ziekte is ontvangen, en dat deze getuige opnieuw zal worden gedagvaard.

Ten aanzien van de niet ter terechtzitting verschenen getuige S.M., blijkt dat deze in het buitenland woonachtig is, en vraagt de President van de Krijgsraad het Openbaar Ministerie zich hieromtrent uit te laten. Door de Plaatsvervangend Auditeur Militair wordt gesteld dat het Openbaar Ministerie voornemens is alle in Nederland woonachtig zijnde getuigen te dagvaarden ter terechtzitting. Daartoe zal het Openbaar Ministerie met de Krijgsraad in contact treden om te overleggen over een zittingsdatum kort voor of na het reces [1], zodat de getuigen via een rechtshulpverzoek gedagvaard kunnen worden.

Hierna wordt de zaak van de derde op de rol opgebrachte verdachte B.B. afgeroepen. Betrokkene is niet ter terechtzitting aanwezig, wel is van hem een schrijven ontvangen in welke wordt aangegeven dat het tijdstip voor welke hij heden is opgeroepen, hem niet convenieert. Door de President van de Krijgsraad wordt gesteld dat betrokkene aanvankelijk voor een later tijdstip was opgeroepen, en gisteren pas bericht heeft gehad dat hij heden op een eerder tijdstip moest verschijnen.

Onderkend wordt dat dit een kort tijdsbestek is, en wordt de hernieuwde oproeping van betrokkene bevolen. In de zaak van deze verdachte is 1 getuige, met name S.M. opgebracht. Aangezien deze getuige in het buitenland woonachtig is, vraagt de President van de Krijgsraad het Openbaar Ministerie zich hieromtrent uit te laten.

De Plv. Auditeur Militair herhaalt dat het Openbaar Ministerie voornemens is alle in het buitenland woonachtig zijnde getuigen te dagvaarden ter terechtzitting. Daartoe zal het Openbaar Ministerie met de Krijgsraad in contact treden om te overleggen over een zittingsdatum kort voor of na het reces, zodat de getuigen via een rechtshulpverzoek gedagvaard kunnen worden. Ook de zaak van de verdachte B.B. wordt door de Krijgsraad uitgesteld naar 22 juni as.

Hierna wordt de zaak van de vierde op de rol opgebrachte verdachte I.T. afgeroepen. Betrokkene is ter terechtzitting aanwezig, en wordt door de President van de Krijgsraad geïnformeerd omtrent de verhindering wegens ziekte van zijn raadsman, en het door de raadsman gedane verzoek tot uitstel van de behandeling van de zaak. Desgevraagd geeft de verdachte aan op de hoogte te zijn van het verzoek van de raadsman, en zulks op prijs te stellen. In de zaak tegen deze verdachte zijn een drietal getuigen op de rol opgebracht, echter is slechts de getuige H.K. ter terechtzitting verschenen.

Het betreft in deze een getuige wiens medebrenging naar de terechtzitting is gelast, vanwege het feit dat hij op de vorige zitting afwezig was. Desgevraagd geeft de getuige de Krijgsraad als reden voor zijn eerdere niet-verschijning op, dat hij indertijd een keuze had moeten maken tussen het ter terechtzitting verschijnen en een andere voor hem belangrijke gebeurtenis, en hij voor het laatste had gekozen.

De President van de Krijsraad informeert de getuige over de verhindering wegens ziekte van de raadsman van de verdachte, en het door de raadsman gedane verzoek om uitstel van de behandeling van de zaak tegen zijn cliënt. Door de getuige wordt daarop aangegeven dat dit inmiddels de tweede keer is dat hij ter terechtzitting verschijnt, zonder gehoord te zijn geworden. Dit gegeven wordt onderkend door de President van de Krijgsraad, en wordt de getuige om begrip voor de situatie gevraagd, daar het gaat om ziekte van de raadsman. De getuige wordt aangezegd om op 22 juni wederom ter terechtzitting aanwezig te zijn.

Ten aanzien van de twee niet ter terechtzitting verschenen getuigen J.R. en M.R., blijkt dat betrokkenen in het buitenland woonachtig zijn. Hierop wordt door de Plv. Auditeur Militair aangegeven dat de vervolging belang heeft bij het horen van deze getuigen, en dat de gedachte ernaar uitgaat dat er een zittingsdag wordt bepaald kort na het reces, zodat er voldoende tijd is om binnen de mogelijkheden van het rechtshulpverdrag [2], betrokken getuigen te dagvaarden of van hen te vernemen op welke wijze zij op enig moment gehoord kunnen worden ter terechtzitting. In dit kader wordt de Krijgsraad gevraagd een datum aan te willen wijzen voor het overleg met het Openbaar Ministerie.

De verdachte, in de gelegenheid gesteld te reageren op het voorgaande, geeft aan het onderwerpelijke door te zullen geven aan zijn raadsman. De zaak van de verdachte I.T. wordt hierna eveneens uitgesteld naar 22 juni as., waarna de zitting omstreeks 10.30 uur wordt gesloten.

mr. Marjory Sanches

Woordvoerder 8 decemberstrafproces


[1] Het is gebruik dat de Rechterlijke Macht jaarlijks van medio augustus tot eind september met reces is. Tijdens de periode van reces worden geen openbare terechtzittingen gehouden.

[2] De “Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Suriname betreffende de uitlevering en rechtshulp in strafzaken”, ook bekend als het “Rechtshulpverdrag”, geeft o.a. voorschriften over het verlenen van rechtshulp door partijen in elke procedure die betrekking heeft op strafbare feiten waarvan de bestraffing op het tijdstip waarop de rechtshulp wordt gevraagd, tot de bevoegdheid behoort van de rechterlijke autoriteiten van de verzoekende partij.

 

   Communiqué no. 18 

Paramaribo, 22 april 2009

Krijgsraadzitting 17 april 2009 in het 8 December strafproces

Op vrijdag 17 april 2009 is het 8 december strafproces voortgezet in de stand waarin het geding was geschorst op 20 maart jl. Voor de zitting van 17 april waren een zestal (6) verdachten en achttien (18) getuigen op de rol opgebracht.

Het onderzoek tegen de verdachte D. B.

Nadat de President van de Krijgsraad de zitting omstreeks 10.00 uur voor geopend had verklaard, werd de zaak van de verdachte D.B. afgeroepen. Betrokkene was niet ter terechtzitting aanwezig, zijn raadsman wel. Op de vraag van de President betreffende de afwezigheid van de verdachte, gaf de raadsman te kennen dat zijn cliënt er wel zou zijn, en misschien straks nog zou komen. In de zaak van deze verdachte waren een drietal getuigen a charge [1] opgeroepen, doch was slechts een van hen ter terechtzitting verschenen.

Eén van de afwezige getuigen, H. V. bevond zich voor werkzaamheden in het buitenland, en zal opnieuw worden gedagvaard. Van de andere afwezige getuige B. J. was bericht ontvangen dat hij geen vrijaf van zijn werkgever had gekregen om ter terechtzitting te verschijnen. Volgens de Plaatsvervangend Auditeur Militair was B. J. een getuige die op vorige zittingen altijd aanwezig is geweest, een bericht van verhindering heeft gestuurd waaruit een geval van overmacht blijkt, en hiermee dus rekening dient te worden gehouden. Derhalve is door de Plv. Auditeur Militair gevraagd om betrokkene opnieuw te dagvaarden voor de volgende zitting. De wel ter terechtzitting verschenen getuige P.T. is gehoord door de Krijgsraad, waarbij - zoals voorgeschreven door het Wetboek van Strafvordering - tevens het Openbaar Ministerie en de verdediging in de gelegenheid zijn gesteld betrokkene vragen te stellen.

Door de raadsman is op gegeven moment aan de getuige gevraagd door welke verbalisanten van de Militaire Politie hij tijdens het Gerechtelijk Vooronderzoek gehoord is geworden. De getuige heeft daarop aangegeven indertijd gehoord te zijn geworden door de verbalisanten S. en A., doch was volgens hem S. niet gedurende het gehele verhoor aanwezig.

Volgens de getuige was verbalisant S. bij aanvang van het verhoor aanwezig geweest, doch is hij tussendoor weggelopen. Volgens de getuige heeft verbalisant S. hem wel enkele vragen gesteld, doch was hij bij het einde van het verhoor niet aanwezig. Door de raadsman van de verdachte wordt de aandacht van de Krijgsraad gevraagd voor dit gegeven, waarop de President van de Krijgsraad stelt dat hoewel de verbalisanten niet beiden constant aanwezig waren, zij wel degelijk beiden bezig zijn geweest met het verhoor.

Op nadere door de raadsman gestelde vragen, geeft de getuige verder aan indertijd te zijn opgehaald door de verbalisanten in kwestie, zonder dat hij voor verhoor was opgeroepen en zonder dat hem was medegedeeld dat hij gehoord zou worden in verband met deze zaak. Pas na zijn verhoor is hem die mededeling gedaan. Naar aanleiding van nadere opmerkingen van de raadsman omtrent de omstandigheden van het verhoor tijdens het Gerechtelijk Vooronderzoek, wordt op gegeven moment door de Plv. Auditeur Militair gesteld dat de verbalisanten S. en A. over wiens wijze van verhoren ook op de vorige zitting opmerkingen zijn gemaakt door getuigen, heden ter terechtzitting zijn gedagvaard, en wordt voorgesteld dat betrokkenen met de getuige P. T. worden geconfronteerd.

Echter blijkt dat betrokken verbalisanten voor een later tijdstip zijn gedagvaard, waarop door de Krijgsraad wordt bepaald dat genoemde confrontatie zal plaats vinden op de volgende zitting. Het onderzoek tegen de verdachte D. B. wordt uitgesteld naar 29 mei as., waarbij de President van de Krijgsraad aan de raadsman van de verdachte aangeeft dat zijn cliënt via hem wordt aangezegd om op die datum aanwezig te zijn ter terechtzitting.

Het onderzoek tegen de verdachte J. S.

Er wordt een aanvang gemaakt met het verhoor van de verdachte J. S., waarbij aan betrokkene door zowel de Krijgsraad als door het Openbaar Ministerie, vragen worden gesteld omtrent zijn eventuele betrokkenheid bij de feiten voor welke hij thans terechtstaat. Ook door de raadsman worden enkele vragen gesteld aan zijn cliënt.

Na afronding van het verhoor wordt in eerste instantie door de Krijgsraad aangegeven dat de zaak wordt uitgesteld naar 29 mei as. voor requisitoir en pleidooi [2]. Hierop wordt door de Plv. Auditeur Militair echter gesteld dat vanwege de veelheid van verdachten, hij er om proceseconomische redenen de voorkeur aan geeft slechts eenmaal te rekwireren, en wel ten aanzien van al de verdachten tegelijk.

Tevens wordt door de Plv. Auditeur Militair gesteld dat de verschillende verdachten ten laste is gelegd dat zij de feiten tezamen en in vereniging zouden hebben gepleegd, en dat indien hij derhalve nu bij het requisitoir in de zaak tegen deze specifieke verdachte bepaalde bewijsconclusies zou trekken en zou komen tot een bewezenverklaring of vrijspraak, impliciet gesteld zou kunnen worden dat dit ook zou kunnen gelden ten aan zien van verdachten wiens zaken op dit moment nog niet afgerond zijn.

De raadsman van de verdachte, in de gelegenheid gesteld hierop te reageren, stelt zich hieromtrent te refereren aan het oordeel van de Krijgsraad. Door de President van de Krijgsraad wordt daarop gesteld dat de Krijgsraad akkoord gaat met het standpunt van de Plv. Auditeur Militair, en dat het Openbaar Ministerie te zijner tijd voor al de verdachten tegelijk zal kunnen rekwireren.

Het onderzoek tegen de verdachte I. T.

In de zaak van de derde verdachte I. T. die voor de Krijgsraad verschijnt zijn een drietal getuigen a charge opgebracht, die geen van allen ter terechtzitting zijn verschenen. Ter terechtzitting blijkt dat twee van die getuigen in het buitenland woonachtig zijn. Door de Plv. Auditeur Militair wordt aan de Krijgsraad gevraagd dat het Openbaar Ministerie de ruimte krijgt na te gaan hoe deze in het buitenland woonachtige getuigen ter terechtzitting kunnen worden gehoord, waarop door de President van de Krijgsraad wordt aangegeven dat op 29 mei as. uitsluitsel daarover behoort te worden gegeven door het Openbaar Ministerie.

Ten aanzien van de derde afwezige getuige, wordt diens medebrenging op de volgende zitting gelast. Desgevraagd geeft de raadsman van de verdachte aan dat de verdediging wel getuigen a decharge wenst te doen oproepen, doch dat deze zullen worden opgegeven nadat al de getuigen a charge zijn afgewerkt. Aangezien geen der getuigen thans aanwezig is, wordt het onderzoek tegen de verdachte I. T. uitgesteld naar 29 mei as.

Het onderzoek tegen de verdachte E. G.

In de zaak van de vierde verdachte E. G. zijn een viertal getuigen a charge opgeroepen, die allen ter terechtzitting zijn verschenen. Tijdens het verhoor van de eerste getuige A. P., geeft betrokkene op gegeven moment aan dat hij tijdens het Gerechtelijk Vooronderzoek in eerste instantie een verklaring had afgelegd op de Brigade van de Militaire Politie bij de verbalisanten A. en S., welke verklaring na lezing door hem ter plekke is ondertekend. Volgens de getuige echter is hij diezelfde dag kort na zijn verhoor, bij zijn woning bezocht door de verbalisant A., die hem een document voorhield, en aangaf dat het een verbeterde versie van zijn eerder afgelegde verklaring betrof, aangezien in die eerste verklaring fouten waren gemaakt.

Op de vraag van de getuige die eerste verklaring te mogen zien zodat hij die naast de nieuwe verklaring kon leggen, werd hem door verbalisant A. aangegeven dat die reeds vernietigd was. Volgens de getuige heeft hij niet de gelegenheid gehad de tweede verklaring die hem werd voorgehouden nauwkeurig en in zijn geheel te lezen, aangezien verbalisant A. aangaf haast te hebben. Op de vraag van de Plv. Auditeur Militair aan de getuige waarom hij een verklaring die hij niet nauwkeurig en in zijn geheel had kunnen lezen heeft ondertekend, erkende betrokkene dat het niet verstandig van hem was geweest zulks te doen.

Naar aanleiding van het vorengaande, wijst de raadsman van de verdachte de Krijgsraad erop dat in de getuigenverklaring staat vermeld dat betrokken getuige heeft volhard in zijn verklaring, en deze heeft ondertekend nadat hij die gelezen had. Tevens attendeert de raadsman de Krijgsraad op het gegeven dat in het proces-verbaal staat aangegeven dat deze op het hoofdkwartier van de Militaire Politie is opgemaakt, terwijl die verklaring ten huize van de getuige is gebracht ter ondertekening. De raadsman stelt naar aanleiding van het vorengaande dat de getuige thans ter terechtzitting is opgeroepen naar aanleiding van een proces-verbaal dat valsheden bevat.

Naar aanleiding van een hierna door de raadsman gestelde vraag, geeft de getuige aan dat hij gedurende zijn verhoor tijdens het Gerechtelijk Vooronderzoek had aangegeven bepaalde personen op of omstreeks 8 december 1982 niet te hebben gezien op een bepaalde locatie, en dat hij daaruit concludeerde dat een bepaalde persoon derhalve ook niet ter plekke aanwezig was geweest.

Volgens zeggen van de getuige was zulks opgenomen in zijn eerste verklaring die hij na lezing had ondertekend op de Brigade van de Militaire Politie. Thans blijkt het de getuige ter terechtzitting dat in de tweede verklaring die hij niet in zijn geheel had kunnen lezen, en die in het dossier is geplaatst, juist is aangegeven dat hij bepaalde personen wel op een bepaalde locatie had gezien, en daaruit concludeerde dat een bepaalde persoon daar dan wel zou moeten zijn geweest.

Naar aanleiding van het voorgaande wordt de verbalisant A. die thans op de locatie aanwezig is, voor de Krijgsraad gebracht. Na beëdiging door de Krijgsraad, wordt betrokkene geconfronteerd met de uitlatingen die door de getuige zijn gedaan. Verbalisant A. geeft daarop aan dat hij indertijd tezamen met verbalisant S. bij de woning van de getuige is geweest met een verbeterde verklaring, en dat zulks zou zijn gebeurd omdat er kleine typefouten in de eerste versie waren. Ook erkent de verbalisant dat de getuige hem indertijd gevraagd had naar de eerste verklaring, en dat hij daarop had aangegeven dat die reeds vernietigt was.

Echter ontkent de verbalisant dat hij de getuige zou hebben gezegd dat hij haast had, waardoor betrokkene de verklaring niet nauwkeurig en in zijn geheel had kunnen doornemen. De verbalisant ontkent tevens dat de verklaring van de getuige inhoudelijk was gewijzigd. Naar aanleiding van het voorgaande wordt de verbalisant door zowel de Plv. Auditeur Militair als de President van de Krijgsraad gevraagd waarom hij het indertijd nodig had geacht om een nieuwe verklaring aan de getuige voor te leggen, indien er in de originele versie slechts enkele typefouten waren, aangezien het gebruik is dat zulke fouten middels doorhalingen op originele stukken worden gewijzigd. De verbalisant zet daarop de werkwijze uiteen welke is gevolgd tijdens de verhoren die in het kader van het Gerechtelijk Vooronderzoek zijn afgenomen door de Militaire Politie, waarbij tevens wordt gesteld dat daarbij de instructies van de meerdere zijn gevolgd.

Naar aanleiding van de uitlatingen van de verbalisant, wordt betrokkene door de raadsman gevraagd als hij zich bewust is van de consequenties van het plegen van meineed [3], waarop betrokkene bevestigend antwoord. Desgevraagd geeft de verbalisant aan dat de tweede verklaring was ondertekend door zijn persoon, de verbalisant S. en de getuige. Echter blijkt ter terechtzitting dat de verklaring slechts is ondertekend door verbalisant A. en de getuige; de handtekening van verbalisant S. ontbreekt op het document.

Naar aanleiding van dit gegeven wordt door de Krijgsraad nadrukkelijk aan verbalisant A. gevraagd als hij zich alleen naar de woning van de getuige had begeven met de nieuwe verklaring. De verbalisant persisteert dat hij daar geweest is met zijn collega S., hetwelk ter terechtzitting wordt betwist door de getuige. Door de President van de Krijgsraad wordt opgemerkt dat de afwezigheid van verbalisant S. bij de bezorging van het tweede document ten huize van de getuige, een verklaring zou kunnen zijn voor het feit dat diens handtekening ontbreekt op dat stuk.

Door de Krijgsraad wordt daarop het bevel gegeven dat de verbalisant S. thans gehoord zal worden, waarbij verbalisant A. de zittingszaal pas mag verlaten wanneer verbalisant S. die zal hebben betreden.[4] Alzo geschied, en wordt verbalisant S. onder ede gesteld door de Krijgsraad. Door de President van de Krijgsraad wordt betrokkene het proces-verbaal houdende de verklaring van de getuige A. P. getoond, en wordt hem gevraagd als hij tezamen met verbalisant A. aanwezig was bij de woning van de getuige toen deze de verklaring tekende. Door verbalisant S. wordt daar bevestigend op geantwoord. Op de vraag van de President van de Krijgsraad waarom hij het document dan niet van zijn handtekening heeft voorzien, wordt door betrokkene gesteld dat hij zulks waarschijnlijk vanwege drukke werkzaamheden over het hoofd heeft gezien.

Op een door de Krijgsraad gestelde vraag, stelt verbalisant S. dat het verhoor van de getuige A. P. in eerste instantie in concept is opgenomen bij de woning van die getuige, en dat dit concept daarna uitgewerkt is geworden. Wanneer de verbalisant wordt voorgehouden dat in de kop van de verklaring staat aangegeven dat de getuige is gehoord op de Brigade van de Militaire Politie, wordt door hem gesteld dat de getuige zijn verklaring heeft afgelegd op de Brigade, en een deel daarvan toen op de computer is ingevoerd.

Alvorens de gehele verklaring kon worden ingevoerd deed zich volgens de verbalisant echter een probleem met de computer voor waardoor de rest van de verklaring met de hand is geschreven, en toen is ondertekend door de getuige. Daarna is volgens verbalisant S., het met de hand geschrevene naderhand ingevoerd op de computer, en is die uitdraai toen ten huize van de getuige gebracht geworden ter ondertekening. Desgevraagd stelt de verbalisant zich niet te kunnen herinneren wat met het eerste document is gebeurd.

Verbalisant S. persisteert verder dat hij indertijd tezamen met zijn collega A. bij de woning van de getuige is geweest met de verklaring; dat de getuige alle ruimte heeft gekregen de verklaring te lezen, en toen geen enkele op- of aanmerking heeft gemaakt. De getuige op zijn beurt persisteert dat alleen verbalisant A. bij hem aan huis is geweest, en hij niet de gelegenheid heeft gehad de verklaring nauwkeurig en in zijn geheel te lezen alvorens hij deze tekende.

Verbalisant S. geeft daarop aan dat hij indertijd tezamen met zijn collega A. op het balkon van de woning van de getuige was geweest, en beschrijft daarbij die ruimte cq. omgeving. Ondanks het feit dat die ruimte dezelfde blijkt te zijn als die welke door de getuige A.P. was opgegeven als de plek waar hij verbalisant A. had ontvangen, persisteert de getuige bij zijn stelling dat alleen verbalisant A. die dag thuis bij hem was gekomen.

Desgevraagd geeft de getuige verder aan dat hij indertijd nimmer een schriftelijke oproep heeft ontvangen om in het kader van het Gerechtelijk Vooronderzoek een verklaring af te leggen. Volgens de getuige is verbalisant S. indertijd op zijn werkplek verschenen, en heeft hij hem aangegeven dat hij mee behoorde te komen om verhoord te worden. Volgens de getuige heeft hij zich toen begeven naar zijn afdelingshoofd, die hem aangaf mee te gaan met de verbalisant. Verbalisant S. betwist de verklaring van de getuige, en stelt dat al de in het kader van het Gerechtelijk Vooronderzoek te horen getuigen indertijd schriftelijk opgeroepen zijn geworden om een verklaring af te leggen.

Naar aanleiding van dit gegeven wordt door de President van de Krijgsraad gesteld dat indien er een schriftelijke oproeping aan de getuige is geweest, deze oproeping nog aanwezig dient te zijn. Verbalisant S. wordt derhalve geïnstrueerd hier onderzoek naar te verrichten, en de oproeping over te leggen ten behoeve van de Krijgsraad. Aangezien het verhoor van de getuige A. P. is afgerond, wordt betrokkene toestemming verleend te vertrekken. Verbalisant S. wordt teruggebracht naar de ruimte bestemd voor de getuigen, in afwachting van de confrontatie met een getuige in de zaak van een andere verdachte.

Daarop wordt het onderzoek tegen de verdachte E. G. voortgezet met het verhoor van de getuigen. E. D. en M.D. Tijdens het verhoor van de getuige M. D., valt op gegeven moment omstreeks 18.15 uur in een deel van de zittingszaal de stroom uit, waarbij de lichten boven de groene tafel uitgaan. Ook de microfoons geplaatst voor zowel de Krijgsraad, de Plv. Auditeur Militair, de raadsman, de verdachte en de getuige, functioneren vanwege de stoomuitval niet. Het verhoor van de getuige wordt desondanks afgerond. Onder dezelfde omstandigheden wordt het verhoor van de getuige V. T. afgenomen. Hierna wordt het onderzoek tegen de verdachte E. G. uitgesteld tot 29 mei as., en wordt de zitting omstreeks 19.00 uur geschorst vanwege de stroomuitval.

Het onderzoek tegen de verdachte B. B.

Omstreeks 19.10 uur wordt de geschorste zitting hervat nadat de stroomvoorziening hersteld is, en wordt een aanvang gemaakt met het onderzoek tegen de verdachte B. B. Verbalisant A., die op de terechtzitting reeds eerder geconfronteerd was geworden met de getuige A. P. in de zaak van de verdachte E. G., wordt thans ontboden voor de Krijgsraad, en onder ede gesteld.

Op de zitting van 20 maart jl. had namelijk de getuige F. A. die was opgeroepen in de zaak tegen verdachte B. B., beweerd dat zijn verhoor bij de Militaire Politie tijdens het Gerechtelijk Vooronderzoek, verricht is geworden door slechts een verbalisant, met name de heer S. Desondanks stond in het proces-verbaal aangegeven dat het verhoor door zowel verbalisant S. als verbalisant A. was afgenomen. Naar aanleiding van dat gegeven was op de zitting van 20 maart jl. door de Krijgsraad bepaald dat de getuige F. A. op een daaropvolgende terechtzitting met betrokken verbalisanten zou worden geconfronteerd.

De getuige F. A. wordt thans ontboden voor de Krijgsraad, en onder ede gesteld. In aanwezigheid van de getuige, verklaart verbalisant A. dat het verhoor van betrokkene tijdens het Gerechtelijk Vooronderzoek, door hem tezamen met verbalisant S. is verricht. Getuige F. A. verklaart daarop in aanwezigheid van verbalisant A., dat hij door slechts 1 persoon is gehoord, met name verbalisant S. Volgens de getuige kwam verbalisant A. weliswaar enkele malen de verhoorruimte binnen, doch heeft deze hem geen enkele vraag gesteld. Zowel getuige F. A. als verbalisant A. persisteren bij hun verklaring, waarna verbalisant A. de zittingszaal mag verlaten. Verbalisant S. wordt daarop ontboden door de Krijgsraad, onder ede gesteld, en geconfronteerd met de beweringen van getuige F. A.

Verbalisant S. persisteert dat het verhoor van betrokken getuige tijdens het Gerechtelijk Vooronderzoek is afgenomen door hemzelf en zijn collega A. De getuige F. A. op zijn beurt, persisteert dat zulks niet het geval is geweest. Zowel verbalisant S. als getuige F. A. worden hierna toestemming gegeven door de Krijgsraad om te vertrekken, waarna getuige L. J. voor de Krijgsraad wordt gebracht. Deze getuige had op de zitting van 20 maart, eveneens verklaard dat hij tijdens het Gerechtelijk Vooronderzoek door slechts verbalisant S. was gehoord, hoewel in het proces-verbaal stond aangegeven dat het verhoor door zowel verbalisant A. als verbalisant S. was afgenomen.

De getuige wordt thans geconfronteerd met verbalisant A., die aangeeft dat het verhoor indertijd door zowel hem als zijn collega S. is afgenomen. De getuige L. J. persisteert in zijn verklaring dat hem tijdens dat verhoor, geen enkele vraag is gesteld door verbalisant A. Na hun verklaringen, wordt betrokkenen toestemming verleend te vertrekken.

Hierna wordt het verhoor van de getuige S. B. aangevangen, waarbij betrokkene door zowel de Krijgsraad als het Openbaar Ministerie en de verdediging, vragen worden gesteld. In de zaak van de verdachte B. B. is tevens de getuige S. M. opgebracht. Ter terechtzitting blijkt dat betrokkene in Nederland woonachtig is. Door de Plv. Auditeur Militair wordt gesteld dat het in deze een zeer belangrijke getuige betreft, en dat het Openbaar Ministerie doende is na te gaan op welke wijze deze getuige gehoord kan worden.

Hierop wordt door de President van de Krijgsraad aangegeven dat het onderzoek tegen de verdachte B. B. wordt uitgesteld naar 29 mei as., op welke datum het Openbaar Ministerie dient aan te geven hoe het staat met genoemde getuige. Tevens wordt door de Krijgsraad aangegeven dat de verdediging op dezelfde datum zal dienen aan te geven als zij getuigen a decharge zal doen oproepen.

Het onderzoek tegen de verdachte L. A.

In de zaak van de verdachte L. A. zijn een tweetal getuigen opgeroepen, die beiden ter terechtzitting zijn verschenen. De eerste getuige H. N. overlegt ter terechtzitting een door hem geschreven brief aan de Krijgsraad, welke terstond door de President van de Krijgsraad wordt voorgelezen. In zijn schrijven wordt door de getuige onder ander aangegeven dat hij bij zijn eerder getuigenverhoor door de Krijgsraad op 4 juli 2008, onregelmatigheden had geconstateerd in het proces-verbaal houdende het verhoor dat tijdens het Gerechtelijk Vooronderzoek van hem was afgenomen door de Rechter-Commissaris, en dat daarbij sprake zou zijn van materiële valsheid [5].

Volgens de getuige heeft hij thans na bijkans 8 maanden, geen uitsluitsel over het onderwerpelijke gehad. Volgens het schrijven van de getuige, beschikt hij verder nog steeds niet over het strafdossier in deze zaak, ondanks dit herhaalde malen verzocht is aan het Openbaar Ministerie, in de persoon van de voormalige Auditeur Militair, thans wijlen. Betrokken getuige is namelijk ook verdachte ten aanzien van strafbare feiten welke zouden zijn gepleegd op of omstreeks 8 december 1982. Blijkens het schrijven van de getuige, is er vanwege deze gang van zaken, bij hem een zeker wantrouwen ontstaan.

De Plv. Auditeur Militair, in de gelegenheid gesteld te reageren, geeft aan dat de persoon van H. N. thans ter terechtzitting is gedagvaard als getuige, waarbij als richtlijn zal worden gehanteerd de verklaringen welke betrokkene tijdens het Gerechtelijk Vooronderzoek, in de hoedanigheid van verdachte heeft afgelegd. De getuige zal volgens de Plv. Auditeur Militair thans ter terechtzitting kunnen verklaren wat hem bekend is over hetgeen zich heeft voorgedaan.

De verklaring van de getuige zal dan in een proces-verbaal worden gerelateerd, waarbij niet zal kunnen worden gesteld dat hieraan onvolkomenheden kleven. Op grond van het vorengaande, wordt door de Plv. Auditeur Militair gevraagd dat het getuigenverhoor van betrokkene thans wordt voortgezet. Tevens stelt de Plv. Auditeur Militair dat hij niet op de hoogte was van het verzoek van H. N. gedaan aan de voormalig Auditeur Militair en dat het feit dat betrokkene het strafdossier niet had ontvangen, een omissie was. Door de Plv. Auditeur Militair wordt gesteld dat het beschikken over het strafdossier een recht is van een verdachte, en het Openbaar Ministerie betrokkene dat recht geenszins zou willen ontnemen, weshalve er voorbereidingen zouden worden getroffen om hem een kopie van het dossier ter hand te stellen.

Na de reactie van de Plv. Auditeur Militair wordt naar aanleiding van het schrijven van de getuige, door de Krijgsraad het proces-verbaal van de zitting van 4 juli 2008 opgeslagen. Uit het proces-verbaal blijkt volgens zeggen van de President van de Krijgsraad dat er door betrokken getuige op die bewuste zitting opmerkingen zijn gemaakt als zouden de parafen die op de door hem tijdens het Gerechtelijk Vooronderzoek afgelegde verklaring zijn aangebracht, niet de zijne zijn.

Op de zitting van 4 juli is daarop door de Krijgsraad aan betrokkene aangegeven dat het in casu de parafen betrof van de Rechter-Commissaris en diens Griffier. Deze parafen waren geplaatst bij alle wijzigingen die in het proces-verbaal waren aangebracht. Door de Krijgsraad wordt aangegeven dat dit niets te maken heeft met materiële valsheid. Blijkens het proces-verbaal van de zitting van 4 juli 2008, had betrokken getuige op die datum tevens aangegeven dat de Rechter-Commissaris zaken anders in het proces-verbaal had verwoord dan die indertijd door hemzelf waren aangegeven.

De getuige geeft hierop aan dat hij op de zitting van 4 juli 2008 gesteld had dat er dusdanige omissies en wijzigingen bleken te zijn in het proces-verbaal houdende zijn tijdens het Gerechtelijk Vooronderzoek afgelegde verklaring, dat hij zich niet kon voorstellen dat hij bepaalde zaken als zodanig verwoord had. De getuige geeft aan dat hij niet in staat is het een en ander zelf na te gaan, aangezien hij niet beschikt over een exemplaar van het strafdossier. Naar aanleiding van het vorengaande instrueert de Krijgsraad het Openbaar Ministerie dat betrokken getuige, die dus ook verdachte is van strafbare feiten welke zich op of omstreeks 8 december 1982 zouden hebben voorgedaan, uiterlijk 21 dagen na heden over het dossier moet kunnen beschikken.

Door de getuige wordt verder aangegeven dat vanwege het feit dat hij vooralsnog niet over het dossier beschikt, hij heden niet in staat zal zijn een getuigenis af te leggen. Door de Krijgsraad wordt aangegeven dat het verzoek van de getuige een redelijke is, en wordt hem in het vooruitzicht gesteld dat hij wederom als getuige gedagvaard zal worden op een nader te bepalen datum na 29 mei a.s.

Hierna wordt de laatste in deze zaak op de rol opgebrachte getuige I. G. gehoord door de Krijgsraad, waarbij tevens het Openbaar Ministerie en de verdediging de gelegenheid krijgen betrokkene vragen te stellen. Na afronding van het verhoor van de getuige, instrueert de Krijgsraad de verdediging dat eventuele getuigen a decharge vooraf opgegeven dienen te worden, waarna deze zullen worden gedagvaard voor de zitting van 29 mei as. Na deze mededeling wordt het onderzoek tegen de verdachte L. A. uitgesteld naar vrijdag 29 mei as., waarna de zitting omstreeks 22.00 uur wordt gesloten.

mr. Marjory Sanches

Woordvoerder 8 decemberstrafproces

 
 
[1] Een getuige a charge is een getuige die het Openbaar Ministerie denkt te kunnen gebruiken voor het bewijzen van het ten laste gelegde feit. Tegenover een getuige a charge staat een getuige a decharge, die ontlastende verklaringen zou kunnen afleggen.
 
[2] Nadat de getuigen en de verdachte zijn gehoord, kan de vervolgingsambtenaar het woord voeren en legt hij zijn vordering na voorlezing aan de rechter over. De vordering omschrijft de straf - indien oplegging daarvan wordt geëist - en vermeld in dat geval tevens welk strafbaar feit zou zijn begaan. Het voordragen van die vordering door de vervolgingsambtenaar, wordt het requisitoir genoemd. Het antwoord van de verdachte of diens raadsman op het requisitoir, wordt pleidooi genoemd.

[3] Artikel 259 van het Wetboek van Strafrecht geeft aan dat op het opzettelijk afleggen van een valse verklaring onder ede (meineed), een gevangenisstraf van ten hoogste 6 jaar staat. Indien de valse verklaring is afgelegd in een strafzaak ten nadele van de verdachte, staat daarop gevangenisstraf van ten hoogste 9 jaar.

[4] Ter voorkoming van beïnvloeding van een nog niet gehoorde getuige door een reeds gehoorde getuige, worden zodanige maatregelen getroffen om te voorkomen dat deze zich met elkaar kunnen onderhouden.

[5] Het namaken van een bestaand document, bijvoorbeeld een paspoort, behelst materiële valsheid, ook het namaken van de handtekening van een ander valt daaronder.

 

   Communiqué no. 17 

Paramaribo, 9 april 2009

Krijgsraadzitting 6 april 2009 in het 8 December strafproces

Op maandag 6 april 2009 is het 8 december strafproces voortgezet in de stand waarin het geding was geschorst op 2 maart jl. Voor de zitting van 6 april waren een tweetal verdachten en negen getuigen a charge op de rol opgebracht.[1]

Nadat de President van de Krijgsraad de zitting omstreeks 10.00 uur voor geopend had verklaard, werd de zaak van de eerste verdachte afgeroepen. Betrokkene was niet ter terechtzitting aanwezig, wel zijn 2 raadslieden. Op de vraag van de President betreffende de afwezigheid van de verdachte, gaven de raadslieden te kennen dat betrokkene wegens ziekte niet ter terechtzitting kon verschijnen. De raadslieden gaven tevens te kennen dat hun cliënt geen bezwaar had dat de zaak buiten zijn aanwezigheid werd voortgezet.

In de zaak van deze verdachte waren een vijftal getuigen opgeroepen. Drie van die getuigen zijn ter terechtzitting verschenen en gehoord door de Krijgsraad. Zoals voorgeschreven door het Wetboek van Strafvordering hebben tevens het Openbaar Ministerie en de verdediging de gelegenheid gehad aan de getuigen vragen te stellen.

Op een vraag van de Plaatsvervangend Auditeur Militair gesteld aan een der getuigen, is door betrokkene in eerste instantie aangegeven dat hij daar niet in het openbaar op wilde antwoorden, doch wel in Raadkamer. [2] Het betrof in deze een vraag aangaande de wijze van besluitvormingsprocessen binnen het Nationaal Leger. Door de Krijgsraad is daarop gesteld dat het antwoord op de aan de getuige gestelde vraag ter plekke moest worden gegeven, aan welke instructie de getuige heeft voldaan. [3]

De drie getuigen die zijn gehoord in de zaak tegen de eerste op de rol geplaatste verdachte, zijn allen tevens verdachte in strafzaken betreffende strafbare feiten die zich op of omstreeks 8 december 1982 zouden hebben voorgedaan. Met het oog op dit gegeven is betrokkenen voor aanvang van hun verhoor, door de Krijgsraad voorgehouden dat hetgeen zij ter terechtzitting in de hoedanigheid van getuige mochten verklaren, niet tegen hen kan worden gebruikt wanneer zij als verdachte in eigen zaak terechtstaan. [4]

Op gegeven moment wordt aan de getuige door de President van de Krijgsraad een passage geciteerd uit een rapport dat is uitgegeven door de Verenigde Naties naar aanleiding van een door die organisatie verricht onderzoek naar de gebeurtenissen van 8 december 1982.

Naar aanleiding daarvan uit de getuige zijn misnoegen over het gegeven dat hij, in de hoedanigheid van verdachte het strafdossier zou hebben bekomen van het Openbaar Ministerie, doch het onderwerpelijke rapport daar niet in had aangetroffen. Door de Krijgsraad wordt daarop aan de getuige aangegeven dat indien een verdachte het dossier opvraagt, hij de stukken krijgt die hem betreffen. Betrokkene is aangegeven dat indien hij over het specifieke rapport wenst te beschikken, hij dat schriftelijk kan opvragen bij het Openbaar Ministerie.

Door deze getuige wordt aangegeven dat hij indertijd uit de media heeft vernomen dat een dagvaarding om als getuige op een vorige zitting te verschijnen, niet aan hem betekend kon worden, omdat hij niet zou zijn aangetroffen op zijn woonadres. De getuige stelt dat hij inderdaad niet vaak op dat adres aanwezig is, doch ruim van tevoren zijn contactinformatie ter beschikking heeft gesteld aan de autoriteiten, met name de Militaire Politie, en het derhalve betreurt dat daar geen gebruik van is gemaakt. Tevens geeft de getuige aan dat de dagvaarding om op de zitting van 6 april als getuige te verschijnen, door hemzelf is opgehaald bij de Militaire Politie, nadat er ettelijke malen telefonisch contact is geweest met deze instantie.

Twee van de getuigen die op de rol zijn opgebracht in de zaak van de eerste verdachte, zijn niet aanwezig ter terechtzitting. Volgens de Plv. Auditeur Militair is een van die getuigen woonachtig in het buitenland, doch heeft deze aangegeven bereid te zijn hier te lande de getuigenis der waarheid af te leggen ter terechtzitting, indien het moment daarvoor tijdig wordt aangegeven. Ten aanzien van de andere niet ter terechtzitting aanwezige getuige, wordt door de Plv. Auditeur Militair aangegeven dat betrokkene tot voor kort in Suriname vertoefde, en toen kenbaar had gemaakt bereid te zijn ter terechtzitting te verschijnen.

Echter is betrokkene recent teruggekeerd naar het buitenland. Met betrekking tot deze getuige zal het Openbaar Ministerie nagaan hoe deze op enig moment kan worden gehoord. De raadslieden van de verdachte - in de gelegenheid gesteld te reageren - stellen dat aangezien de getuigen in kwestie tijdens het Gerechtelijk Vooronderzoek reeds zijn gehoord door de Rechter-Commissaris, de verdediging om proces-economische redenen afziet van het horen van deze getuigen ter terechtzitting. Hierop stelt de Krijgsraad dat met het oog op het onmiddellijkheidsbeginsel, een getuige die bereid is ter terechtzitting te verschijnen, daartoe de gelegenheid zal worden geboden. Het onderzoek tegen de verdachte wordt daartoe uitgesteld naar vrijdag 12 juni as.

In de zaak van de tweede verdachte die op de rol was opgebracht, zijn een viertal getuigen opgeroepen dan wel gedagvaard. Drie van deze getuigen zijn ter terechtzitting verschenen. Blijkens het rapport van de deurwaarder is de vierde getuige thans ter verpleging opgenomen in een ziekeninrichting. Bij het verhoor van de eerste getuige wordt hem - vanwege zijn proceshouding en wijze van beantwoorden van vragen - op gegeven moment door de Plv. Auditeur Militair gevraagd als hij eerder op enige wijze gedwongen is geworden om bepaalde verklaringen af te leggen.

In reactie hierop geeft de getuige aan bij het verhoor door de Militaire Politie tijdens het Gerechtelijk Vooronderzoek, geïntimideerd te zijn geworden door de verbalisant die met luide stem en met de vuist op tafel slaande, eiste dat bepaalde vragen beantwoord werden. In het voorgaande heeft de Plv. Auditeur Militair aanleiding gezien de Krijgsraad te vragen de getuige te attenderen op de gevolgen van het afleggen van meinedige verklaringen.[5]

De Krijgsraad geeft daarop aan betrokken getuige aan dat indien het vermoeden bestaat dat hij zich schuldig maakt aan meineed, hij onmiddellijk in verzekering kan worden gesteld. De Krijgsraad stelt verder dat indien de getuige zich hetgeen hem wordt gevraagd niet kan herinneren, hij dat moet aangeven, en dat hij geenszins gedwongen wordt om bepaalde verklaringen af te leggen. Ook tijdens het verhoor van een andere getuige ziet de Krijgsraad vanwege de wijze van beantwoording van vragen door de getuige, aanleiding betrokkene te attenderen op de gevolgen van het afleggen van meinedige verklaringen.

De derde getuige die in de zaak tegen de tweede op de rol opgebrachte verdachte wordt gehoord, beklaagt zich tegen de Krijgsraad over het vroege uur waarop hij door te Militaire Politie is opgehaald ter medebrenging, met name 04.00 uur in de ochtend. Door de Krijgsraad wordt daarop aan de getuige aangegeven dat de wet voorziet in zijn medebrenging ter terechtzitting, vanwege het feit dat hij op eerdere dagvaardingen, niet ter terechtzitting is verschenen. Aan de getuige wordt begrip betuigd voor het ongerief dat door hem ondervonden wordt, en wordt hem aangegeven hij zich voor vergoeding van de inkomsten welke hij derft door het aanwezig zijn ter terechtzitting, kan wenden tot de Griffie van de Krijgsraad.

Aangezien betrokken getuige op een vorige terechtzitting desgevraagd had aangegeven drugsgebruiker te zijn, is hem door de Krijgsraad gevraagd als hij zich op dat moment onder invloed bevindt. Door de Krijgsraad wordt eveneens opgemerkt dat de houding van de getuige er een is van desinteresse en irritatie.

Vanwege de wijze van beantwoording van aan hem gestelde vragen, wordt de getuige op gegeven moment door de Krijgsraad gevraagd als hij wel terdege stilstaat bij hetgeen hij verklaart. Door de getuige wordt daarop aan de Krijgsraad aangegeven dat de gebeurtenissen over welke hij getuigenis aflegt, zich lang geleden hebben voorgedaan. Het verhoor van de getuige wordt afgerond, waarbij tevens het Openbaar Ministerie en de verdediging de gelegenheid krijgen betrokkene vragen te stellen.

Na afronding van het verhoor van de laatste getuige attendeert de raadsman van de verdachte de Krijgsraad op het gegeven dat zijn cliënt hoger in militaire rang is dan de verdachte die als eerste op de rol is opgebracht. Tevens is het volgens zeggen van de raadsman zo dat hij qua anciënniteit, ouder is dan de raadslieden van die verdachte.

Op grond van het vorengaande doet de raadsman het verzoek dat zijn cliënt in het vervolg als eerst op de rol wordt opgebracht, zodat bijgevolg zijn zaak ook als eerst wordt behandeld. In reactie op het verzoek van de raadsman, wordt door de Krijgsraad gesteld dat hetgeen is aangegeven over de anciënniteit zal worden nagetrokken, en wordt een gesprek met al de betrokken raadslieden in het vooruitzicht gesteld. Het onderzoek tegen de verdachte wordt uitgesteld naar vrijdag 12 juni as., waarna de zitting omstreeks 16.00 uur wordt gesloten.

mr. Marjory Sanches

Woordvoerder 8 decemberstrafproces

 

[1] Een getuige a charge is een getuige die het Openbaar Ministerie denkt te kunnen gebruiken voor het bewijzen van het ten laste gelegde feit. Tegenover een getuige a charge staat een getuige a decharge, die ontlastende verklaringen zou kunnen afleggen.

[2] Artikel 265 van het Wetboek van Strafvordering bepaalt dat de terechtzitting openbaar is, tenzij de rechter in het belang van de openbare orde of de zedelijkheid beveelt dat de behandeling geheel of gedeeltelijk met gesloten deuren zal plaatsvinden. Dit rechterlijk bevel kan ook worden gegeven op verzoek van een getuige, op grond dat het in het openbaar afleggen van zijn verklaring voor hemzelf of zijn bloed-of aanverwanten of (vroegere) echtgenote ernstige krenking van eer of goede naam ten gevolge zou hebben.

[3] Het onmiddellijkheidsbeginsel strekt ertoe dat zo veel als mogelijk die informatie die ter terechtzitting in aanwezigheid van de verdediging, het Openbaar Ministerie, de rechter en eventueel het publiek in de meest authentieke vorm en bij voorkeur als onderdeel van mondelinge ondervraging en mondeling debat wordt gepresenteerd, als bewijsmateriaal wordt gebezigd.

[4] De getuige en de verdachte hebben binnen het strafproces verschillende posities. Een getuige heeft een spreekplicht, de verdachte heeft juist het zwijgrecht. Het zwijgrecht van de verdachte zou illusoir zijn, indien hetgeen hij in de hoedanigheid van getuige mocht hebben verklaard in een strafzaak tegen een bepaalde verdachte, tegen hem kan worden gebruikt in de strafzaak waarin hij zelf als verdachte terechtstaat.

[5] Artikel 259 van het Wetboek van Strafrecht geeft aan dat op het opzettelijk afleggen van een valse verklaring onder ede (meineed), een gevangenisstraf van ten hoogste 6 jaar staat. Indien de valse verklaring is afgelegd in een strafzaak ten nadele van de verdachte, staat daarop gevangenisstraf van ten hoogste 9 jaar.



Paramaribo, 26 maart 2009
 
   Communiqué no. 16 

Krijgsraadzitting 20 maart 2009 in het 8 December strafproces
 
Op vrijdag 20 maart 2009 is het 8 december strafproces voortgezet in de stand waarin het geding was geschorst op 20 februari jl. Voor de zitting van 20 maart waren een zestal verdachten op de rol opgebracht. In de zaken van vijf van de verdachten waren een aantal getuigen a charge opgeroepen dan wel gedagvaard. [1] 

Bijzonderheden ten aanzien van de ter terechtzitting gehoorde getuigen 

Eén van de getuigen die ter terechtzitting gehoord is geworden, is na afloop van het verhoor door de Krijgsraad aangezegd beschikbaar te blijven, aangezien hij op een later tijdstip mogelijk met een andere nog te horen getuige zou worden geconfronteerd.

De raadsman van de verdachte in wiens zaak deze getuige was opgeroepen, heeft op een later moment op de terechtzitting aan de President van de Krijgsraad aangegeven dat deze reeds gehoorde getuige, in dezelfde ruimte werd opgehouden als een aantal nog te horen getuigen. Naar aanleiding van de mededeling van de raadsman, heeft de President van de Krijgsraad de deurwaarderij geïnstrueerd dat reeds gehoorde getuigen gescheiden behoren te worden van nog te horen getuigen. [2]

Zoals is voorgeschreven door artikel 273, lid 1 van het Wetboek van Strafvordering, worden getuigen alvorens een aanvang wordt gemaakt met hun verhoor, door de rechter gevraagd naar hun personalia, onder andere de naam, geboortedatum en het woonadres. Een der getuigen heeft daaromtrent aan de Krijgsraad aangegeven het niet op prijs te stellen bepaalde persoonlijke informatie publiekelijk op te moeten geven.

Naar aanleiding van uitlatingen gedaan door deze getuige, is door de President van de Krijgsraad aan betrokkene de vraag gesteld als deze concreet bedreigd wordt, waarop de getuige ontkennend antwoordt.

Tijdens het verhoor van deze getuige, wordt door de raadsman van de verdachte in wiens zaak de getuige was opgebracht, gesteld dat uit de verklaring afgelegd door de getuige bij de politie tijdens het Gerechtelijk Vooronderzoek, is opgenomen dat de getuige uitdrukkelijk de wens te kennen heeft gegeven dat de afgelegde verklaring geheim zou blijven, en dat de pers daar geen kennis van zou dragen. Naar aanleiding van de opmerking van de raadsman, is door de President van de Krijgsraad gevraagd aan de getuige als deze zich toen bedreigd heeft gevoeld. Op deze vraag is door de getuige bevestigend geantwoord.

Op de terechtzitting is uiteindelijk de medebrenging ten uitvoer gelegd van een getuige die reeds eerder gedagvaard doch niet verschenen was, en wiens medebrenging meermalen was gelast. Desgevraagd is door deze getuige aan de Krijgsraad opgegeven dat het feit dat hij niet eerder aanwezig dan wel bereikbaar was, gelegen is in het gegeven dat hij veelvuldig buiten de stad vertoeft.

Ook deze getuige is gehoord door de Krijgsraad, waarbij tevens het Openbaar Ministerie en de verdediging in de gelegenheid zijn gesteld de getuige vragen te stellen. Door de Plaatsvervangend Auditeur Militair is aan deze getuige kenbaar gemaakt dat door diens huisgenoten is aangegeven dat hij drugsverslaafd zou zijn.

In reactie hierop stelt de getuige dat hij wel drugsgebruiker, doch geen drugsverslaafde is. Desgevraagd geeft deze getuige aan de Plv. Auditeur Militair aan dat hij tijdens het afleggen van zijn verklaring tijdens het Gerechtelijk Vooronderzoek, onder invloed van drugs verkeerde. Door de Plv. Auditeur Militair wordt de getuige daarop delen van zijn eerder afgelegde verklaring voorgehouden, waarbij hem steeds de vraag wordt gesteld als deze uitlatingen wel op waarheid berusten.

Door de getuige wordt daar steeds bevestigend op geantwoord. Op de vraag van een van de leden van de Krijgsraad aan de getuige als deze op dit moment onder invloed is van drugs, wordt ontkennend geantwoord. Desgevraagd wordt door de Krijgsraad aan de getuige aangegeven dat hij zich voor vergoeding van de inkomsten welke hij derft door het aanwezig zijn ter terechtzitting, kan wenden tot de Griffie van de Krijgsraad.

Door één der getuigen wordt tijdens zijn verhoor aan de Krijgsraad aangegeven dat hij in zijn tijdens het Gerechtelijk Vooronderzoek bij de Militaire Politie afgelegde verklaring, toentertijd aan de verbalisant had aangegeven niet zeker te zijn van de identiteit van personen die hij op een bepaald moment op een bepaalde plek had waargenomen.

Volgens de getuige is op aandringen van de verbalisant dat er namen genoemd moesten worden, de verklaring in kwestie indertijd als zodanig tot stand gekomen. In reactie op hetgeen gesteld door de getuige, wordt door de Plv. Auditeur Militair kenbaar gemaakt dat de verbalisant in kwestie zich op dat moment in het Gerechtsgebouw bevindt, en wordt aan de Krijgsraad gevraagd dat deze thans ter zake wordt gehoord. Op last van de Krijgsraad wordt genoemde functionaris van de Militaire Politie onder ede gesteld, en geconfronteerd met de eerder gedane uitlating van de getuige. Betrokkene verklaart desgevraagd aan de Krijgsraad de getuige tijdens diens verhoor gedurende het Gerechtelijk Vooronderzoek, nimmer onder druk te hebben gezet om namen te noemen.

Verder stelt betrokkene dat de verhoren indertijd in het kader van de objectiviteit, steeds door twee verbalisanten zijn afgenomen. Dit is volgens betrokkene tevens gebeurd tijdens het verhoor van de getuige in kwestie, waarbij ook een ander nader bij naam genoemde verbalisant aanwezig zou zijn geweest. In reactie hierop, is door de getuige aangegeven dat die nader bij naam genoemde verbalisant slechts heel kort aanwezig is geweest gedurende zijn verhoor. Zowel de getuige als de functionaris van de Militaire Politie hebben bij de confrontatie gepersisteerd in hun verklaringen.

Ter terechtzitting wordt op gegeven moment zoals gebruikelijk, aan een getuige - alvorens hem enige vragen worden gesteld - zijn tijdens het Gerechtelijk Vooronderzoek bij de Militaire Politie afgelegde verklaring ter overtuiging getoond. De getuige in kwestie erkent dat de handtekening onder de verklaring de zijne is, doch stelt dat de verklaring tevens is ondertekend door twee verbalisanten, maar dat slechts een van hen indertijd aanwezig is geweest bij het verhoor.

Het blijkt te gaan om dezelfde verbalisanten die volgens de eerder ter terechtzitting gehoorde functionaris van de Militaire Politie, tijdens het Gerechtelijk Vooronderzoek aanwezig waren geweest bij het verhoor van de getuige die eerder ter terechtzitting had verklaard dat hij tijdens zijn verhoor bij de Militaire Politie onder druk is gezet om namen te noemen, en dat er tevens slechts een verbalisant bij dat verhoor aanwezig was. 

De Krijgsraad heeft op dat moment het verhoor van de getuige voortgezet, zonder in te gaan op zijn bewering dat er slechts een verbalisant aanwezig was bij zijn indertijd afgelegde verhoor. De raadsman, in de gelegenheid gesteld vragen te stellen, protesteert tegen het gegeven dat de Krijgsraad het verhoor van de getuige heeft voortgezet aan de hand van een proces-verbaal dat naar zijn mening, intellectueel vals is. [3]

In reactie hierop wordt door de President van de Krijgsraad gesteld dat het wel degelijk de intentie van de Krijgsraad is om de functionaris van de Militaire Politie die eerder ter terechtzitting geconfronteerd is geworden met een getuige, eveneens te confronteren met deze getuige die thans hetzelfde verklaart omtrent de afwezigheid van een tweede verbalisant bij het verhoor.

Alzo is geschied, doch bij de confrontatie persisteert de door de Krijgsraad onder ede gestelde functionaris van de Militaire Politie in zijn verklaring dat ook deze getuige tijdens het Gerechtelijk Vooronderzoek door hemzelf en nog een andere verbalisant is gehoord. De getuige op zijn beurt persisteert dat zulks niet is geschied. Door de Krijgsraad wordt derhalve besloten dat degene die als tweede verbalisant is genoemd, ter terechtzitting zal worden gehoord op de datum waarop de zaak zal worden voortgezet, met name 17 april a.s..

Niet ter terechtzitting verschenen getuige

Een der opgeroepen getuigen is niet ter terechtzitting verschenen. Door de Krijgsraad is akte van niet-verschijning verleend, en is de medebrenging van betrokkene op een volgende zitting gelast.

Ten aanzien van het horen van een verdachte

Op de zitting van 20 februari was door de Krijgsraad aan een der toen op de rol opgebrachte verdachten aangegeven dat op de zitting van 20 maart een aanvang zou worden gemaakt met zijn verhoor. Omstreeks 16.30 uur is die bewuste verdachte voor de Krijgsraad verschenen. Hem is toen door de Krijgsraad aangegeven dat op dat moment slechts de verhoren van de getuigen in de zaak van de eerste verdachte die op de rol was opgebracht, waren afgerond.

Door de Krijgsraad is gesteld dat vanwege het gevorderde uur, die dag geen aanvang zal worden gemaakt met het verhoor van de verdachte, dit omdat wordt beoogd dat betrokkene ter terechtzitting uitgebreid aan het woord kan komen. Zowel de raadsman van de verdachte als de verdachte zelf, hebben aangegeven geen bezwaar te hebben tegen uitstel van het verhoor naar een andere datum. De zaak van betrokken verdachte is door de Krijgsraad uitgesteld naar 17 april a.s., op welke zitting wel een aanvang zal worden gemaakt met het horen van de betrokkene. 

Uitstel van de zaken van ter terechtzitting gedagvaarde verdachten

Op gegeven moment zijn al de verschenen getuigen gehoord die waren opgeroepen in de zaken van 3 van de verdachten. Op de zittingsrol stonden toen nog de zaken van 2 verdachten, in welke ook een aantal getuigen zouden moeten worden gehoord.

Door de Krijgsraad is toen bepaald dat vanwege het late uur, de zaken tegen de 2 andere verdachten die op de rol waren opgebracht zullen worden uitgesteld naar 17 april a.s., op welke zitting de getuigen alsnog zullen worden gehoord. De zitting is vervolgens omstreeks 19.30 uur geschorst. 

mr. Marjory Sanches

Woordvoerder 8 decemberstrafproces
 

[1] Een getuige a charge is een getuige die het Openbaar Ministerie denkt te kunnen gebruiken voor het bewijzen van
het ten laste gelegde feit. Tegenover een getuige a charge staat een getuige a decharge, die ontlastende verklaringen zou kunnen afleggen.

[2] De ratio van het gescheiden houden van reeds gehoorde en nog te horen getuigen, is gelegen in het feit dat op deze wijze de beïnvloeding van de nog te horen getuige(n), wordt voorkomen.

[3] Er wordt binnen het recht onderscheid gemaakt tussen materiële valsheid en intellectuele valsheid. Het namaken van een bestaand document, bijvoorbeeld een paspoort, behelst materiële valsheid, ook het namaken van de handtekening van een ander valt daaronder. Er is sprake van intellectuele valsheid, wanneer in een origineel stuk bewust onjuiste vermeldingen worden gedaan.

 

   Communiqué no. 15

Paramaribo, 6 maart 2009

BESLISSING HOF VAN JUSTITIE ...

INZAKE BEROEP 3 VERDACHTEN 8 DECEMBER ZAAK

Zoals bekend is het Openbaar Ministerie na afsluiting van het Gerechtelijk Vooronderzoek in de 8 decemberzaak in december 2004, er toe overgegaan aan een aantal personen kennisgevingen van verdere vervolging te verstrekken.[1] Een aantal van deze personen hebben indertijd bezwaar aangetekend tegen de aan hun betekende kennisgevingen van verdere vervolging. Deze bezwaren, met uitzondering van 1, zijn toen afgewezen door de Krijgsraad. Betrokkenen zijn tegen die afwijzingen in beroep gegaan bij het Hof van Justitie, echter zijn ook die beroepschriften – met uitzondering van 1 – in de maand juni 2007 afgewezen.

In november 2007 heeft het Openbaar Ministerie dagvaardingen doen uitgaan aan 22 van de verdachten, om zich terzake de aan hen ten laste gelegde feiten te verantwoorden voor de Krijgsraad. Ingevolge artikel 243, lid 1 van het Wetboek van Strafvordering kan een verdachte bezwaar aantekenen tegen een aan hem verstrekte dagvaarding, indien deze niet is voorafgegaan door een kennisgeving van verdere vervolging.[2] Desondanks hebben drie van de verdachten bezwaar aangetekend tegen de aan hun betekende dagvaardingen.

De grieven op welke de bezwaren van betrokkenen waren gestoeld, betroffen onder andere de procedure gevolgd door het Openbaar Ministerie bij de betekening van de kennisgevingen van verdere vervolging en de dagvaardingen.  

Voormelde verdachten zijn in de maand februari 2008 door de Krijgsraad niet ontvankelijk verklaard in hun bezwaren.[3] Betrokkenen zijn tegen die niet-ontvankelijkheidverklaring in beroep gegaan bij het Hof van Justitie. Per beschikking van 24 februari 2009, heeft het Hof van Justitie betrokken personen wederom niet ontvankelijk verklaard, en hen terzake van de hen ten laste gelegde feiten verwezen naar een nader door de Krijgsraad te bepalen terechtzitting. Met deze beslissing van het Hof van Justitie is thans de weg vrij voor het Openbaar Ministerie om betrokken personen opnieuw te dagvaarden ter terechtzitting.

Mr. Marjory Sanches

Woordvoerder 8 decemberstrafproces


[1] Ingevolge artikel 224 van het Wetboek van Strafvordering behoort na afsluiting van een Gerechtelijk Vooronderzoek degene die onderwerp is geweest van dat Gerechtelijk Vooronderzoek, hetzij een dagvaarding, hetzij een kennisgeving van verdere vervolging, hetzij een kennisgeving van niet-verdere vervolging te ontvangen van het Openbaar Ministerie. Een kennisgeving van verdere vervolging wordt doorgaans na enige tijd gevolgd door een dagvaarding.

[2] De ratio van deze bepaling is gelegen in het feit dat de ontvanger van een kennisgeving van verdere vervolging zich in twee instanties kan weren tegen de middels deze kennisgeving in het vooruitzicht gestelde vervolging, met name bij de rechter vermeld in die kennisgeving (in eerste aanleg), alsook eventueel bij het Hof van Justitie (in beroep). Degene wiens dagvaarding niet vooraf gegaan is door een kennisgeving van verdere vervolging, kan zich eveneens in twee instanties weren tegen de door de dagvaarding in het vooruitzicht gestelde vervolging, met name bij de rechter vermeld in de dagvaarding, alsook eventueel bij het Hof van Justitie. De wet biedt geen ruimte aan een persoon die eerder een kennisgeving van verdere vervolging heeft ontvangen (waartegen men zich in 2 instanties kan weren), om zich ook tegen de daarop volgende dagvaarding, tot tweemaal toe te weren. In het systeem van de wet ligt besloten dat men zich in 2 instanties kan weren tegen een handeling, namelijk in eerste aanleg en in hoger beroep. Zou men zich tegen zowel een kennisgeving van verdere vervolging als een daaropvolgende dagvaarding weren, dan zou dat neerkomen op 4 weringsmogelijkheden tegen een en dezelfde tenlastelegging.

[3] Een verzoeker / klager wordt niet ontvankelijk verklaard in zijn verzoek / beklag, wanneer de wijze waarop of de termijn waarbinnen dat verzoek of beklag is gedaan, niet conformeert aan de wijze of de termijn welke daarvoor door de wet is gesteld, of wanneer anderzijds niet is voldaan aan de wettelijke vereisten voor het doen van het verzoek, c.q. beklag. Bij een niet-ontvankelijkheidverklaring wordt het verzoek of beklag niet inhoudelijk beoordeeld.

 

4 maart 2009

   Corrrectie uitspraak woordvoerder tijdens persbriefing

Tijdens de persbriefing op de zitting van 2 maart jl., is door mij weergegeven dat de Auditeur-Militair ter terechtzitting heeft aangegeven dat het Openbaar Ministerie afziet van een getuige die inmiddels is overleden.

Door mij is in het verlengde daarvan aangegeven dat de wet stelt dat de verklaring van een getuige welke tijdens het Gerechtelijk Vooronderzoek onder ede is afgelegd bij de Rechter-Commissaris - mits ter terechtzitting voorgelezen - als aldaar afgelegd kan worden beschouwd.

Verder is door mij gesteld dat aangezien het Openbaar Ministerie heeft aangegeven af te zien van deze getuige, geen gebruik gemaakt zal worden van genoemde mogelijkheid. Dit is echter onjuist.

De plv. Auditeur-Militair heeft echter niet gezegd dat het Openbaar Ministerie afziet van de getuige. Door de plv. Auditeur-Militair is aangegeven dat ervan wordt afgezien dat betrokkene ter terechtzitting verschijnt om de getuigenis af te leggen. De uitspraak van de plv. Auditeur-Militair is dus onjuist weergegeven door mij en de in het verlengde daarvan door mij gedane uitspraak past derhalve niet in die context.

Mr. Marjory Sanches,

Woordvoerder 8 december strafproces

 

   Communiqué no. 14

Zitting Krijgsraad van 2 maart in het 8- December strafproces

Op maandag 2 maart 2009 is het 8 december strafproces voortgezet in de stand waarin het geding was geschorst op 13 februari. Voor de zitting van 2 maart, waren 3 verdachten opgebracht op de rol. In de zaak van de eerste verdachte waren een drietal getuigen a charge [1] opgeroepen dan wel gedagvaard. Een van die getuigen is ter terechtzitting verschenen en gehoord door de Krijgsraad.

Ter terechtzitting is uit het rapport van de deurwaarder gebleken dat een van de andere in deze zaak op de rol opgebrachte getuigen inmiddels overleden is. Door de Plaatsvervangend Auditeur Militair is in reactie daarop gesteld dat ervan wordt afgezien dat betrokkene ter terechtzitting verschijnt om de getuigenis af te leggen.

Ten aanzien van de derde getuige die in deze zaak is opgebracht, was op de zitting van 13 februari reeds diens medebrenging bevolen door de Krijgsraad. Op de zitting van 2 maart bleek uit het rapport van de deurwaarder dat deze geen uitvoering heeft kunnen geven aan het bevel tot medebrenging, daar betrokken getuige niet aangetroffen is geworden. De Plv. Auditeur Militair heeft daarop gesteld te persisteren in de medebrenging, en de instructie te zullen verschaffen aan de Militaire Politie om de opsporing in te zetten teneinde deze getuige zichtbaar te maken.

De Krijgsraad heeft besloten tot handhaving van het bevel tot medebrening van betrokken getuige. Het verdere onderzoek tegen de verdachte is uitgesteld naar 6 april as.

In de zaak van de tweede verdachte waren eveneens 3 getuigen op de rol opgebracht. Een van hen is ter terechzitting verschenen en gehoord door de Krijgsraad; twee van de getuigen zijn niet ter terechtzitting verschenen. Ten aanzien van een van de niet verschenen getuigen, is ter terechtzitting uit het rapport van de deurwaarder gebleken dat betrokkene correct is opgeroepen. De Krijgsraad heeft daarop de medebrenging van de getuige in kwestie op de volgende zitting gelast.

Ten aanzien van de andere niet verschenen getuige, is ter terechtzitting uit het rapport van de deurwaarder gebleken dat betrokkene niet langer vast verblijf heeft op het bij de Justitie van hem bekende adres. Door de Plv. Auditeur Militair is daarop gesteld dat getracht zal worden het huidige adres van deze getuige te achterhalen, zodat betrokkene alsnog ter terechtzitting kan worden gedagvaard. Het verdere onderzoek tegen deze verdachte is eveneens uitgesteld naar 6 april as.

In de zaak van de derde verdachte is ter terechtzitting een aanvang gemaakt met zijn verhoor, waarbij aan betrokkene door zowel de Krijgsraad als het Openbaar Ministerie vragen zijn gesteld ten aanzien van de aan hem ten laste gelegde feiten.

Op gegeven moment hebben zowel de President van de Krijgsraad als de Plv. Auditeur Militair tijdens het verhoor reden gezien hun wijze van vraagstelling en optreden ter terechtzitting aan de verdachte te verduidelijken. Naar aanleiding daarvan heeft de verdachte op zijn beurt zijn gevoelens betreffende de tegen hem gerichte strafvervolging kenbaar gemaakt aan de Krijgsraad.

Na afronding van het verhoor is door de Krijgsraad gesteld dat het onderzoek in de zaak van betrokken verdachte nog niet wordt gesloten, en dat deze op een nader te bepalen datum zal vernemen waneer het onderzoek tegen hem zal worden hervat. Omstreeks 15.30 uur is de behandeling van de zaak geschorst en de zitting gesloten.

Mr. Marjory Sanches,

Woordvoerder 8 decemberstrafproces


[1] Een getuige a charge is een getuige die het Openbaar Ministerie denkt te kunnen gebruiken voor het bewijs van het ten laste gelegde feit. Tegenover een getuige a charge, staat een getuige a decharge, welke een getuige is die ontlastende verklaringen zou kunnen afleggen.

 

Paramaribo, 24 februari 2009

   Communiqué no. 13

Zitting Krijgsraad van 20 februari 2009 in het 8- December strafproces

Op vrijdag 20 februari 2009 is het 8 december strafproces voortgezet in de stand waarin het geding was geschorst op 23 januari jl. Voor de zitting van 20 februari waren een achttal verdachten op de rol opgebracht. Zeven van hen zijn ter terechtzitting verschenen, een was afwezig. In de zaken van de verschillende verdachten waren een aantal getuigen a charge opgeroepen dan wel gedagvaard.[1] Een aantal van die getuigen zijn niet ter terechtzitting verschenen. Van een aantal van de niet verschenen getuigen is gesteld dat die in het buitenland woonachtig zijn.

Het Openbaar Ministerie, in de persoon van de plaatsvervangend Auditeur Militair, heeft ten aanzien van de in het buitenland woonachtige getuigen aangegeven dat zal worden nagegaan op welke wijze op enig moment volgens de Strafvordering invulling kan worden gegeven aan het horen van deze getuigen door de Krijgsraad.
 

Bijzonderheden ten aanzien van niet ter terechtzitting verschenen getuigen.

Ten aanzien van de niet ter terechtzitting verschenen getuigen, is gebleken dat aan enkelen de dagvaarding om ter terechtzitting de getuigenis der waarheid af te leggen, niet kon worden uitgereikt, omdat zijn niet meer woonachtig zijn op het bij de Justitie bekende adres.

De Plv. Auditeur Militair heeft daarop aangegeven dat getracht zal worden het huidige adres via o.a. het Centraal Buro voor Burgerzaken te achterhalen, zodat betrokkenen alsnog kunnen worden gedagvaard ter terechtzitting.

Op de zitting van 23 januari was tegen een toen niet verschenen getuige a charge, een bevel van medebrenging uitgevaardigd door de Krijgsraad. Op 20 februari bleek ter terechtzitting uit het rapport van de deurwaarder dat - toen deze zich die ochtend naar het bij de Justitie bekende adres van de getuige in kwestie had begeven om de medebrenging ter terechtzitting uit te voeren - door de op dat adres aanwezige huisgenoten is aangegeven dat betrokken getuige een drugsverslaafd persoon is zonder vaste woon- of verblijfplaats.

Niettegenstaande het vorengaande is door de Plv. Auditeur Militair aan de Krijgsraad gevraagd het bevel tot medebrenging van de getuige te handhaven. De raadsman van de verdachte in wiens zaak de getuige was opgeroepen, stelde in reactie daarop over informatie te beschikken dat de getuige in kwestie reeds in het jaar 2001 toen deze in het kader van het Gerechtelijk Vooronderzoek door de Rechter Commissaris werd gehoord, drugsverslaafd was. Deze informatie had de raadsman volgens zeggen bekomen van huisgenoten van de getuige. De raadsman stelde verder zich niet te kunnen voorstellen dat de Rechter Commissaris toen niet gemerkt had dat betrokken getuige, die nota bene belastende verklaringen heeft afgelegd, drugsverslaafd was.

Na de reactie van de raadsman is door de Plv. Auditeur Militair gepersisteerd in de medebrenging van de getuige, waarbij tevens is gesteld dat diens al dan niet drugsverslaafd zijn niet relevant is. De Plv. Auditeur Militair stelde dat ingevolge de wet, het zelfs mogelijk is om een krankzinnige als getuige te horen.[2] De Krijgsraad heeft besloten dat het bevel tot medebrenging van betrokken getuige, gehandhaafd wordt.

Op de zitting van 23 januari werd medegedeeld dat een als getuige opgebrachte persoon, kort daarvoor overleden was. Op de zitting van 20 februari heeft het Openbaar Ministerie een overlijdensakte van deze persoon overgelegd aan de Krijgsraad. De Krijgsraad heeft daarop aangegeven aan de Griffier dat nagegaan moet worden als de getuige tijdens het Gerechtelijk Vooronderzoek ook door de Rechter Commissaris is gehoord.[3]
 

Wel ter terechtzitting verschenen getuigen

De wel ter terechtzitting verschenen getuigen zijn allen gehoord door de Krijgsraad. Zoals voorgeschreven door het Wetboek van Strafvordering, hebben tevens het Openbaar Ministerie en de verdediging de gelegenheid gehad vragen te stellen aan de getuigen ten aanzien van hetgeen zij hebben verklaard. Een van de ter terechtzitting verschenen getuigen kon vanwege het feit dat betrokkene minder goed ter been is, niet in de zittingszaal gelegen op de eerste etage van het gerechtsgebouw worden gehoord. Deze getuige is toen gehoord geworden in een ruimte op de begane grond van het gerechtsgebouw.[4]

Een der getuigen heeft ter terechtzitting na het afleggen van de getuigenverklaring, aan de Krijgsraad kenbaar gemaakt zich te hebben gestoord aan het feit dat in de media onjuiste weergave gedaan is geworden van hetgeen op een eerdere datum ter terechtzitting door deze getuige verklaard is geworden. De Krijgsraad heeft daarop gesteld geen macht te hebben over hetgeen in de media wordt gepubliceerd.

De Krijgsraad heeft de getuige aangegeven dat indien deze zich beledigd voelt door publicaties in de media, betrokkene andere juridische wegen zal moeten bewandelen.[5]

Nadat al de ter terechtzitting verschenen getuigen gehoord zijn geworden, is de behandeling van de zaak omstreeks 18.15 uur geschorst. De voortzetting van de behandeling van de zaken tegen een aantal van de verdachten is uitgesteld naar vrijdag 20 maart om 09.30 uur. De voortzetting van het onderzoek tegen twee verdachten is uitgesteld naar een nader te bepalen datum, in afwachting van het resultaat van de inspanningen van het Openbaar Ministerie om bepaalde getuigen alsnog op enige wijze ter terechtzitting te doen horen.

Mr. Marjory Sanches

Woordvoerder 8 decemberstrafproces


[1] Een getuige a charge is een getuige die het Openbaar Ministerie denkt te kunnen gebruiken voor het bewijzen van het ten laste gelegde feit. Tegenover een getuige a charge staat een getuige a decharge, die ontlastende verklaringen zou kunnen afleggen.

[2] Artikel 196, lid 2 juncto artikel 273, lid 2 van het Wetboek van Strafvordering, bepaalt dat indien een getuige met gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke storing zijner geestvermogens naar het oordeel van de rechter de betekenis van de eed niet voldoende beseft, hij niet wordt beëdigd doch wordt aangemaand om de gehele waarheid en niets dan de waarheid te zeggen. Uit deze bepaling vloeit voort dat ook personen met een ziekelijke storing van de geestvermogens, als getuige kunnen worden gehoord. De waardering van de verklaring van zo een getuige is overgelaten aan het oordeel van de rechter. Artikel 325 van het Wetboek van Strafvordering erkent namelijk de eigen waarneming van de rechter als wettig bewijsmiddel. 

[3] Artikel 284 lid 1 juncto artikel 196 van het Wetboek van Strafvordering bepaalt dat indien een getuige overleden is, zijn tijdens het Gerechtelijk Vooronderzoek onder ede bij de Rechter Commissaris afgelegde verklaring - mits ter terechtzitting voorgelezen - als aldaar afgelegd wordt aangemerkt. 

[4] Artikel 304, lid 1 van het Wetboek van Strafvordering stelt dat indien het Hof het horen van getuigen of verdachten elders dan in de gehoorzaal noodzakelijk acht, het te dien einde, met schorsing der zaak kan bevelen dat de terechtzitting tijdelijk zal worden verplaatst. 

[5] Artikel 1386 van het Burgerlijk Wetboek stelt dat elke onrechtmatige daad, waardoor aan een ander schade wordt toegebracht, degene door wiens schuld die schade is veroorzaakt in de verplichting stelt om deze te vergoeden. Iemand die zich geschaad voelt door onjuiste uitlatingen in of door de media, heeft derhalve ingevolge dit wetsartikel, de mogelijkheid om een civiele vordering in te stellen tegen degene door wie hij meent geschaad te zijn.

 

   Communiqué no. 12

Paramaribo, 16 februari 2009

Zitting Krijgsraad van 13 februari 2009 in het 8- December strafproces

Op vrijdag 13 februari 2009 is het 8 december strafproces voortgezet in de stand waarin het geding was geschorst op 4 juli 2008. Op die bewuste datum van 4 juli was namelijk het onderzoek tegen 4 verdachten aangevangen met het horen van getuigen. Aan het einde van die zittingsdag is het onderzoek tegen die verdachten uitgesteld naar 1 augustus 2008.

Vanwege het feit echter dat op 25 juli 2008 de wraking van de President van de Krijgsraad was voorgedragen door de raadsman van een der verdachten in het 8 decemberstrafproces, is op die datum van 25 juli het onderzoek tegen al de verdachten geschorst, om reden dat er een nauwe samenhang bestaat tussen de verschillende zaken. Op 15 december 2008 is de raadsman die de wraking van de President van de Krijgsraad had voorgedragen, daar niet ontvankelijk in verklaard door het Hof van Justitie, en is in januari van dit jaar een aanvang gemaakt met het verdere onderzoek tegen de verschillende verdachten.

Voor de zitting van 13 februari, waren 4 verdachten opgebracht op de rol. In de zaak van de eerste verdachte waren een drietal getuigen a charge[1] opgeroepen dan wel gedagvaard. Een van die getuigen is ter terechtzitting verschenen en gehoord door de Krijgsraad; twee getuigen waren niet aanwezig. Ter terechtzitting is gebleken is dat een van hen in het buitenland woonachtig is. Het Openbaar Ministerie in de persoon van de Auditeur Militair, heeft daarop aangegeven na te zullen gaan op welke wijze deze getuige op enig moment wel gehoord kan worden door de Krijgsraad. Ten aanzien van de andere afwezige getuige, is gebleken dat deze wel behoorlijk is opgeroepen dan wel gedagvaard, en desondanks niet ter terechtzitting is verschenen. Derhalve is tegen hem akte van niet-verschijning verleend, en is zijn medebrenging op de volgende zitting gelast door de Krijgsraad. Het onderzoek tegen de verdachte is uitgesteld naar 2 maart as.

In de zaak van de tweede verdachte, waren een drietal getuigen a charge opgebracht. Deze zijn allen ter terechtzitting verschenen en gehoord door de Krijgsraad. Ook het verdere onderzoek tegen deze verdachte is uitgesteld naar 2 maart a.s. 

In de zaak van de derde verdachte waren eveneens een drietal getuigen a charge opgebracht. Echter waren geen der getuigen aanwezig op de terechtzitting. Ter terechtzitting is gebleken dat zij geen van allen bekend zijn op het laatste woonadres dat bij de Justitie van hun bekend is. Het Openbaar Ministerie heeft daarop aangegeven na te zullen gaan op welke wijze deze getuigen op enig moment wel gehoord kunnen worden door de Krijgsraad. De raadsman van de verdachte - in de gelegenheid gesteld te reageren op het voorgaande - heeft aangegeven het eens te zijn met de vervolging dat de getuigen ter terechtzitting worden gebracht. Volgens de raadsman was namelijk eerder tijdens de bezwaarschrift procedure [2], gesteld geworden door de verdediging dat het Gerechtelijk Vooronderzoek niet op een behoorlijke wijze was verricht, daar getuigen en verdachten tijdens dat Gerechtelijk Vooronderzoek niet met elkaar waren geconfronteerd.

Aangezien het Openbaar Ministerie ter terechtzitting heeft aangegeven na te zullen gaan op welke wijze de drie getuigen op enig moment eventueel zouden kunnen worden gehoord door de Krijgsraad, is het onderzoek tegen de verdachte in kwestie uitgesteld naar een nader te bepalen datum.

In de zaak van de vierde verdachte waren een tweetal getuigen a decharge opgebracht. Ter terechtzitting is door de Krijgsraad aangegeven dat zij schriftelijk bericht had ontvangen van de raadsman van de verdachte, dat werd afgezien van het verhoor van deze twee getuigen

Het Openbaar Ministerie - in de gelegenheid gesteld hierop te reageren - heeft aangegeven geen bezwaar te hebben tegen het afzien van het horen van deze twee getuigen. Het verdere onderzoek tegen deze verdachte is uitgesteld naar 2 maart as., op welke datum er een aanvang zal worden gemaakt met zijn verhoor. Omstreeks 14.30 uur is de behandeling van de zaak geschorst geworden en de zitting gesloten.


[1] Een getuige a charge is een getuige die het Openbaar Ministerie denkt te kunnen gebruiken voor het bewijs van het ten laste gelegde feit. Tegenover een getuige a charge, staat een getuige a decharge, welke een getuige is die ontlastende verklaringen zou kunnen afleggen.

[2] Na afsluiting van het Gerechtelijk Vooronderzoek in december 2004, is aan de verdachten een kennisgeving van verdere vervolging verstrekt door het Openbaar Ministerie. Een aantal van die verdachten heeft indertijd tegen die kennisgeving van verdere vervolging, bezwaar aangetekend, ingevolge de mogelijkheid geboden door artikel 230, lid 1 van het Wetboek van Strafvordering, welke stelt dat de verdachte van een misdrijf binnen 14 dagen een bezwaarschrift tegen een kennisgeving van verdere vervolging kan indienen bij de rechter. De bezwaren, met uitzondering van 1, zijn toen afgewezen.  

 

   Eerstvolgende Krijgsraadzitting

De eerstvolgende zitting in het 8 decemberstrafproces door de Krijgsraad is bepaald op vrijdag 13 februari 2009 om 09.30 uur. Op deze zitting zal het onderzoek tegen de verdachten wiens zaak op de zitting van 4 juli 2008 voor verdere behandeling was uitgesteld naar 1 augustus 2008, worden voortgezet. De behandeling op 1 augustus had namelijk geen voortgang gevonden, vanwege de op 25 juli 2008 voorgedragen wraking van de President van de Krijgsraad.

mr. Marjory Sanches

woordvoerder 8 december-strafproces 

 

Paramaribo, 26 januari 2009  
 
   Communiqué no. 11 
 
Zitting Krijgsraad van 23 januari 2009 in het 8- December strafproces
 
Op vrijdag 23 januari 2009 is het 8 december strafproces voortgezet in de stand waarin het geding was geschorst op 25 juli 2008. Gelijk na opening van de zitting om 09.50 uur, is de President van de Krijgsraad ingegaan op twee procesincidenten welke op de zitting van 25 juli door de raadsman van een der verdachten zijn ingediend.

Vordering tot uitsluiting media

Het eerste procesincident betrof de vordering van de raadsman om de media, dan wel een bepaald medium, dan wel een bepaalde journalist niet meer toe te laten tot de behandeling van de zaak tegen zijn cliënt. Volgens de raadsman zou het belang van zijn cliënt door de aanwezigheid van de pers ernstig worden geschaad, en zou er sprake zijn van diepe animositeit tussen zijn cliënt en de media, dan wel tussen zijn cliënt en een bepaald medium, dan wel tussen zijn cliënt en een bepaalde journalist.

Ter adstructie van zijn stelling werd door de raadsman verwezen naar de kop van een artikel welke recent in een lokaal dagblad was verschenen, welke kop volgens de raadsman opzettelijk leugenachtig was, en de bedoeling had zijn cliënt te grieven en te benadelen. 

Ten aanzien van deze vordering, heeft de Krijgsraad op 23 januari geoordeeld dat het incident in de eerste plaats betrof grievende uitlatingen tegenover de cliënt van de raadsman, welke zich zouden hebben voorgedaan buiten de zitting. Door de Krijgraad is aangegeven dat de door de raadsman aangehaalde gronden niet verder zijn onderbouwd.

Door de Krijgsraad is verder gesteld dat in het strafproces openbaarheid van de zitting erg belangrijk is, en zij geen reden ziet om van dit beginsel af te wijken. Aangegeven is dat de Krijgsraad niet het forum is om te oordelen over de grieven zoals voorgedragen, doch dat daartoe andere juridische wegen bewandeld moeten worden. Verder geldt ook persvrijheid, uiteraard binnen de grenzen van de wet en met inachtneming van de privacy van de betrokkenen. De Krijgsraad heeft gesteld ervan uit te gaan dat de media zich zal houden aan de mediacodes en de privacy. 

Derhalve is het incident ongegrond verklaard.

Wraking President Krijgsraad

Het tweede procesincident welke door de raadsman in kwestie werd ingediend op de zitting van 25 juli jl., betrof de wraking van de President van de Krijgsraad. Volgens die raadsman was er namelijk sprake van feiten en omstandigheden omtrent de persoon van de President van de Krijgsraad die de rechterlijke onpartijdigheid schade zouden toebrengen. 

Ten aanzien van deze vordering, heeft de Krijgsraad op 23 januari gesteld dat de raadsman op de zitting van 25 juli 2008 de President van de Krijgsraad heeft gewraakt middels een niet ondertekende akte van wraking. De Krijgsraad heeft daarop het onderzoek geschorst en de wraking verwezen naar het Hof van Justitie. Het Hof van Justitie heeft deze wraking per beschikking van 15 december 2008 niet ontvankelijk verklaard.

Door het Hof van Justitie is daarbij ten overvloede aangegeven dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn en dat het tegendeel aannemelijk moet worden gemaakt. Dat voorts, waar hier slechts een vermoeden wordt geuit en niet concreet wordt aangegeven om welke informatie het gaat, deze wrakingsgrond verder kan worden gepasseerd.

In de beschikking van het Hof van Justitie is tevens gesteld dat er verder ook slechts vermoedens worden uitgesproken en waar een enkele keer sprake is van een concreet feit of concrete omstandigheid, niet gebleken is van een objectief gerechtvaardigde vrees voor partijdigheid van de President van de Krijgsraad. 

Op grond hiervan is het incident door de Krijgsraad ongegrond verklaard en de schorsing van het onderzoek opgeheven en is onmiddellijk overgegaan tot voortzetting van het onderzoek tegen de cliënt van de raadsman, gevolgd door het onderzoek tegen de andere ter terechtzitting opgeroepen verdachten. 

Onderzoek tegen de ter terechtzitting opgeroepen verdachten

Na de behandeling van de procesincidenten is een aanvang gemaakt met de getuigenverhoren. Vermeldenswaard is dat voor de zitting van 23 januari acht verdachten zijn opgeroepen van wie zeven ter terechtzitting zijn verschenen.

Voor de zitting waren tevens een achttal personen opgeroepen als getuige a charge, 2 van wie vier ter terechtzitting zijn verschenen. Van drie van de niet verschenen getuigen bleek dat deze behoorlijk waren opgeroepen. Tegen hen is derhalve akte van niet verschijning verleend door de Krijgsraad, en is hun medebrenging op de volgende zitting gelast. 

Ten aanzien van de vierde niet ter terechtzitting verschenen getuige, is uit de akte van uitreiking van de deurwaarder gebleken dat betrokkene niet op het bij de Justitie bekende woonadres aangetroffen is geworden, en aldaar vernomen is dat hij zich in het binnenland bevindt. Door de Auditeur Militair is naar aanleiding hiervan gesteld dat betrokkene niet is gedagvaard, en is diens hernieuwde dagvaardig gevorderd door het Openbaar Ministerie, hetwelk bevolen is door de Krijgsraad. 

De ter terechtzitting verschenen getuigen zijn allen gehoord door de Krijgsraad.

Zoals voorgeschreven door het Wetboek van Strafvordering, hebben tevens het Openbaar Ministerie, de verdediging en de verdachten de gelegenheid gehad vragen te stellen aan de getuigen ten aanzien van hetgeen zij hebben verklaard. Een aantal van de getuigen is aangezegd geworden wederom aanwezig te zijn op de volgende zitting.

Door de Krijgsraad is tevens de dagvaarding van een aantal personen als getuigen voor de volgende zitting bevolen. Ten aanzien van een van die personen is toen ter terechtzitting door een familielid aangegeven dat deze enige weken geleden was overleden. De Auditeur Militair heeft naar aanleiding hiervan gevraagd dat de overlijdensakte van betrokkene op het Openbaar Ministerie wordt overgelegd.

Nadat al de ter terechtzitting verschenen getuigen gehoord zijn geworden, is de behandeling van de zaak omstreeks 16.15 uur geschorst. De voortzetting van de behandeling van de zaken tegen de verdachten is uitgesteld naar vrijdag 20 februari om 09.30 uur.

dat de eerstvolgende zitting in het 8 decemberstrafproces door de Krijgsraad is bepaald op vrijdag 13 februari om 09.30 uur. Op deze zitting zal het onderzoek tegen de verdachten wiens zaak op de zitting van 4 juli 2008 voor verdere behandeling was uitgesteld naar 1 augustus 2008, worden voortgezet. De behandeling op 1 augustus had namelijk geen voortgang gevonden, vanwege de op 25 juli 2008 voorgedragen wraking van de President van de Krijgsraad.

mr. Marjory Sanches

woordvoerder 8 december-strafproces 


 

Paramaribo, 29 juli 2008

   Communiqué no. 10

Zitting Krijgsraad van 25 juli 2008 in het 8- December strafproces

Onderstaand volgt een verslag van hetgeen zich heeft voorgedaan tijdens de zitting van de Krijgsraad in het 8 decemberproces op 25 juli 2008. Uitdrukkelijk wordt hierbij gesteld dat in dit verslag getracht is een correcte en waarheidsgetrouwe weergave te geven van het ter terechtzitting verhandelde, doch dat hierbij niet noodzakelijkerwijs sprake is van letterlijke citering van de argumenten, standpunten en besluiten welke ter terechtzitting zijn gepresenteerd:

Voor de zitting van 25 juli zijn een achttal verdachten opgeroepen, alsook een aantal getuigen gedagvaard. De Krijgsraad heeft op die zitting een aanvang gemaakt met de getuigenverhoren. Tijdens het verhoor van de eerste getuige, is door één der raadslieden kenbaar gemaakt dat hij een tweetal procesincidenten wenste in te brengen. Na afronding van het reeds gaande zijnde getuigenverhoor, is de raadsman hiertoe door de Krijgsraad in de gelegenheid gesteld.

De raadsman verzocht de Krijgsraad de media niet toe te laten tot de behandeling van de zaak tegen één van zijn cliënten. Tevens gaf de raadsman aan dat hij voornemens was een wrakingverzoek in te dienen tegen de President van de Krijgsraad. Na deze mededeling is de zitting geschorst, opdat de Krijgsraad zich kon beraden over het toelaten van deze procesincidenten. Na de schorsing is de raadsman aangegeven dat hij de procesincidenten in kwestie op dat moment mocht voordragen:

Verzoek tot uitsluiting van de media, c.q. een bepaald medium c.q. een bepaalde journalist van bijwoning van de behandeling van de zaak tegen een bepaalde verdachte

De raadsman vordert primair dat de media niet wordt toegelaten tot de behandeling van de zaak tegen één van zijn bij naam genoemde cliënten. Indien dit verzoek niet mocht worden toegewezen door de Krijsraad, stelt de raadsman subsidiair te vorderen dat een bepaald medium wordt geweerd van bijwoning van de behandeling van de zaak tegen de cliënt in kwestie. Indien ook dat verzoek niet wordt gehonoreerd door de Krijgsraad, wordt door de raadsman gevorderd dat een bepaalde journalist niet wordt toegelaten tot de behandeling van de zaak. Volgens de raadsman zou het belang van zijn cliënt door de aanwezigheid van de pers ernstig worden geschaad, en zou er sprake zijn van diepe animositeit tussen zijn cliënt en de media, dan wel tussen zijn cliënt en een bepaald medium, dan wel tussen zijn cliënt en een bepaalde journalist.

Ter adstructie van zijn stelling citeerde de raadsman de kop van een artikel welke op 9 juli jl. in een lokaal dagblad was verschenen, m.n. : “Kinderen Bouterse in Fort tijdens executies”.

Door de raadsman is gesteld dat de kop van het artikel opzettelijk leugenachtig was, en dat zulks de bedoeling had zijn cliënt te grieven en te benadelen. De raadsman vroeg de Krijgsraad om dezelfde dag nog een beslissing te geven op zijn verzoek.

Na voordracht van dit procesincident, werd de Auditeur Militaire in de gelegenheid gesteld hierop te reageren. Door de Auditeur Militair is gesteld dat het openbaar zijn van een zitting juist een garantie was voor iedere verdachte op een eerlijk proces. Volgens de Auditeur Militair draagt ieder recht weliswaar een beperking in zich, en zou het recht van vrije meningsuiting niet dusdanig moeten worden uitgeoefend dat zulks het belang van de cliënt van de raadsman zou schaden. Volgens de Auditeur Militair echter is het ingevolge de Strafvordering duidelijk langs welke lijnen het onderzoek ter terechtzitting plaatsvindt, en hoe de rechter in deze tot een uitspraak komt. Alvorens te komen tot het al dan niet vaststellen van de bewezenverklaring zal conform de bepalingen van Strafvordering, nagegaan moeten worden of het feit is bewezen en/of de verdachte strafbaar is. Bekeken tegen deze dwingendrechtelijke bepalingen, stelde de Auditeur Militair niet in te zien hoe hetgeen een journalist of mediahuis neerpende, de beslissing van de rechter zou kunnen beïnvloeden. De Auditeur Militair stelde niet in te kunnen zien dat door het handelen van een journalist, het recht van de cliënt op een eerlijk proces geschonden werd.

In reactie hierop stelde de raadsman dat het in casu ging om de objectieve belangen van zijn cliënt, en dat de opzettelijke verdraaiing van een getuigenverklaring zeer ernstig was.

De Auditeur Militair - nogmaals in de gelegenheid gesteld zijnde om te reageren - persisteerde bij zijn standpunt, waarna de Krijgsraad de raadsman de gelegenheid bood het tweede incident meteen voor te dragen:

Wraking van de President van de Krijgsraad

Door de raadsman is een akte van wraking overgelegd, waarbij tevens expliciet door hem is aangegeven dat deze wraking slechts te maken had met één bepaalde cliënt, met name dhr. Bouterse. Volgens de raadsman is zijn cliënt gedagvaard om zich op 30 november 2007 te verantwoorden voor de Krijgsraad, welke Krijgsraad werd en nog steeds wordt voorgezeten door de huidige President van de Krijsgraad. Na de laatste zitting zijn de raadsman recent enkele feiten en omstandigheden bekend geworden omtrent de persoon van de President. Nu deze feiten en omstandigheden de rechterlijke onpartijdigheid schade zouden kunnen toebrengen, is besloten tot wraking over te gaan.[1] Volgens de raadsman is het beginsel van een eerlijk proces geschonden of bestaat het gevaar daartoe, aangezien de huidige President van de Krijgsraad niet onpartijdig zou zijn.

Volgens artikel 10 van de Grondwet heeft een verdachte er recht op dat zijn zaak wordt behandeld door een onafhankelijke en onpartijdige rechter.[2] Derhalve is de behandeling door een niet onpartijdige rechter een aantasting van een grondrecht van de cliënt. Volgens de raadsman zou een verzoek tot wraking op grond van verdragen en jurisprudentie, ook toegelaten zijn op andere gronden dan die genoemd in artikel 437 van het Wetboek van Strafvordering, en was er in casu sprake van feiten en omstandigheden die twijfels deden rijzen omtrent de onpartijdigheid van de rechter.

Volgens de raadsman was het namelijk een feit van algemene bekendheid dat dit proces tot stand is gekomen onder grote druk van maatschappelijke organisaties en dat er grote politieke druk is uitgeoefend om dit proces aan te vangen.

De raadsman voerde daarop aan dat de echtgenoot van de President van de Krijgsraad in één der lokaliteiten van een maatschappelijke organisatie, met name de NPS, lessen in de gevechtssport verzorgde, waarbij geen vergoeding werd betaald voor het gebruik van die ruimte, hetgeen ongebruikelijk is. Daartegenover stond dat er wel vergoeding werd ontvangen voor het verzorgen van de lessen. Deze ontvangen vergoeding kwam volgens de raadsman ten goede aan het gezin van betrokkene, dus ook aan de President van de Krijgsraad. Tevens was het volgens de raadsman zo dat het privé voertuig van het gezin van de President van de Krijgsraad achtergelaten werd op het terrein van de NPS, vanwege het feit dat er bij de woning van betrokkenen geen parkeerruimte hiervoor was.

Volgens de raadsman toonde het voorgaande aan dat er een bijzondere relatie bestond tussen de echtgenoot van de President van de Krijgsraad en de maatschappelijke organisatie in kwestie, en accepteerde eerstgenoemde gunsten van deze maatschappelijke organisatie. Volgens de raadsman was het niet uitgesloten dat de echtgenoot van de President betrokken was geweest bij besprekingen door de maatschappelijke organisatie aangaande deze zaak.

De raadsman betoogde op grond van het voorgaande, dat er een nauwe familierelatie bestond tussen de President van de Krijgsraad en een persoon die banden onderhoud met de voornoemde maatschappelijke organisatie, en wierp daarbij de vraag op als er binnen deze relatie dan nooit gesproken zou zijn over deze strafzaak. Tevens stelde de raadsman dat er tussen de President van de Krijgsraad en diens echtgenoot een dusdanig nauwe band bestond, dat er geen sprake van kon zijn dat er in casu geen beïnvloeding had plaatsgevonden.

Al het voorgaande bood volgens de raadsman grond voor het aannemen van vooringenomenheid van de President van de Krijgsraad, en was derhalve besloten om betrokkene te wraken. Door de raadsman zijn tegelijk met de akte van wraking, een aantal producties overgelegd, welke dienden ter adstructie van zijn argumenten. Ook heeft de raadsman bij zijn betoog, naast het uitvoerig citeren van jurisprudentie, verwezen naar artikelen uit onder andere het Internationale Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten, het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, alsook de Amerikaanse Conventie voor de Rechten van de Mens.

Na het betoog van de raadsman, werd de Auditeur Militair door de Krijgsraad de gelegenheid geboden een korte reactie te geven op de voorgedragen wraking. De Auditeur Militair stelde allereerst dat het Openbaar Ministerie geen uitspraak kon doen over de wraking, en zich zal moeten refereren aan het oordeel van de daartoe bevoegde instantie.

Vervolgens gaf de Auditeur Militair aan dat het vaste jurisprudentie is dat door indeling van een rechter in een zaak, die wordt geoordeeld onpartijdig te zijn, tenzij zwaarwichtige redenen het tegendeel bewijzen. Volgens de Auditeur Militair zou op grond van hetgeen gesteld in artikel 438, lid 5 van het Wetboek van Strafvordering, deze wraking niet gegrond worden verklaard.

De Auditeur Militair vervolgde zijn reactie door te stellen dat – hoewel het Openbaar Ministerie niet twijfelt aan de onpartijdigheid van de President van de Krijgsraad – zelfs als bij de President enige vooringenomenheid zou bestaan, de uitspraak in een meervoudige kamer zoals deze, bij meerderheid geschiedt. Volgens de Auditeur Militair geeft ook de Strafvordering aan langs welke wijze tot bewijs in een strafzaak moet worden gekomen, en biedt het voorgaande voldoende garantie voor onpartijdigheid.

Na de reactie van de Auditeur Militair is de zitting geschorst, zodat de Krijgsraad zich kon beraden over de door de raadsman gepleegde procesincidenten.

Na hervatting van de zitting wordt door de President van de Krijgsraad gesteld dat nu er door de raadsman namens diens cliënt een akte van wraking is ingediend betreffende de President van de Krijgsraad, deze wraking, conform artikel 439 van het Wetboek van Strafvordering[3] met de meeste spoed zal worden voorgelegd aan het Hof van Justitie. Derhalve zal het onderzoek tegen de verdachte namens wie de akte van wraking is ingediend, tot nader orde worden geschorst.

De Krijgsraad vervolgt door te stellen dat nu het onderzoek tegen betrokkene is geschorst, zij vooralsnog geen uitspraak zal doen betreffende het verzoek van de raadsman om de media, dan wel een bepaald medium dan wel een bepaalde journalist uit te sluiten van bijwoning van het onderzoek tegen de verdachte in kwestie.

De Krijgsraad is na deze uitspraak ertoe over gegaan al de ter terechtzitting verschenen verdachten en getuigen mede te delen dat nu door één van de verdachten de wraking van de President van de Krijgsraad was voorgedragen, het onderzoek tegen betrokken verdachte geschorst was. Vanwege het feit dat er een verband bestond tussen de zaken van de verschillende verdachten en zij elkanders medeverdachten waren, is derhalve door de Krijgsraad besloten om het onderzoek in hun zaken, eveneens te schorsen. Betrokken zullen nader vernemen wanneer de behandeling van hun zaak wordt voortgezet.

Naar aanleiding van deze beslissing van de Krijgsraad, is door één der raadslieden aangegeven dat deze het niet eens was met het besluit van de Krijgsraad om de zaken tegen de overige verdachten te schorsen. Hierop is door de President van de Krijgsraad gesteld dat desondanks, dit de beslissing was.

mr. Marjory Sanches

Woordvoerder 8 decemberstrafproces

[1] Artikel 437 van het Wetboek van Strafvordering stelt: “Ingeval er ten aanzien van een rechter feiten of omstandigheden bestaan, waardoor in het algemeen de rechterlijke onpartijdigheid ernstige schade zou kunnen lijden, kan diens wraking schriftelijk of, ter terechtzitting, mondeling worden voorgedragen door het openbaar ministerie en door de verdachte.”

[2] Artikel 10 van de Grondwet stelt: “Een ieder heeft bij aantasting van zijn rechten en vrijheden aanspraak op een eerlijke en openbare behandeling van zijn klacht binnen een redelijke termijn door een onafhankelijke en onpartijdige rechter.”

[3] Artikel 439, lid 1 van het Wetboek van Strafvordering, luidt als volgt: “Ingeval van rechtspraak door de kantonrechter of indien de rechter als enig rechter bemoeienis in de zaak verricht, worden de redenen van wraking aan hemzelf voorgedragen en wordt daarop door hem onverwijld beslist. De verdachte wordt gehoord, althans opgeroepen.” Artikel 439, lid 3 luidt als volgt: Buiten het geval bedoeld in het eerste lid, wordt over de voorgedragen wraking met de meeste spoed door het Hof van Justitie beslist. “ Artikel 439, lid 4, luidt als volgt: “Het Hof zal, alvorens in eerste aanleg of in hoger beroep te beslissen, de rechter kunnen uitnodigen om zich omtrent de voorgedragen redenen van wraking schriftelijk of mondeling te verklaren. In eerste aanleg is het Hof hiertoe verplicht. De rechter geeft aan de uitnodiging gevolg. Artikel 439, lid 5 luidt: “Bij de beslissing kan tevens worden bepaald dat bepaalde handelingen of beslissingen van de rechter wiens wraking is aangenomen, van onwaarde zullen zijn.”

 

   Hof van Justitie oordeelt over wraking van mr. Ombre,

voorgedragen door raadsman verdachte in het 8 december strafproces

Paramaribo, 7 november 2008

Op 29 augustus jl. is de op de zitting van 25 juli jl. voorgedragen wraking van de wnd. President van de Krijgsraad, mevr. mr. drs. C. C. L. A. Valstein-Montnor in behandeling genomen door het Hof van Justitie. Op 29 augustus heeft de raadsman van de verdachte namens wie de wraking was voorgedragen, ook de President van de kamer die was samengesteld om over wraking van de President van de Krijgsraad te oordelen, mr. E. S. Ombre, gewraakt.

Op dinsdag 4 november is de behandeling van de voordragen wraking van mr. Ombre, voortgezet. Door het Hof is toen gesteld dat aan de orde is de vraag of de raadsman bij afwezigheid van de verdachte al dan niet bevoegd is om namens deze bij de behandeling in Raadkamer van een reeds voorgedragen wraking, een opeenvolgende wraking van een lid van de wrakingskamer voor te dragen.

Het Hof komt ten aanzien daarvan tot het oordeel dat nu artikel 437 van het Wetboek van Strafvordering1 het expliciet heeft over het Openbaar Ministerie en de verdachte die een wraking kunnen voordragen, deze vraag ontkennend dient te worden beantwoord.

Het is volgens het Hof ingevolge bepaaldelijk genoemde jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, zo dat ook in verstekzaken de raadsman het woord ter verdediging dient te krijgen op de terechtzitting, echter omvat het voorgaande naar het oordeel van het Hof niet eveneens de bevoegdheid van de raadsman om bij afwezigheid van de verdachte namens deze wrakingsverzoeken voor te dragen in Raadkamer.

Naar het oordeel van het Hof is toekenning van deze bevoegdheid aan de raadsman niet alleen een uitholling van de positie van de verdachte in het strafproces, doch is zulks eveneens in strijd met de systematiek die de wetgever kennelijk voor ogen heeft gehad, aangezien het bepaalde in artikel 262 van het Wetboek van Strafvordering2 uitdrukkelijk en limitatief aangeeft in welke zaken de verdachte zich kan laten vertegenwoordigen.

Door het Hof is aangegeven dat niet is gesteld of is gebleken dat onderhavige zaak dient te worden gerubriceerd onder de zogenaamde “paraplu” van voormeld wetsartikel. Gelet op het hiervoor overwogene is het Hof eveneens voorbij gegaan aan het door de raadsman gedane beroep op de machtiging d.d. 29 augustus 2008, afkomstig van de verdachte.

Al het voorgaande heeft het Hof aanleiding gegeven om de raadsman niet ontvankelijk te verklaren in de door hem op de Raadkamerzitting van 29 augustus jl. namens de verdachte voorgedragen wraking van de fgnd. President van de wrakingskamer, mr. Ombre.

Het Hof heeft tevens bepaald dat zal worden overgegaan tot de behandeling van het wrakingsverzoek met betrekking tot mr. drs. Valstein-Montnor, Wnd. President van de Krijgsraad, door de wrakingskamer die belast is met de behandeling van voormelde wrakingszaak.

mr. Marjory Sanches

Woordvoerder 8 december strafproces

 

   Hof oordeelt over derde wraking,

voorgedragen door raadsman verdachte in het 8 december strafproces

Paramaribo, 31 oktober 2008 

Zoals bekend is op 29 augustus jl. de op de zitting van 25 juli jl. voorgedragen wraking van de President van de Krijgsraad, mevr. mr. drs. C. Valstein-Montnor in behandeling genomen door het Hof van Justitie. Op 29 augustus heeft de raadsman van de verdachte namens wie de wraking was voorgedragen, ook de President van de kamer die was samengesteld om over de de wraking van de President van de Krijgsraad te oordelen, mr. E. Ombre, gewraakt.

Op 27 oktober jl. is in raadkamer de behandeling van de op 29 augustus jl. voorgedragen wraking van mr. E. Ombre, aangevangen. Op de raadkamerzitting van 27 oktober heeft toen de raadsman van eerdergenoemde verdachte de wraking voorgedragen van een der leden van die wrakingskamer, mr. S. Chu. 

Ten aanzien van de voorgedragen wraking van mr. Chu is thans gesteld door het Hof, dat artikel 437 van het Wetboek van Strafvordering1 expliciet aangeeft dat het Openbaar Ministerie en de verdachte een wraking schriftelijk dan wel mondeling mogen voordragen.

Het is volgens het Hof ingevolge bepaaldelijk genoemde jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, zo dat ook in verstekzaken de raadsman het woord ter verdediging dient te krijgen op de terechtzitting, echter geeft dit naar het oordeel van het Hof niet de bevoegdheid aan de raadsman om bij afwezigheid van de verdachte namens deze wrakingsverzoeken voor te dragen in raadkamer.

Volgens het Hof is toekenning van deze bevoegdheid aan de raadsman niet alleen een uitholling van de positite van de verdachte in het strafproces, doch is zulks eveneens in strijd met de systematiek die de wetgever kennelijk voor ogen heeft gehad, aangezien het bepaalde in artikel 262 van het Wetboek van Strafvordering 2 uitdrukkelijk en limitatief aangeeft in welke zaken de verdachte zich kan laten vertegenwoordigen.  

Het vorengaande heeft het Hof aanleiding gegeven om de raadsman niet ontvankelijk te verklaren in de door hem ter raadkamerzitting voorgedragen wraking van het lid van de wrakingskamer, mr. S. Chu. 

Derhalve komt het Hof niet toe aan de inhoudelijke behandeling van het wrakingsverzoek. Het Hof heeft verder gesteld dat nu de raadsman opeenvolgende wrakingen van rechters die betrokken waren bij de behandeling van de strafzaak van het Openbaar Ministerie contra de verdachte heeft ingediend, terwijl de verdachte daar zelf niet aanwezig bij is geweest, zij niet aan de indruk ontkomt dat in casu sprake is van klaarblijkelijk misbruik van de door de wet geboden mogelijkheid van wraking.  

Het belang van de verdachte om desgewenst van voormelde mogelijkheid gebruik te maken afgewogen tegenover het algemeen belang om misbruik van die mogelijkheid te voorkomen en om een efficiente voortgang van de zaak te verzekeren, alsook het belang om zorg te dragen voor een faire bejegening van de betrokken rechters, is door de wetgever afgewogen en vastgelegd.

Het Hof ziet derhalve aanleiding om gebruikmakend van de aan haar krachtens artikel 438 van het Wetboek van Strafvordering3 gegeven bevoegdheid, te bepalen dat in deze zaak de volgende voordrachten tot wraking niet-ontvankelijk zullen zijn.  

Het Hof heeft verder bepaald dat zal worden overgegaan tot de behandeling van het wrakingsverzoek met betrekking tot mr. E. Ombre, fgnd. President van de wrakingskamer die belast is met de behandeling van de wrakingszaak van mr. drs. C. Valstein-Montnor, Wnd. President van de Krijgsraad.  

mr. Marjory Sanches, 

Woordvoerder 8 december strafproces

 

8 maart 2008

    Communiqué 7/2008

Paramaribo, 6 maart 2008

Krijgsraadzitting van 29 februari 2008 in het 8 December-strafproces

Op de eerste zitting van 30 november 2007, heeft de verdediging preliminaire verweren opgeworpen ten aanzien van de bevoegdheid van de Krijgsraad om kennis te nemen van deze zaak, de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie en de geldigheid van de dagvaarding.

Het verweer ten aanzien van de bevoegdheid van de Krijgsraad, is op de tweede zitting van 17 december 2007 verworpen door de Krijgsraad. Op de derde zitting van 28 januari 2008 heeft het Openbaar Ministerie in de persoon van de Auditeur Militair, mr. John Mohammedamin, in een conclusie van antwoord gereageerd op de verweren met betrekking tot de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie en de geldigheid van de dagvaarding.

Op de vierde zitting van 29 februari 2008 heeft de verdediging gereageerd (repliek gevoerd) op de conclusie van antwoord van het Openbaar Ministerie. Op dezelfde zitting heeft het Openbaar Ministerie op dat repliek geantwoord (dupliek). Tot slot heeft de verdediging de gelegenheid gehad zich voor de laatste maal uit te laten omtrent de door haar opgeworpen preliminaire verweren ten aanzien van de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie en de geldigheid van de dagvaarding. Alzo is voldaan aan het vereiste gesteld in artikel 269 van het Wetboek van Strafvordering.

Benadrukt wordt dat de onderstaande stellingen die naar voren zijn gebracht bij het repliek, dupliek en de laatste spreekbeurt van de verdediging, vanwege de omvangrijkheid van het gepresenteerde niet letterlijk en volledig geciteerd zijn in dit communiqué, doch is de essentie hiervan weergegeven. In bepaalde gevallen zijn in dit verslag uit hoofde van efficiëntie, meerdere afzonderlijk aangedragen argumenten samengevoegd en als een stelling gepresenteerd.

De Auditeur Militair en de verdediging hebben hun stellingen zeer uitgebreid onderbouwd met aanhaling van relevante wetgeving, jurisprudentie en dogmatiek; doch zijn deze verwijzingen niet allemaal opgenomen in dit verslag, eveneens vanwege de omvangrijkheid van het gepresenteerde.

A. TEN AANZIEN VAN DE ONTVANKELIJKHEID VAN HET OPENBAAR MINISTERIE

Één (1) raadsman heeft een preliminair verweer ten aanzien van de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie opgeworpen. Het repliek van betrokkene terzake, is onderstaand samengevat:

Repliek Verdediging :

  1. De wet stelt dat iedere daad van vervolging de verjaring stuit, mits deze de verdachte bekend of betekend is.1 In de 8 decemberzaak is de daad van vervolging, met name het vorderen van het Gerechtelijk Vooronderzoek, de betrokkenen niet op de door de wet voorgeschreven wijze betekend. Er waren namelijk gebreken in de akten van uitreiking van de vordering van het Gerechtelijk Vooronderzoek, weshalve de verjaring niet adequaat is gestuit. Onder andere ontbreken op de akten van uitreiking het uur van de uitreiking en het nummer van de akte. Recente Surinaamse jurisprudentie heeft dergelijke gebreken in akten van uitreikingen, afgestraft met nietigheid.
     

  2. Op een eerder door de verdediging aangedragen stelling dat de uitlokking van het gronddelict “moord” plaats had gevonden voor het gronddelict, en dat derhalve de uitlokking reeds verjaard was voordat de verjaring van het gronddelict zelf was gestuit, heeft het Openbaar Ministerie gesteld dat het moment van de uitlokking en dat van het gronddelict samenvielen, en dat indien dat niet zo was, de verdediging het tegendeel moest bewijzen. Daarop wordt thans gesteld dat het regel is dat de uitlokking onafhankelijk van het gronddelict plaatsvindt, en dat het samenvallen juist een uitzondering is. Derhalve is het aan het Openbaar Ministerie om de uitzondering bewijzen.
     

  3. Het Openbaar Ministerie heeft bijkans 18 jaar lang geen enkele opsporingshandeling verricht, hoewel zij daartoe bevoegd was op grond van artikel 145 van de Grondwet.2 Het Openbaar Ministerie is pas in actie gekomen na de beschikkingen van het Hof van Justitie naar aanleiding van bij het Hof op grond van artikel 4 van het Wetboek van Strafvordering door de nabestaanden ingediend beklag.3 Echter is dit artikel een controle op het sepotbeleid, en is het gericht op ingrijpen bij het nalaten van vervolging, niet het nalaten van opsporing. Het Hof heeft in haar beschikkingen dan ook slechts opdracht tot vervolging gegeven, en geen opdracht tot opsporing.
     

  4. Vanwege het feit dat het Openbaar Ministerie bijkans 18 jaar lang geen actie heeft ondernomen, heeft zij de verwachting gewekt dat het feit niet meer vervolgd zou worden.
     

  5. De verdediging had eerder verwezen naar verdragrechterlijke bepalingen, de toepassing van welke niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie tot gevolg zouden moeten hebben. In casu gaat het onder andere om artikel 14 van het Internationale Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten, welke richtlijnen geeft ten aanzien van “fair trial” (eerlijke procesgang). Daarop had het Openbaar Ministerie aangegeven dat die verdragrechtelijke bepalingen geen rechtstreekse doorwerking hadden in het nationaal recht. Echter heeft de OAS een Surinaams burger wel ontvankelijk verklaard ten aanzien van zijn beklag inzake schending van een verdragrechtelijke bepaling betreffende het fair trial principe.
     

  6. Er is willekeur gehanteerd bij het aanwijzen van personen als verdachten. Ten opzichte van een bepaalde persoon is een belastende getuigenverklaring afgelegd, desondanks is die persoon niet aangemerkt als verdachte, terwijl een ander persoon - eveneens op basis van een getuigenverklaring - wel als verdachte is aangemerkt.

    Dupliek Openbaar Ministerie :
     

      1. Ten aanzien van de stuiting van de verjaring, stelt de wet dat de daad van vervolging de verdachte bekend of betekend moet zijn. De verdachten waren bekend met de instelling van het Gerechtelijk Vooronderzoek, het is een feit van algemene bekendheid dat breed is uitgemeten in de pers. De verdachten hebben medewerking verleend aan het Gerechtelijk Vooronderzoek, zij zijn aldaar verschenen, en hebben alstoen verklaringen afgelegd bij de Rechter Commissaris. Zij zijn op generlei wijze in hun belang geschaad. Het verweer dat de betekening van het Gerechtelijk Vooronderzoek niet op de bij wettelijk voorschrift bepaalde wijze is geschied, is tardief (laat), aangezien dit verweer had moeten zijn opgeworpen tijdens het voorbereidend onderzoek zelf, zulks ingevolge artikel 236, lid 1 van het Wetboek van Strafvordering.4 Na aanvang van het onderzoek ter terechtzitting, kunnen eventuele vormfouten tijdens het voorbereidend onderzoek, namelijk niet meer leiden tot nietigheid, zulks op grond van artikel 236, lid 2 van het Wetboek van Strafvordering.5 Verder heeft het Hof van Justitie recent inderdaad een dagvaarding nietig verklaard, vanwege het feit dat het nummer op de akte van uitreiking daarvan ontbrak. Dit is echter geen fout die begaan is in de fase van het voorbereidend onderzoek, aangezien het in deze ging om de uitreiking van een dagvaarding, en op dat moment de fase van het voorbereidend onderzoek reeds gepasseerd is.
         

      1. Het is juridisch niet uitgesloten dat het tijdstip van uitlokking en dat van het gronddelict samenvallen. Het strafbare karakter van de uitlokking treedt in op het moment dat het gronddelict is gepleegd, dus wanneer het de uitlokker is gelukt de uitgelokte te bewegen tot het plegen van het uitgelokte strafbare feit. Als het gronddelict niet heeft plaatsgevonden, is er geen sprake van een strafbare uitlokking. Verjaring van de uitlokkking is dus niet afhankelijk van het tijdstp waarop is uitgelokt, maar van het moment waarop het door de uitlokking gepleegde delict is voltooid. De verjaringstermijn van uitlokking vangt derhalve aan op het moment van de voltooiing van het strafbare feit zelf.
         

      2. Gesteld is door de verdediging dat vanwege het tijdsverloop van 18 jaar, verwachtingen zijn gewekt dat het Openbaar Ministerie op basis van het opportuniteitsbeginsel, niet zou overgaan tot vervolging 6. Het Openbaar Ministerie moet bij het opportuiteitsbeginsel echter steeds het algemeen belang in acht nemen. Artikel 9 van de Grondwet stelt dat een ieder recht heeft op fysieke, psychische en morele integriteit, en dat niemand mag worden onderworpen aan folteringen, vernederende of onmenselijke behandeling of straf. Het opportuniteitsbeginsel brengt met zich mee dat bij zeer ernstige inbreuken op artikel 9 van de Grondwet, tot opsporing en vervolging moet worden overgegaan. De wet stelt tevens expliciet dat het recht tot strafvordering pas vervalt door intrede van verjaring 7, derhalve mag betrokkene pas vanaf dat moment erop vertrouwen dat het Openbaar Ministerie haar vervolgingsrecht heeft verspeeld. Ook in geval er een kennisgeving van niet verdere vervolging is verstrekt, mag de verdachte daar de verwachting aan ontlenen dat hij niet verder vervolgd zal worden. Als gesteld wordt dat het Openbaar Ministerie bijkans 18 jaar niets heeft gedaan aan opsporing en vervolging, kan daarop gezegd worden dat het Openbaar Ministerie haar dominus litus positie (exclusief vervolgingsrecht) slechts maximaal kan vervullen binnen een goed functionerend staatsbestel met een duidelijke scheiding der machten en de aan die machten grondwettelijk dan wel wettelijk toebeldeelde taken en bevoegdheden.
         

      3. De verantwoordelijkheid voor het instellen van een waarheidscommissie is niet opgedragen aan het Openbaar Ministerie en/of de Krijgsraad, maar aan andere instituten. De waarheidsvinding door het Openbaar Ministerie en de rechter is gebaseerd op regels van het strafprocesrecht.
         

      4. De stelling dat verdragen rechtstreekse werking hebben op de nationale rechtsorde, en dat vanwege een zekere verdragrechtelijke bepaling het Openbaar Ministerie niet ontvankelijk zou moeten worden verklaard, is niet juist. Dit vraagstuk is reeds in een andere zaak aan de orde geweest, waarbij het Hof van Justitie heeft gesteld dat de doorwerking van internationaal recht in de nationale rechtsorde, afhankelijk is van hetgeen het nationaal recht daaromtrent zegt. Ingevolge de nationale wetgeving, leent de verdragsbepaling op welke de raadsman zich wenst te beroepen, met name artikel 14 van het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten, zich niet voor rechtstreekse toepassing, aangezien het geen bepaling is welke naar de inhoud een ieder kan binden.8 De verdediging beroept zich erop dat niet de beslissing van het Surinaamse Hof van Justitie doorslaggevend is, maar de beslsissing van de Inter-Amerikaanse Commissie voor de Rechten van de Mens (IACRM), om een Surinaams burger ontvankelijk te verklaren ten aanzien van een klacht welke zou zijn gebaseerd op schending van het principe van “fair trial”. De beslissing van het IACRM om betrokken klager ontvankelijk te verklaren, betreft echter niet de beantwoording van de opgeworpen rechtsvraag, en gaat niet naar de inhoud van de klacht. Burgers hebben binnen het Inter-Amerikaans systeem het recht om de staat aan te klagen wegens vermeende schenidng van mensenrechten. Een burger ontvankelijk verklaren ten aanzien van zijn klacht, houdt slechts in dat de klacht in behandeling wordt genomen, het zegt niets over de beoordeling van het inhoudelijke van de klacht. En zelfs al zou in het voordeel van de klager zijn beslist, dan heeft een conclusie van het IACRM nog niet het karakter van een vonnis dat het eenmaal gewezen vonnis van het Hof van Justitie teniet kan doen.
         

      5. Eerder is duidelijk uiteengezet hoe het Openbaar Ministerie de verdachten heeft geïdentificeerd. Artikel 19, lid 1 van het Wetboek van Strafvordering stelt dat als verdachte wordt aangemerkt degene te wiens aanzien uit feiten of omstandigheden een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit voortvloeit. Het feit dat een bepaalde persoon enkel omdat hij enige dagen na het gepleegde strafbare feit gesignaleerd was met een dader, en hij de inhoud van het tussen hen besprokene niet heeft doorverteld, kan betrokkene niet de kwalificatie van verdachte opleveren. Anderzijds blijkt uit tientallen verklaringen in het dossier dat betrokken persoon wederrechtelijk van zijn vrijheid was beroofd, en onder erbarmelijke omstandigheden gevangen werd gehouden. Vanwege de veelheid van deze verklaringen is het meer dan terecht dat deze persoon niet is aangemerkt als verdachte.

      Het Openbaar Ministerie persisteert derhalve bij al datgene reeds eerder gesteld, en concludeert tot verwerping van het opgeworpen verweer.


      Laatste spreekbeurt verdediging
       

      1. Aangezien bekendheid met een daad van vervolging moeilijk te bewijzen valt, wordt vereist dat het moet worden betekend aan de verdachte. De betekening is niet op de door de wet voorgeschreven wijze geschied, met als gevolg dat de verjaring niet is gestuit, en er thans in feite geen zaak is. Het verweer is geenszins tardief, omdat dit volgens de wet zelfs in een latere fase van het onderzoek ter terechtzitting mag worden voorgedragen.
         

      2. Ten aanzien van de verjaring van de uitlokking wordt gesteld dat er een afstand is tussen het gronddelicht en uitlokking, zij zijn onafhankelijk van elkaar. Het feitenmateriaal zal aantonen waneer de uitlokking heeft plaatsgevonden.
         

      3. Het Openbaar Ministerie heeft vóór het uitkomen van de beschikkingen van het Hof, niet alleen geen enkele daad van vervolging gepleegd, maar ook helemaal geen opsporingshandelingen verricht. Het wetsartikel op grond van welke het Hof de vervolging heeft bevolen is niet bedoeld als een controle op de opsporing, maar als controle op de vervolging, met name bij gevallen waarin er wel opsporingsdaden zijn verricht, maar er desondanks niet is overgegaan tot vervolging.
         

      4. Ten aanzien van de rechtstreekse doorwerking van verdragrechtelijke bepalingen, wordt gesteld dat het betoog zich richt op het principe van fair trial welke is geschonden. Trouwens is indertijd de klacht van een Surinaamse burger aangaande schending van ditzelfde beginsel, niet alleen ontvankelijk verklaard door de OAS; de zaak is inhoudelijk uitgeprocedeerd.
         

      5. Ten aanzien van de willekeur bij het identificeren van de verdachten, wordt gesteld dat er een getuigen verklaring is afgelegd dat een persoon in een bepaalde situatie in gezelschap van de hoofdverdachte is gezien. De persoon in kwestie heeft op zijn beurt een verklaring afgelegd dat een andere persoon op een bepaalde plek is gezien. Desondanks is de eerste persoon niet als verdachte aangemerkt, maar de tweede persoon wel.
         

      6. In de allereerste spreekbeurt was de rol van de Nationale Assemblee aangehaald, daarmee werd niet verwezen naar de instelling van een waarheidscommissie; bedoeld was dat de Nationale Assemblee zou moeten nagaan welke rol de regering in de vervolging heeft gehad, o.a. bij het aanstellen van een buitenlandse adviseur.
         

      7. Het Openbaar Ministerie beroept zich bij haar optreden op artikel 9 van de Grondwet, desondanks heeft zij 18 jaar lang niets gedaan. Ook al heeft het Openbaar Ministerie bevoegdheden, haar optreden behoort te geschieden volgens de algemene beginselen van behoorlijk bestuur; door het 18 jaar lang stil te zitten, zijn door haar verwachtingen opgewekt.
         

      B. TEN AANZIEN VAN DE GELDIGHEID VAN DE DAGVAARDING

      Drie (3) raadslieden hebben preliminaire verweren opgeworpen ten aanzien van de geldigheid van de dagvaardingen. De essentie van het repliek van die 3 raadslieden is onderstaand als geheel verwerkt:
       

      Repliek verdediging:
       

      1. Eerder was door de verdediging gesteld dat de omschrijving van het feit in de kennisgeving van verdere vervolging en de omschrijving van het feit in de dagvaarding op straffe van nietigheid woordelijk met elkaar moesten overeenstemmen. Hoewel - zoals het Openbaar Ministerie eerder in haar conclusie van antwoord heeft gesteld - in het wetsartikel niet staat aangegeven dat de omschrijvingen woordelijk moeten overeenstemmen, blijkt uit recente literatuur dat deze omschrijvingen wel woordelijk met elkaar dienen overeen te stemmen.
         

      2. De ten laste gelegde feiten moeten in niet-juridische temen worden omschreven. Bij het ten laste leggen van moord moet duidelijk worden aangegeven hoe het e.e.a.heeft plaatsgevonden, echter is het historisch gebeuren niet in niet-juridische termen beschreven. Door het Openbaar Ministerie was gesteld dat slechts het aangeven van het gevolg van de daad van belang was, doch zeker bij moord is het van belang dat het verband tussen de handeling en het gevolg wordt aangegeven (causaliteit). Vastgesteld moet worden dat de dood door de handeling van de verdachte is veroorzaakt. Het causaal verband blijkt niet uit de tenlastelegging.
         

      3. De omstandigheden waaronder het feit is gepleegd moeten worden opgenomen in de tenlastelegging. De tijd en plaats van de uitlokking zijn niet opgenomen in de tenlastelegging; bijzonderheden van de wapens waarmee de feiten zouden zijn gepleegd zijn niet opgenomen in de tenlastelegging; de door de slachtoffers bekomen letsels zijn niet opgenomen in de tenlastelegging. Verder is ook het obductieverslag niet gevoegd bij de dagvaarding. De tenlastelegging is niet voldoende feitelijk, niet begrijpelik voor de verdachte, derhalve is er sprake van een obscuur libel.


      Dupliek Openbaar Ministerie:
       

      1. De wet stelt niet dat de omschrijving van het feit in de kennisgeving van verdere vervolging en dat in de dagvaarding, woordelijk met elkaar dienen overeen te stemmen. Mocht de Krijgsraad een andere mening zijn toegedaan, dan zal het Openbaar Ministerie op grond van de mogelijkheid gegeven bij artikel 270 van het Wetboek van Strafvordering, het verzoek doen de nodige wijzigingen in de dagvaarding aan te brengen.9
         

      2. Door de verdediging is gesteld dat de tenlastelegging niet voldoende feitelijk is. De tenlastelegging is wel voldoende feitelijk. In de tenlastelegging zijn duidelijk de verweten gedragingen aangegeven die de dood ten gevolge hebben gehad, weshalve is de causaliteit aangetoond.
         

      3. Gesteld is geworden dat de omstandigheden van het feit niet zijn aangegeven en het obductieverslag niet is geinsereerd. De omstandigheden van het feit behoeven niet op strafe van nietigheid te worden vermeld in de dagvaarding. Van belang is dat de dagvaarding als geheel voldoende duidelijk is en dat er bij de verdachte geen twijfel bestaat ten aanzien van het strafbare feit waarvan hij wordt verdacht. Het is niet vereist dat het obductieverslag wordt bijgevoegd. Het obductieverslag is een bewijsmiddel welke voorkomt in het procesdossier. De dagvaarding is begrijpelijk, niet tegenstrijdig en er is geen sprake van een obscuur libel.

      Het Openbaar Ministerie persisteert derhalve bij al datgene reeds eerder gesteld, en concludeert tot verwerping van het opgeworpen verweer.

      Laatste spreekbeurt verdediging
       

      Het Openbaar Ministerie vraagt om op grond van artikel 270 van het Wetboek van Strafvordering eventueel in staat te worden gesteld de dagvaarding te wijzigen, doch in geval de dagvaarding nietig is, kan deze niet worden gewijzigd.

      Vermeldenswaard is dat één (1) raadsman gebruik heeft gemaakt van de gelegenheid om zijn laatste spreekbeurt ten aanzien van het verweer betreffende de geldigheid van de dagvaarding, meteen na het dupliek van het Openbaar Ministerie te voeren. Dit is dezelfde raadsman die het verweer ten aanzien van de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie heeft opgeworpen.

      De twee andere raadslieden hebben aangegeven niet onmiddellijk na het dupliek van het Openbaar Ministerie het woord te willen voeren ten aanzien van de geldigheid van de dagvaarding. Bij het dupliek zijn er namelijk enkele producties aangehaald door het Openbaar Ministerie, en hebben de raadslieden wat tijd nodig om deze te bestuderen alvorens voor het laatst te spreken ten aanzien van het opgeworpen verweer. De Krijgsraad heeft naar aanleiding hiervan besloten dat betrokken raadslieden hun laatste reactie tot 5 maart as. schriftelijk zullen indienen bij de Krijgsraad. Indien er hierbij producties worden overlegd, heeft het Openbaar Ministerie tot 7 maart as. de gelegenheid zich ten aanzien van die producties, schriftelijk uit te laten. Op de volgende zitting van 4 april 2008, zal de Krijgsraad vonnis vellen over de door de verdediging opgeworpen verweren ten aanzien van de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie en de geldigheid van de dagvaarding.

      mr. Marjory Sanches

      Woordvoerder 8 decemberstrafproces

       

      1 Artikel 98, lid 1 van het Wetboek van Strafrecht stelt : “Elke daad van vervolging stuit de verjaring, mits die daad de vervolgde bekend of hem op de bij wettelijk voorschrift voor gerechtelijke akten bepaalde wijze betekend zij.”

      2 Artikel 145 van de Grondwet stelt dat het Openbaar Ministerie met uitsluiting van elk ander orgaan verantwoordelijk is voor de opsporing en belast met de vervolging van alle strafbare feiten.

      3 Artikel 4 van het Wetboek van Strafvordering luidt als volgt: “Wordt een strafbaar feit niet vervolgd of de vervolging niet voortgezet, dan kan de belanghebbende daarover beklag doen bij het Hof van Justitie. Het Hof kan de Procureur-Generaal opdragen te dien aanzien verslag te doen en kan voorts bevelen, dat de vervolging zal worden ingesteld of voortgezet. Het Hof kan het geven van zodanig bevel ook weigeren op gronden aan het algemeen belang ontleend.”

      4 Artikel 236, lid 1 van het Wetboek van Strafvordering luid als volgt: “Indien aan de kantonrechter blijkt dat bij het voorbereidend onderzoek vormen zijn verzuimd of verzuim of nietigheid van een wettelijk voorgeschreven betekening heeft plaatsgehad, is artikel 185 van overeenkomstige toepassing”. Artikel 185, lid 1 van het Wetboek van Strafvordering luidt als volgt: “Indien de rechter commissaris blijkt dat bij het instellen van het gerechtelijk vooronderzoek vormen zijn verzuimd, op straffe van nietigheid voorgeschreven, beveelt hij, hetzij ambtshalve, hetzij op vordering van de vervolgingsambtenaar of op verzoek van de verdachte of diens raadsman, zo mogelijk het herstel van het verzuim, onder aanwijzing van de verrichtingen welke daartoe opnieuw zullen geschieden. Artikel 185, lid 3 luidt: “Bij verzuim of nietigheid van een wettelijk voorgeschreven betekening beveelt hij op gelijke wijze, zo mogelijk, dat de betekening alsnog zal geschieden.”

      5 Artikel 236, lid 2 van het Wetboek van Strafvordering stelt dat wanneer het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg is aangevangen, verzuim van vormen bij het voorbereidend onderzoek, niet meer tot nietigheid kunnen leiden.

      6 Artikel 156, lid 2 van het Wetboek van Strafvordering stelt dat van vervolging kan worden afgezien ook op gronden aan het algemeen belang ontleend.

      7 Artikel 96 van het Wetboek van Strafrecht geeft aan dat het recht tot strafvordering vervalt door verjaring.

      8 Artikel 105 juncto artikel 103, juncto artikel 106 van de Grondwet stellen dat bepalingen van overeenkomsten met andere mogendheden of met volkenrechtelijke organisaties welke naar de inhoud een ieder kunnen binden, verbindende kracht hebben nadat zij zijn bekendgemaakt, en dat binnen de Republiek Suriname geldende wettelijke voorschriften geen toepassing vinden wanneer deze toepassing niet verenigbaar zou zijn met een ieder verbindende bepalingen van overeenkomsten.

      9 Artikel 270, juncto artikel 299 en artikel 300 van het Wetboek van Strafvordering, bieden het Openbaar Ministerie de gelegenheid de dagvaarding te wijzigen vóór het moment van het requisitoir. Bij het requisitoir voert de vervolgingsambtenaar het woord, en wel nadat de getuigen en eventueel de verdachte zijn gehoord.



      31 januari 2008

          Communiqué 6/2008

      Krijgsraadzitting van 28 januari 2008 in het 8 December-strafproces

      Op de zitting van 28 januari 2008 heeft het Openbaar Ministerie, in de persoon van de Auditeur Militair mr. John Mohammedamin, gereageerd op de verweren ten aanzien van de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie en de geldigheid van de dagvaarding welke door de verdediging zijn opgeworpen op de zitting van 17 december 2007. Een eerder door de verdediging opgeworpen verweer ten aanzien van de bevoegdheid van de Krijgsraad om kennis te nemen van deze zaak, is op de zitting van 17 december verworpen.

      Benadrukt wordt dat de onderstaande bij de verweren opgeworpen stellingen en de daarop gegeven reacties, vanwege de omvangrijkheid van het gepresenteerde niet letterlijk en volledig geciteerd zijn in dit communiqué, doch is de essentie hiervan weergegeven.

      In bepaalde gevallen zijn in dit verslag uit hoofde van efficiëntie, meerdere afzonderlijk aangedragen argumenten samengevoegd en als een stelling gepresenteerd. De Auditeur Militair heeft zijn antwoorden zeer uitgebreid onderbouwd met aanhaling van relevante wetgeving, jurisprudentie en dogmatiek; doch zijn deze verwijzingen niet allemaal opgenomen in dit verslag, eveneens vanwege de omvangrijkheid van het gepresenteerde.

      Ten aanzien van de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie :

      Stelling: De aanzet en beslissing om tot vervolging over te gaan, is ingegeven door de politiek verantwoordelijke minister, politieke leiders dan wel hun adviseurs, en niet het Openbaar Ministerie.

      Auditeur Militair: In maart 2000 hebben een aantal nabestaanden alsook een aantal maatschappelijke organisaties, verzoekschriften ingediend bij het Hof van Justitie ten aanzien van het niet vervolgen van op of omstreeks 8 december 1982 begane strafbare feiten, zulks op grond van artikel 4 van het Wetboek van Strafvordering[1].

      Op 31 oktober 2000 heeft het Hof een tweetal beschikkingen doen uitgaan, in welke zij heeft bevolen dat de Procureur Generaal tegen één bij name genoemde persoon en verder tegen diegenen die daarvoor in aanmerking komen, een strafvervolging zal instellen, en tevens een Gerechtelijk Vooronderzoek zal vorderen.

      Het Openbaar Ministerie heeft op 17 november 2000 een daad van vervolging gesteld door het Gerechtelijk Vooronderzoek te vorderen, zoals bevolen in de beschikkingen van het Hof van Justitie. Uit het vorengaande blijkt dat de aanzet om tot vervolging over te gaan is gegeven door de nabestaanden; de opdracht tot vervolging is gegeven door het Hof van Justitie, waarna de vervolging is ingesteld door het Openbaar Ministerie.

      Stelling: Het algemeen belang verzet zich tegen de vervolging

      Auditeur Militair: In de beschikkingen van het Hof van Justitie van 31 oktober 2000, is juist aangegeven dat het Hof van oordeel is dat in het algemeen belang, de mogelijke verjaring van het recht tot strafvervolging dient te worden gestuit. De opdracht om over te gaan tot vervolging, is dus mede gestoeld op het algemeen belang.

      Stelling: Het overgrote deel van de gemeenschap was voorstander van de instelling van een waarheidscommissie in plaats van vervolging.

      Auditeur Militair: In theorie is het inderdaad zo dat de wetgevende macht de opdracht had kunnen geven dat het gebeurde rond 8 december 1982 door een speciaal daarvoor aangewezen commissie zou kunnen worden behandeld, met de bepaling dat na deze behandeling, strafrechterlijke vervolging zou zijn uitgesloten. De feitelijke situatie is echter dat de vervolging is bevolen en ingezet, en dat de behandeling van deze zaak ter terechtzitting is aangevangen.

      Het gevolg hiervan is dat deze strafzaak zal moeten eindigen met een rechterlijk uitspraak. Tevens is het zo dat vanaf 1983, opeenvolgende regeringen niet hebben gekozen voor de instelling van een waarheidscommissie, waaruit volgt dat de zienswijze van de raadsman hierover niet de heersende opvatting is.

      Stelling: Het Openbaar Ministerie heeft ruim 17 jaar lang geen onderzoeksdaden verricht. Vanwege het tijdsverloop mochten de verdachten er op vertrouwen dat het Openbaar Ministerie hierdoor haar vervolgingsrecht zou hebben verspeeld. Tevens heeft één der verdachten tot twee maal toe het Openbaar Ministerie schriftelijk gevraagd een strafrechtelijk onderzoek en vervolging in te stellen, doch is daar niet op gereageerd.

      Auditeur Militair: Artikel 96 van het Wetboek van Strafrecht geeft expliciet en onomstotelijk aan dat het recht tot strafvordering pas vervalt door de intreding van verjaring[2]. Pas wanneer de verjaring is ingetreden, mogen verdachten erop vertrouwen dat het Openbaar Ministerie haar vervolgingsrecht heeft verspeeld.

      Op 17 november 2000 heeft het Openbaar Ministerie een Gerechtelijk Vooronderzoek gevorderd bij de Rechter Commissaris, en deze vordering op de door de wet voorgeschreven wijze aan de verdachten betekend. Door deze daad van vervolging is de verjaring gestuit geworden[3]. De bewering dat één der verdachten tot tweemaal toe heeft aangedrongen op onderzoek en vervolging, staat tevens haaks tegenover de eerdere stelling dat het algemeen belang zich verzet tegen de vervolging.

      Stelling : Op grond van het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten, is de redelijke termijn binnen welke een berechting moet geschieden, overschreden.

      Auditeur Militair: Inderdaad maakt de verdachte aanspraak op berechting binnen een redelijke termijn. De termijn begint te lopen op het moment dat vanwege de Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht, waaruit hij in redelijkheid kan aannemen dat er een vervolging tegen hem zal worden ingesteld.

      De eerste daad van vervolging in november 2000, met name het vorderen van een Gerechtelijk Vooronderzoek, is onverwijld op de door de wet voorgeschreven wijze betekend aan de verdachten. Binnen 30 dagen na sluiting van het Gerechtelijk Vooronderzoek in december 2004, is aan de verdachten een kennisgeving van verdere vervolging verstrekt, tegen welke kennisgeving een aantal verdachten bezwaar hebben aangetekend bij de Krijgsraad.

      Tegen het oordeel van de Krijgsraad in deze, is er beroep aangetekend bij het Hof van Justitie, die hier op 11 juni 2007 uitspraak over heeft gedaan. De aanvang van de strafzaak is daarna door de Krijgsraad gesteld op 30 november 2007.

      Het Openbaar Ministerie heeft prompt na het vaststellen van deze datum, de verdachten gedagvaard voor het onderzoek ter terechtzitting. Uit het vorengaande blijkt dat het Openbaar Ministerie geenszins heeft getalmd dan wel heeft gezorgd voor onredelijke vertraging, en moet dus een beroep op het overschrijden van de redelijke termijn verworpen worden.

      Stelling:Drie van de verdachten zijn voor het Hof van Justitie gedagvaard, alzo is het gelijkheidsbeginsel geschonden.

      Auditeur Militair: Uit niets is gebleken dat 3 niet bij name genoemde verdachten voor het Hof van Justitie zijn gedagvaard.

      Stelling:De verjaring van de uitlokking van het strafbare feit “moord”, hetwelk eveneens ten laste is gelegd, is niet gestuit geworden. Uitlokkinghandelingen vinden plaats vóór het gronddelict (moord), en deze verjaren dan ook voor het gronddelict. Toen de verjaring van het delict “moord” werd gestuit, was de uitlokking van het feit reeds verjaard.

      Auditeur Militair: De tijd en plaats van de uitlokking en de tijd en plaats van het gronddelict kunnen wel degelijk samen vallen, en derhalve kunnen de verjaring van de uitlokking en de verjaring van het gronddelict eveneens samen vallen.

      In casu blijkt uit het verrichte onderzoek dat de uitlokkinghandelingen in deze zaak kort voor het plegen van het gronddelict hebben plaatsgevonden, en wel op of omstreeks dezelfde dag. Zowel de uitlokking als het gronddelict zijn derhalve effectief gestuit door het vorderen van een Gerechtelijk Vooronderzoek.

      Stelling: De aanwijzing van verdachten in november 2000 door het Openbaar Ministerie, is geschied op basis van willekeur, en niet op grond van bekende feiten en omstandigheden, zoals voorgeschreven door artikel 19 van het Wetboek van Strafvordering. Bepaalde personen zijn nimmer door de politie gehoord alvorens zij als verdachte zijn aangemerkt.

      Auditeur Militair: Het Openbaar Ministerie is door het Hof van Justitie per beschikkingen d.d. 31 oktober 2000 bevolen een strafvervolging in te stellen, en een Gerechtelijk Vooronderzoek te vorderen. Op basis van dit bevel is in opdracht van het Openbaar Ministerie door de politie een strafrechterlijk onderzoek ingesteld.

      Tijdens dit onderzoek zijn een aantal personen opgeroepen om bij de politie een verklaring af te leggen, doch hebben niet al deze personen gevolg gegeven aan de oproep, en zijn zij dus niet gehoord. Op grond van het door de politie verrichte onderzoek, zijn een aantal personen aangemerkt als verdachten en is tegen hen een Gerechtelijk Vooronderzoek gevorderd, zoals bevolen door het Hof van Justitie. Tijdens het Gerechtelijk Vooronderzoek zijn alle als verdachte aangemerkte personen in die hoedanigheid gehoord door de Rechter Commissaris.

      Stelling: Op het moment dat het Gerechtelijk Vooronderzoek werd gevorderd door het Openbaar Ministerie, was er geen strafbaar feit bekend op welke deze vordering zou moeten worden gebaseerd.

      Auditeur Militair:In de beschikkingen van het Hof van Justitie van 31 oktober 2000 is expliciet aangegeven dat het Openbaar Ministerie een strafvervolging moest instellen en een Gerechtelijk Vooronderzoek moest vorderen terzake het tezamen en in vereniging opzettelijk en met voorbedachte rade van het leven beroven van de in het verzoekschrift genoemde personen. Ziehier de vaststelling van het strafbaar feit.

      Stelling: De in de maatschappij gebezigde benaming “8 december moorden” brengt een zodanige beïnvloeding met zich mee dat er van een eerlijk en onpartijdig proces, mogelijk geen sprake zou zijn.

      Auditeur Militair: Artikel 433 van het Wetboek van Strafvordering stelt dat een rechter zich kan verschonen van elke bemoeiing in een zaak ingeval er ten aanzien van die rechter feiten en omstandigheden bestaan waardoor in het algemeen de rechterlijke onpartijdigheid ernstig schade zou kunnen lijden.

      Tevens stelt artikel 437 van het Wetboek van Strafvordering dat in geval er ten aanzien van een rechter feiten of omstandigheden bestaan waardoor in het algemeen de rechterlijke onpartijdigheid ernstig schade zou kunnen leiden, het Openbaar Ministerie of de verdachte de wraking van deze rechter kunnen voordragen.

      Aangezien geen der partijen gebruik hebben gemaakt van de wettelijke mogelijkheid om consequenties te verbinden aan een vermeende partijdigheid van de rechter, twijfelen partijen in onderhavige zaak dus niet aan de onpartijdigheid van de rechter.

      Ten aanzien van de geldigheid van de dagvaarding:

      Stelling: De in de dagvaarding gegeven omschrijving van het ten laste gelegde feit moet op straffe van nietigheid, woordelijk overeenstemmen met het in de kennisgeving van verdere vervolging omschreven strafbare feit.

      Auditeur Militair: Artikel 238, lid 2 van het Wetboek van Strafvordering stelt dat het in de dagvaarding en het in de kennisgeving van verdere vervolging omschreven feit met elkaar moeten overeenstemmen. Het artikel stelt echter niet dat zij woordelijk met elkaar moeten overeenstemmen. De raadsman heeft zich kennelijk beroepen op inmiddels achterhaalde Nederlandse wetgeving, aangezien het artikel in de Nederlandse wet welke over deze materie handelt, tot 1995 inderdaad stelde dat de omschrijvingen wel woordelijk met elkaar dienen overeen te komen.

      Die wetgeving is in het jaar 1995 gewijzigd, waarbij het vereiste van woordelijke overeenstemming is geschrapt. De Surinaamse wetgeving heeft nimmer het vereiste van woordelijke overeenstemming gekend. Het in artikel 238, lid 2 van het Wetboek van Strafvordering gestelde voorschrift houdt dus in dat de omschrijving van het feit in de dagvaarding, niet een andere mag zijn dan de omschrijving van het feit in de kennisgeving van verdere vervolging.

      De ratio hiervan ligt erin dat de verdachte die een kennisgeving van verdere vervolging ontvangt, daar bezwaar tegen kan aanteken. Tegen een dagvaarding die vooraf is gegaan door een kennisgeving van verdere vervolging kan geen bezwaar meer worden aangetekend, derhalve moet de verdachte erop kunnen vertrouwen dat het in de kennisgeving van verdere vervolging omschreven ten laste gelegde feit, overeenkomt met het in de dagvaarding omschreven ten laste gelegde feit.

      Geringe tekstuele wijzigingen in de dagvaarding aangebracht door het Openbaar Ministerie, staan daaraan niet in de weg en leiden er niet toe dat de verdachten in hun belangen zijn geschaad.

      Aangezien het aan de beoordeling van de rechter is als de grondslag in de kennisgeving van verdere vervolging en die in de dagvaarding met elkaar overeenstemmen, zal het Openbaar Ministerie, indien de Krijgsraad de mening is toegedaan dat de grondslag is verlaten, een beroep doen op de wettelijke mogelijkheid om de dagvaarding te wijzigen
      [4] .

      Stelling: De ten laste legging is onvoldoende feitelijk, innerlijk tegenstrijdig, onduidelijk en onvolledig, onder andere vanwege het feit dat bepaalde begrippen niet nader omschreven zijn geworden, de letsels welke de slachtoffers hebben bekomen niet gespecificeerd zijn, er geen obductieverslag is gevoegd bij de dagvaarding, en er is verwoord dat burgers in een militaire actie militairen hebben uitgelokt.

      Auditeur Militair: De begrippen op welke men doelt, zijn volgens jurisprudentie en dogmatiek wel voldoende feitelijk omschreven. Voor het ten laste leggen van moord is slechts vereist dat de dood is ingetreden, de letsels welke de dood hebben doen intreden behoeven niet in de tenlastelegging worden aangegeven. De obductieverslagen maken deel uit van het procesdossier en zijn derhalve aan te merken als wettig bewijsmiddel.

      Er bestaat geen wettelijke verplichting het obductieverslag te voegen bij de dagvaarding. Het feit dat bij het begaan van het delict gebruik is gemaakt van militair wapentuig en militaire infrastructuur, betekent niet in dat het om een militaire actie zou gaan. Het gaat om het strafbare feit moord, welke geen bepaalde kwaliteit, c.q. hoedanigheid vereist. Derhalve kunnen zowel militairen als niet-militairen daar dader van zijn.

      Aldus de reactie van de Auditeur Militair op de door de verdediging opgeworpen verweren.

      De datum voor de volgende zitting is gesteld op 29 februari 2008. Door de Krijgsraad is beslist dat de verdediging haar reactie (repliek) op hetgeen door de Auditeur Militair is aangedragen, voor 15 februari a.s. schriftelijk zal indienen ten behoeve van de Auditeur Militair.

      De Auditeur Militair zal de reactie van het Openbaar Ministerie hierop (dupliek), schriftelijk indienen op de zitting van 29 februari a.s. Op die zitting zullen zowel de verdediging als het Openbaar Ministerie de gelegenheid hebben hun repliek respectievelijk dupliek, mondeling toe te lichten. Tot slot heeft de verdediging op die datum de gelegenheid als laatst het woord te voeren, waarna de Krijgsraad zich zal beraden over de gegrondheid van de opgeworpen excepties.

      Alzo wordt voldaan aan het vereiste gesteld in artikel 269 van het Wetboek van Strafvordering, welke stelt dat de verdachte bevoegd is verweren ten aanzien van de bevoegdheid van de rechter, de geldigheid van de dagvaarding en de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie voor te dragen (conclusie).

      De vervolging kan antwoorden op die verweren (conclusie van antwoord), waarna de verdediging nogmaals het woord mag voeren (repliek). De vervolging mag daar weer op reageren (dupliek), tot slot mag de verdachte als laatst het woord voeren.

      mr. Marjory Sanches,

      Woordvoerder 8 december strafproces

      _____________________________________________________________________
       
      [1] Artikel 4 van het Wetboek van Strafvordering luidt als volgt: “Wordt een strafbaar feit niet vervolgd of de vervolging niet voortgezet, dan kan belanghebbende daarover beklag doen bij het Hof van Justitie. Het Hof kan de Procureur-Generaal opdragen te dien aanzien verslag te doen en kan voorts bevelen, dat de vervolging zal worden ingesteld of voortgezet. Het Hof kan het geven van zodanig bevel ook weigeren op gronden aan het algemeen belang ontleend.”
       
      [2] Artikel 96, lid 4 van het Wetboek van Strafrecht stelt dat het recht tot strafvordering ten aanzien van misdrijven waarop de doodstraf of levenslange gevangenisstraf is gesteld, in 18 jaren vervalt. Artikel 97 van het Wetboek van Strafrecht geeft aan dat de termijn van verjaring in beginsel aanvangt op de dag na die waarop het feit is gepleegd.
       
      [3] Artikel 98 van het Wetboek van Strafrecht stelt dat elke daad van vervolging de verjaring stuit, mits deze daad de vervolgde bekend of hem op de door de wet voorgeschreven wijze betekend is.
       
      [4] Artikel 270, juncto artikel 299 en artikel 300 van het Wetboek van Strafvordering, bieden het Openbaar Ministerie de gelegenheid de dagvaarding te wijzigen vóór het moment van het requisitoir. Bij het requisitoir voert de vervolgingsambtenaar het woord, en wel nadat de getuigen en eventueel de verdachte zijn gehoord.

       

      21 december 2007

          Communiqué 5/2007

      Krijgsraadzitting van 17 december 2007 in het 8 December-strafproces

      Naar aanleiding van de op maandag 17 december 2007 gehouden zitting van de Krijgsraad in het 8 december strafproces, wordt hierbij een uiteenzetting gegeven van hetgeen zich op die zitting heeft voorgedaan:

      Excepties (Preliminaire verweren)

      Ingevolge artikel 269 van het Wetboek van Strafvordering, heeft de verdediging meteen na de voordracht van de zaak door het Openbaar Ministerie, de gelegenheid excepties (verweren) aan te dragen ten aanzien van de bevoegdheid van de rechter, de geldigheid van de dagvaarding, en de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie.

      Ter verduidelijking: Een grond voor onbevoegdheidverklaring van de rechter is als de zaak is voorgebracht bij een gerecht dat daar geen rechtsmacht over heeft (b.v. een zaak die bij de Kantonrechter is voorgebracht, terwijl deze bij het Hof van Justitie zou moeten worden voorgebracht). Een grond op welke een dagvaarding nietig kan worden verklaard, is als in de tenlastelegging geen datum op welke het feit zou zijn gepleegd is vermeld, of als de dagvaarding niet voldoende feitelijk zou zijn.

      Enkele gronden voor het niet ontvankelijk verklaren van het Openbaar Ministerie, zijn als een feit te laste zou worden gelegd dat reeds verjaard is, of als beginselen van behoorlijk procesrecht zouden zijn geschonden (o.a. het gelijkheidsbeginsel[1], het beginsel van redelijke en billijke belangenafweging[2] of het beginsel van zuiverheid van oogmerk[3]).

      Exceptie t.a.v. de bevoegdheid van de rechter, opgeworpen op de zitting van 30 november jl.

      Op de zitting van 30 november werd door de raadsman van één van de verdachten, betoogd dat de Krijgsraad niet bevoegd zou zijn kennis te nemen van de zaak tegen zijn cliënt, omdat deze ten tijde van de ten laste gelegde feiten, niet de hoedanigheid zou hebben van militair zoals aangegeven in het wetboek van Militair Strafrecht.

      Volgens de raadsman bezat zijn cliënt toentertijd andere hoedanigheden, over welke de Krijgsraad geen jurisdictie zou hebben, onder ander die van wetgever en politiek ambtsdrager c.q. politiek gezagsdrager, en zou betrokken cliënt derhalve terecht moeten staan voor het Hof van Justitie, ingevolge artikel 140 van de Grondwet.

      Oordeel Krijgsraad t.a.v. opgeworpen exceptie

      Op de zitting van 17 december verwierp de Krijgsraad de eerder door de raadsman opgeworpen exceptie, op grond van het volgende:

      Ten aanzien van de stelling van de raadsman dat betrokken cliënt ten tijde van de ten laste gelegde feiten niet kon worden aangemerkt als te zijn “militair in werkelijke dienst”, zoals neergelegd in artikel 38 van het Wetboek van Militair Strafrecht, oordeelde de Krijgsraad dat betrokken verdachte ten tijde van de ten laste gelegde feiten wel degelijk de hoedanigheid van militair bezat. Ter staving werd verwezen naar de resoluties middels welke de verdachte in kwestie indertijd is aangesteld, respectievelijk is ontslagen als Bevelhebber van het Nationaal Leger.

      Alvorens in te gaan op de stelling van de raadsman dat diens cliënt ten tijde van de feiten voor welke deze nu terechtstaat, de hoedanigheid van politiek ambtsdrager dan wel politiek gezagsdrager bezat, en derhalve, ingevolge hetgeen gesteld in artikel 140 van de Grondwet, terecht zou moeten staan voor het Hof van Justitie, stelde de Krijgsraad ambtshalve dat de Grondwet naar welke verwezen wordt, in werking is getreden in het jaar 1987, en dat hetgeen in die Grondwet is gesteld, niet terug werkt naar een eerdere datum, indien er in daartoe geen overgangsbepalingen zijn gesteld [4].

      Voor feiten gepleegd in het jaar 1982, kan dus geen beroep worden gedaan op artikelen van de Grondwet die op een latere datum in werking is getreden. Daarnevens was de Grondwet welke in het jaar 1975 in werking trad, per decreet van 13 augustus 1980, buiten werking gesteld, en was deze Grondwet ook in december 1982, buiten werking[5]. Derhalve kan geen beroep worden gedaan op berechting door een in de in de Grondwet van 1975 gestelde “forum priviligatium”[6].  

      De Krijgsraad heeft derhalve gesteld dat reeds op grond van het bovenstaande, het verweer ten aanzien van de bevoegdheid van de rechter, ongegrond is. Desondanks heeft de Krijgsraad zich toch gebogen over de stelling van de raadsman, als zou de verdachte in casu op grond van artikel 140 van de Grondwet, als politiek ambtsdrager, c.q. politiek gezagsdrager, terecht moeten staan voor het Hof van Justitie.

      Ten aanzien van het vorengaande, is door de Krijgsraad gesteld dat artikel 1 c van het uitvoeringsbesluit van artikel 140 van de Grondwet (Wet in staat van beschuldigingstelling Politieke Ambtsdragers, SB 2001, no. 72), limitatief aangeeft welke functionarissen worden beschouwd als politieke ambtsdrager, en de verdachte in casu niet één van de aldaar genoemde functies bekleedde, met name de functie van President van de Republiek, Vice-President van de Republiek, minister, onderminister, dan wel een persoon die ingevolge of krachtens de wet betreffende uitgeschreven verkiezingen lid is van een volksvertegenwoordigend lichaam.

      Op grond van al het vorengaande is de op 30 november opgeworpen exceptie verworpen, en acht de Krijgsraad zich wel bevoegd tot kennisname van de zaak tegen betrokken verdachte.

      Excepties ten aanzien van de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie en de geldigheid van de dagvaarding

      Na het vonnis van de Krijgsraad ten aanzien van de bevoegdheidsexceptie, werden de verschillende raadslieden in de gelegenheid gesteld excepties op te werpen ten aanzien van de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie en de geldigheid van de dagvaarding.

      Ontvankelijkheid Openbaar Ministerie

      Een der raadslieden wierp op dat het Openbaar Ministerie niet ontvankelijk moest worden verklaard in haar vordering. De argumenten welke de raadsman hiervoor aandroeg, waren (in hoofdlijnen) de volgende:

      •      Het Hof van Justitie zou bij het geven van de opdracht aan de Procureur-Generaal in het jaar 2000 om over te gaan tot vervolging, voorbij gegaan zijn aan het algemeen belang. In de gemeenschap zou namelijk geen behoefte zijn aan strafrechterlijke vervolging, doch wel aan de instelling van een waarheidscommissie;
         

      •      Het Openbaar Ministerie zou haar dominus litus positie (exclusief vervolgingsrecht), jarenlang prijs hebben gegeven, door de feiten die in december 1982 zijn begaan, ruim 17 jaar onvervolgd te laten. Het Openbaar Ministerie zou kennelijk op instigatie van derden en onder politieke druk, uiteindelijk overgegaan zijn tot vervolging.
         

      •      De Regering zou zich indertijd ongeoorloofd gemengd hebben in de vervolging. De toenmalige minister van Justitie en Politie zou er namelijk toe overgegaan zijn een regeringsadviseur aan te stellen, die verschillende vervolgingsgerelateerde activiteiten heeft verricht, waaronder het aanzoeken van getuigen in het buitenland.
         

      •      De aanwijzing van verdachten in november 2000 door het Openbaar Ministerie, zou zijn geschied op basis van willekeur, en niet op grond van bekende feiten en omstandigheden, zoals voorgeschreven door artikel 19 van het wetboek van Strafvordering.
         

      •      De verjaring van bepaalde deelnemingshandelingen (uitlokking en medeplichtigheid), zou niet effectief gestuit zijn geworden. Volgens deze stelling vinden uitlokkinghandelingen namelijk plaats vóór het delict (moord), en verjaren deze dan ook voor het gronddelict. Toen de verjaring van het delict “moord” in november 2000 werd gestuit door de instelling en betekening van een daad van vervolging (instelling en betekening van het Gerechtelijk Vooronderzoek), zou de uitlokking van het feit, volgens deze stelling reeds verjaard zijn.
         

      •      Betwijfeld wordt als de verdachten een eerlijk proces ten deel zal vallen, aangezien de publieke opinie in de afgelopen jaren negatief beïnvloed zou zijn door o.a. bepaalde segmenten van de media.

      Geldigheid dagvaardingen

      Ten aanzien van de geldigheid van de dagvaardingen, is door verschillende raadslieden opgeworpen dat de in de dagvaardingen opgenomen tenlasteleggingen, niet voldoen aan de eisen welke door de wet worden gesteld. Beargumenteerd is geworden dat de tenlasteleggingen onvoldoende feitelijk zijn, alsook innerlijk tegenstrijdig. Als gevolg hiervan is het voor de verdachten niet duidelijk welke feitelijke handelingen hen ten laste zijn gelegd, waardoor zij zich dan ook niet adequaat hebben kunnen voorbereiden op hun verdediging.

      Tevens is door één van de raadslieden aangehaald dat indien – zoals gesteld in artikel 238 van het Wetboek van Strafvordering - een dagvaarding vooraf is gegaan door een kennisgeving van verdere vervolging, het in de dagvaarding omschreven ten laste gelegde feit overeen dient te stemmen met het in de kennisgeving van verdere vervolging omschreven feit. Middels het citeren van zinsneden uit zowel de dagvaarding als uit de kennisgeving van verdere vervolging, werd betoogd dat er afwijkingen waren in de respectieve omschrijvingen.

      Vorengenoemde excepties zijn door de verschillende raadslieden mondeling toegelicht, en formeel schriftelijk ingediend. Het Openbaar Ministerie zal na bestudering van de ingediende excepties, eveneens een schriftelijke antwoord hierop geven, welke op de eerstvolgende zitting van 28 januari 2008 mondeling zal worden toegelicht door de Auditeur Militair.

      mr. Marjory Sanches

      Woordvoerder 8 december strafproces

      _____________________________________________________________________________

      [1] Het gelijkheidsbeginsel verwijst naar de eis van gelijke behandeling van vergelijkbare gevallen.
       
      [2] Het beginsel van redelijke en billijke belangenafweging houdt in dat de in aanmerking komende belangen behoorlijk tegen elkaar moeten worden afgewogen. Dat wil zeggen dat op een voor betrokkene minst bezwarende wijze moet worden opgetreden, en dat er een redelijke verhouding moet zijn tussen de wijze van optreden en het beoogde doel.

      [3] Het beginsel van zuiverheid van oogmerk houdt in dat de overheid een bevoegdheid niet voor een ander doel mag gebruiken dan waarvoor deze is gegeven.

      [4] Artikel 140 van de huidige grondwet welke in 1987 in werking trad, stelt dat politieke ambtsdragers wegens misdrijven in die betrekking gepleegd, ook na hun aftreden terecht staan voor het Hof van Justitie.

      [5] Lid 3 van artikel 144 van de Grondwet welke in 1975 in werking trad, stelt dat de President, de ministers en onderministers, de leden van het Parlement, de leden van de Raad van Advies en de leden van de Rekenkamer wegens ambtsmisdrijven in die betrekking gepleegd, ook na hun aftreden terecht staan voor het Hof van Justitie.

      [6] Het Latijnse begrip “privilegium fori” verwijst naar het principe dat bepaalde groepen / personen berecht moeten worden door een speciaal gerecht dat is bemenst door personen uit hun specifieke sociale of beroepsomgeving. Zoals een militair door een militaire rechtbank, een geestelijke door een canonieke rechtbank.

       

      10 december 2007

         Voortzetting 8 december strafproces

      Op maandag 17 december 2007 om 09.00 uur des voormiddag, wordt in het Gerechtsgebouw aan de Sir Winston Churchillweg, het 8 december strafproces voortgezet.

      Publiek dat geïnteresseerd is de zitting bij te wonen kan zich daarvoor registreren op donderdag 13 december van 10.00 uur ‘s morgens tot 12.00 uur ‘s middags op de Brigade van de Militaire Politie op de hoek van de Tourtonnelaan en de Henck Arronstraat. Registratie dient persoonlijk te geschieden, onder medeneming van een geldig identiteitsbewijs.

      Bijzonderheden omtrent de logistiek en de veiligheidsvoorschriften welke zullen gelden op de zittingsdag, kunt U hier nalezen.

      De Voorzitter van de Commissie Beveiliging Rechterlijke Macht en Infrastructurele Voorzieningen Krijgsraad,

      mr. R. D. Neslo

       

      3 december 2007

          Communiqué 4/2007

      Krijgsraadzitting van 30 november 2007 in het 8- December-strafproces

      Naar aanleiding van de op vrijdag 30 november 2007 gehouden eerste zitting van de Krijgsraad in het 8 december strafproces, wordt hierbij een uiteenzetting gegeven van hetgeen zich op díe zitting heeft voorgedaan. Voor een goed begrip van het onderwerpelijke wordt tevens algemene informatie verstrekt over de Krijgsraad, alsook andere relevante juridische begrippen.

      Inrichting Krijgsraad

      De Krijgsraad wordt voorgezeten door een lid van het Hof van Justitie en bestaat in beginsel, naast de President, uit twee militaire leden, die officier of eervol ontslagen officier van het Nationaal Leger zijn. Volgens de wet behoren de militaire leden van de Krijgsraad een hogere rang en anciënniteit te bezitten dan de verdachte is of was ten tijde van het begaan van het delict waarvoor deze terechtstaat. Voorzover de bedoelde militaire leden niet beschikbaar zijn, worden in hun plaats twee leden van het Hof van Justitie aangewezen.

      Aangezien voorgaande van toepassing is op het 8 december strafproces, zijn voor de behandeling van deze zaak 2 Krijgsraadkamers samengesteld, die beiden worden voorgezeten door de President van de Krijgsraad, mw. mr. drs. C. Valstein-Montnor. De leden van de eerste Krijgsraadkamer zijn mr. I. Rasoelbaks en mr. R. Rodrigues, beiden lid van het Hof van Justitie. In de tweede Krijgsraadkamer hebben zitting luitenant-kolonel M. Cooper en luitenant-kolonel Amatdasim.

      Volgens de wet is de Krijgsraad bevoegd kennis te nemen van strafbare feiten, begaan door Surinaamse militairen, en zij die daarmee zijn gelijkgesteld. Ten aanzien van niet- militairen, stelt de wet dat, indien een verdachte niet tot de Krijgsmacht behoort, doch in deelneming met de hoofdverdachte een strafbaar feit heeft begaan, het Openbaar Ministerie beslist of de berechting van dit strafbare feit aan de Krijgsraad wordt onderworpen. Echter neemt de Krijgsraad in beginsel geen kennis van strafbare feiten, begaan door ministers, onderministers of leden van het parlement.

      In de eerste kamer, bestaande uit de President van de Krijgsraad, mr. drs. Valstein-Montnor, en de leden mr. Rasoelbaks en mr. Rodrigues, stonden een viertal voormalige militaire officieren terecht, terwijl in de tweede kamer, bestaande uit de President van de Krijgsraad, mr. drs. Valstein-Montnor, en de leden luitenant-kolonel Cooper en luitenant-kolonel Amatdasim, in totaal 15 personen terecht stonden, van wie een aantal ten tijde van het delict de hoedanigheid van militair hadden. De overigen waren burgers, die ervan verdacht worden, in deelneming met de hoofdverdachte, een strafbaar feit te hebben begaan.

      Preliminaire excepties

      Het Wetboek van Strafvordering geeft de verdachte de bevoegdheid, om na de voordracht van de zaak door de Auditeur-Militair, bezwaren oftewel “excepties” op te werpen ten aanzien van de geldigheid van de dagvaarding, de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie en de bevoegdheid van de rechter.

      Ter verduidelijking: Een grond op welke een dagvaarding nietig kan worden verklaard, is als er bijvoorbeeld in de tenlastelegging een onjuiste datum op welke het feit zou zijn gepleegd is vermeld. Een grond voor het niet ontvankelijk verklaren van het Openbaar Ministerie is als er bijvoorbeeld een feit te laste zou worden gelegd dat reeds verjaard is. Een grond voor onbevoegdheidverklaring van de rechter is als de zaak is voorgebracht bij een gerecht dat daar geen rechtsmacht over heeft (b.v. een zaak is bij de Kantonrechter voorgebracht, terwijl deze bij het Hof van Justitie zou moeten worden voorgebracht).

      Op de zitting van 30 november werd door de President van de Krijgsraad aangegeven dat de verweren t.a.v. de geldigheid van de dagvaarding en de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie, schriftelijk door de raadslieden zouden worden ingediend op een nadere datum, doch dat het verweer t.a.v. de bevoegdheid van de Krijgsraad om kennis te nemen van deze zaak, terstond mocht worden voorgedragen op de zitting.

      Naar aanleiding van het voorgaande werd door de raadsman van één van de verdachten betoogd dat de Krijgsraad niet bevoegd zou zijn kennis te nemen van de zaak tegen zijn cliënt, omdat deze te tijde van de gebeurtenissen van 8 december 1982 niet de hoedanigheid zou hebben van militair, zoals aangegeven in het wetboek van Militair Strafrecht.

      Volgens de raadsman bezat zijn cliënt toendertijd andere hoedanigheden, over welke de Krijgsraad geen jurisdictie zou hebben, onder ander die van wetgever. De raadsman haalde enkele decreten en wettelijke regelingen aan om zijn stelling te ondersteunen. De Auditeur-Militair op zijn beurt droeg verschillende argumenten aan om te staven dat betrokken verdachte op 8 december 1982 wel degelijk de hoedanigheid van militair bezat.

      Na de argumenten van zowel de raadsman als de Auditeur-Militair gehoord te hebben, heeft de Krijgsraad na een korte schorsing aangegeven dat zij zich op 17 december as. zal uitspreken over het door de raadsman opgeworpen verweer.

      Indien het verweer van de raadsman gegrond wordt bevonden, heeft dat tot gevolg dat de Krijgsraad zich onbevoegd zal verklaren de zaak tegen de verdachte in kwestie in behandeling te  nemen. Het is dan aan het Openbaar Ministerie gelegen als zij deze verdachte opnieuw wenst te dagvaarden voor het gerecht dat wel bevoegd is kennis te nemen van deze zaak. Indien de Krijgsraad het verweer van de raadsman verwerpt, zal diens cliënt gewoon voorgaan bij de Krijgsraad.

      Op de zittingsrol opgebrachte personen

      Alhoewel officieel 25 personen de hoedanigheid van verdachte bezitten, zijn voor de zitting van 30 november jl. slechts 19 van hen op de rol gebracht. Het is namelijk zo dat in de eerste week van november van dit jaar, 22 van de 25 verdachten zijn gedagvaard voor de zitting van 30 november.

      De overige 3 verdachten zijn niet gedagvaard voor die zitting, aangezien zij ten tijde van 8 december 1982, de hoedanigheid van minister dan wel onderminister hadden en de Krijgsraad over deze categorie personen geen jurisdictie heeft. Deze drie verdachten zullen door het Openbaar Ministerie worden gedagvaard bij de Kantonrechter.

      Verder is het zo dat 3 van de 22 in november gedagvaarde personen bezwaar tegen hun dagvaarding hebben aangetekend bij de Krijgsraad. Voordat de Krijgsraad in haar toenmalige samenstelling een beslissing kon nemen over de ingediende bezwaren werd de wraking van één van haar leden voorgedragen bij het Hof van Justitie. Het Hof van Justitie had op 30 november nog niet beslist t.a.v. de voorgedragen wraking, weshalve de Krijgsraad nog geen uitspraak heeft gedaan over het door de drie verdachten ingediende bezwaar tegen hun dagvaarding.

      Aangezien een bezwaar tegen de dagvaarding deze van rechtswege doet vervallen zijn de drie verdachten wiens bezwaar nog in behandeling is niet opgebracht op de rol van 30 november jl. Afhankelijk van de uiteindelijke beslissing van de Krijgsraad omtrent de ingediende bezwaren zullen betrokken verdachten mogelijk opnieuw worden gedagvaard door het Openbaar Ministerie voor een nader te bepalen datum.

      Zoals eerder aangegeven doet de Krijgsraad op haar zitting van maandag 17 december a.s. uitspraak over de op de zitting van 30 november door de raadsman opgeworpen exceptie. Tevens zullen op die zitting door de verschillende raadslieden excepties t.a.v. de geldigheid van de dagvaarding en de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie schriftelijk worden ingediend. Het Openbaar Ministerie zal eveneens schriftelijk reageren op die excepties.

      mr. Marjory Sanches,

      (woordvoerder 8 december-strafproces)

       

      24 november 2007

          Communiqué 3/2007

      INFORMATIE TEN AANZIEN VAN HET BIJWONEN......

      VAN DE ZITTINGEN VAN DE KRIJGSRAAD IN HET 8 DECEMBER STRAFPROCES

      Op vrijdag 30 november 2007 om 10.00 uur des voormiddag, wordt in het Gerechtsgebouw gelegen op de Marinebasis aan de Sir Winston Churchillweg perc. 633-637 (meer bekend als weg naar Dombug), een aanvang gemaakt met het 8 december strafproces.  

      Voor het onderzoek ter terechtzitting, zijn 25 personen gedagvaard als verdachte. Uiteraard kunnen betrokkenen zich tijdens het proces doen bijstaan door een of meer raadslieden. De gedagvaarde personen zullen zich elk tevens naar de zitting mogen laten vergezellen door 1 (één) begeleider.

      Een groot aantal nationale en buitenlandse media hebben zich aangemeld voor bijwoning van dit proces. Voor de media die accreditatie hebben ontvangen om de zittingen te verslaan, zijn bijzondere voorzieningen getroffen. Hierover is reeds rechtstreeks met hen gecommuniceerd. Tevens zullen ook nationale en internationale waarnemers de zittingen bijwonen.  

      Voor overige belangstellenden zijn er 30 plekken in het Gerechtsgebouw gereserveerd. 15 van die 30 plekken zijn in de zittingszaal, wat betekent dat 15 van deze personen daadwerkelijk in de zittingszaal plaats kunnen nemen. De overige 15 personen zullen het gebeuren kunnen volgen vanuit een ruimte met een audio-video verbinding. Deze ruimte is enkele meters verwijderd van de zittingszaal. 

      Uit het bovenstaande moge duidelijk zijn, dat er bijzondere logistieke en veiligheidsmaatregelen zullen moeten worden getroffen, om alles op een ordelijke en voor ieder veilige manier te doen verlopen. 

      Deze zijn de volgende: 

      • Het publiek dat de zittingen wil bijwonen, zal zich hiervoor vooraf moeten registreren. De registratie zal geschieden op het Hoofdkwartier van de Militaite Politie op de hoek van de Tourtonnelaan en de Henck Arronstraat, en wel op woensdag 28 november van 10.00 uur s’morgens tot 12.00 uur s’middags. Aangezien er slechts 30 plaatsen in het Gerechtsgebouw beschikbaar zijn voor regulier publiek, zullen slechts 30 personen zich kunnen registreren.
         

      • Het registreren dient persoonlijk te geschieden, onder medename van een geldig identiteitsbewijs. Dit houdt in dat degenen die zich willen registreren, dat zelf moeten doen. Een bepaalde persoon zal dus naast zichzelf, niet een andere of andere personen kunnen registreren voor bijwoning van de zittingen.
         

      • Bij registratie ontvang men een registratiebewijs, op welke is aangegeven als men voor de zittingszaal is geregistreerd, of voor de audio-video ruimte. Het registratiebewijs moet men meenemen op de dag van de zittingen.
         

      • De gedagvaarde personen hebben uiteraard allen toegang tot het Gerechtsgebouw. Zij behoeven zich daarvoor niet vooraf te registreren. Tevens worden in de zittingszaal plaatsen vrijgehouden voor eventuele begeleiders van de gedagvaarde personen. Iedere gedagvaarde persoon zal zich namelijk door 1 begeleider kunnen doen vergezellen.

        Aangezien 25 personen zijn gedagvaard voor de zitting van 30 november, worden er in de zittingszaal 25 zitplaatsen vrijgehouden voor de begeleiders. Ook de begeleiders hoeven zich vooraf niet te registreren. Daarom zal iedere begeleider om toegelaten te kunnen worden, in gezelschap moeten zijn van de gedagvaarde persoon welke hij/zij vergezeld.

      Hoewel het Gerechtsgebouw op het terrein van de Marinebasis van het Nationaal Leger staat, zullen degenen die de zittingen zullen bijwonen, of dat nu pers, publiek of gedagvaarden zijn, niet met hun voertuig tot naar die locatie kunnen.

      Ongeveer 600 meter voor het Gerechtsgebouw, is er een aanmeldpost met bijbehorende beveiligde parkeerplaats. Op die plek aan de Sir Winston Churchillweg, zal men zijn voertuig moeten achterlaten. Het publiek dat zich vooraf heeft geregistreerd, krijgt op de aanmeldpost een toegangspasje.

      Gedagvaarde personen krijgen, onder vertoon van hun dagvaarding, eveneens een toegangspasje. De begeleiders van de gedagvaarde personen krijgen, indien zij zich in gezelschap van de gedagvaarde aanmelden, eveneens een toegangspasje.

      Let wel: de gedagvaarde en diens begeleider, behoren zich gezamenlijk aan te melden! Omdat de begeleiders zich namelijk niet op een eerdere datum hebben hoeven te registreren, is bij de organisatie niet van tevoren bekend wie zij zijn, en zullen zij dus slechts op aangeven van de gedagvaarde persoon worden toegelaten.

      Voor zowel het publiek als de begeleiders van de gedagvaarde personen, geldt dat zij zich op de aanmeldpost zullen moeten identificeren middels een geldig identiteitsbewijs. Na verstrekking van de pasjes, zal men per bus worden vervoerd van de aanmeldpost naar het Gerechtsgebouw. Na afloop van de zittingen, wordt men vanuit het Gerechtsgebouw, wederom met de bus vervoerd naar de aanmeldpost annex parkeerplaats, alwaar men de verstrekte toegangspasjes zal moeten retourneren. 

      Een ieder die het Gerechtsgebouw wenst te betreden, zal aan een intensieve veiligheidscontrole worden onderworpen. Cellullairs, recorders, camera’s en andere apparatuur moeten worden afgegeven aan de balie, alvorens men het gebouw kan betreden. Zodra men het gebouw verlaat, worden deze weer geretourneerd. Voor personen die wensen te telefoneren in het Gerechtsgebouw, zijn er publieke telefooncellen opgesteld. Om gebruik te kunnen maken van deze telefooncellen, zal men over een TELESUR belkaart dienen te beschikken. 

      Aangezien de zitting op 30 november om 10.00 uur des voormiddag aanvangt, zal de aanmelding reeds vanaf 07.00 uur mogelijk zijn. Op het geregistreerde publiek wordt een dringend beroep gedaan om uiterlijk 08.00 uur aanwezig te zijn op de aanmeldpost, aangezien zich na 09.00 uur geen personen meer kunnen aanmelden om toegelaten te worden tot de zittingslocatie.  

      Op het terrein van de Marinebasis en in het Gerechtsgebouw, wordt de orde gehandhaafd door de Militaire Politie. Buiten de muren van de Marinebasis en op de aanmeld post annex parkeerplaats, wordt de orde gehandhaafd door het Korps Politie Suriname.

      Mr. R. D. Neslo.

      Voorzitter Commissie Beveiliging Rechterlijke Macht

      en Infrastructurele Voorzieningen Krijgsraad

       

      15 juni 2007

          Communiqué 2/2007

      Hof van Justitie doet uitspraak in beroepschriften in 8 Decemberzaak

      Na afsluiting van het Gerechtelijk Vooronderzoek in de 8 december zaak, had het Openbaar Ministerie in de maand december 2004 aan 26 personen kennisgevingen van verdere vervolging doen verstrekken.

      Tien van deze personen hadden - ingevolge de mogelijkheid die de wet hen biedt - tegen deze kennisgevingen bezwaar aangetekend bij de Krijgsraad. Het bezwaar van 9 van deze personen was ongegrond verklaard; dat van 1 persoon was wel gegrond verklaard door de Krijgsraad.

      De 9 personen wiens bezwaar ongegrond was verklaard door de Krijgsraad, zijn tegen deze beslissing in beroep gegaan bij het Hof van Justitie. Het Openbaar Ministerie is eveneens in beroep gegaan bij het Hof van Justitie, en wel tegen de beslissing van de Krijgsraad om het bezwaar van de tiende persoon gegrond te verklaren.

      Op 11 juni 2007 heeft Het Hof van Justitie zich bij beschikking uitgesproken over de bij haar ingestelde beroepen. Hierbij heeft zij het beroep van 8 van de 9 personen afgewezen, en dat van 1 persoon toegewezen. De 8 personen wiens beroep is afgewezen, kunnen nu dus wel verder vervolgd worden, de ene persoon wiens beroep is toegewezen, kan niet meer vervolgd worden.

      Het beroep van het Openbaar Ministerie is eveneens toegewezen, hetwelk inhoudt dat de persoon wiens bezwaar eerder wel gegrond was verklaard door de Krijgsraad, nu ook vervolgd mag worden.

      De beschikkingen van het Hof van Justitie zijn inmiddels door het Openbaar Ministerie betekend aan alle 10 betrokken personen. Met deze betekening, hebben thans 25 personen officieel de status van verdachte.

      De Krijgsraad zal – na afstemming met het Openbaar Ministerie – overgaan tot vaststelling van een datum op welke het onderzoek ter terechtzitting zal aanvangen, met andere woorden, op welke datum de rechtzaak tegen degenen die verdacht worden van enig misdrijf gepleegd op of omstreeks 8 december 1982, een aanvang zal maken.

      Na vaststelling van die datum, kan het Openbaar Ministerie overgaan tot de dagvaarding van deze verdachten.

      De woordvoerder in het 8 december proces,

      mr. Marjory Sanches

       

      15 mei 2007

           Communiqué 1/2007

      Bezwaarschriften in 8-decemberzaak in behandeling bij het Hof van Justitie

      Op 1 december 2004 is het Gerechtelijk Vooronderzoek (GVO) in de 8 december zaak afgesloten. Bij de afsluiting van een GVO, behoren volgens de wet degenen die als verdachten waren aangemerkt, door het Openbaar Ministerie schriftelijk te worden medegedeeld als zij al dan niet verder vervolgd zullen worden  Zullen zij wel verder vervolgd worden, dan ontvangen zij een kennisgeving van verdere vervolging. Worden zij niet verder vervolgd, dan ontvangen zij een kennisgeving van niet-verdere vervolging.

      Na afsluiting van het GVO in de 8 december zaak, heeft het Openbaar Ministerie in de maand december 2004, aan 26 personen kennisgevingen van verdere vervolging doen verstrekken.

      Tien van deze personen hebben - ingevolge de mogelijkheid die de wet hen biedt - tegen deze kennisgevingen, bezwaar aangetekend bij de Krijgsraad. Het bezwaar van 9 van deze personen is ongegrond verklaard; dat van 1 persoon is wel gegrond verklaard door de Krijgsraad.

      Één van de gronden op welke volgens de wet bezwaar tegen een kennisgeving van verdere vervolging gegrond kan worden geacht, is indien er onvoldoende aanwijzing van schuld tegen de verdachte aanwezig is. Degene wiens bezwaar gegrond wordt geacht door de rechter, wordt door dit oordeel buiten verdere vervolging gesteld, dat wil zeggen dat deze persoon niet meer gedagvaard kan worden, en niet meer terecht hoeft te staan.

      Voor de 9 personen wiens bezwaar niet gegrond was geacht door de Krijgsraad, was dus niets veranderd, zij zouden normaal verder vervolgd kunnen worden; de ene persoon wiens bezwaar wel gegrond was geacht, zou door deze beslissing van de Krijgsraad, niet verder vervolgd kunnen worden door het Openbaar Ministerie.

      Echter hebben noch de 9 personen wiens bezwaar ongegrond werd verklaard, noch het Openbaar Ministerie, zich bij de beslissing van de Krijgsraad neergelegd. Ingevolge de mogelijkheid die de wet biedt, zijn de 9 personen wiens bezwaar ongegrond is verklaard door de Krijgsraad, tegen deze beslissing in beroep gegaan bij het Hof van Justitie. Het Openbaar Ministerie op haar beurt is bij het Hof van Justitie in beroep gegaan tegen de beslissing van de Krijgsraad om het bezwaar van die tiende persoon wel gegrond te verklaren.

      Het bij het Hof van Justitie in beroep gaan tegen de beslissing van de Krijgsraad, houdt in dat de eerder ingediende bezwaarschriften nogmaals beoordeeld worden door het Hof van Justitie, die zich dan uitspreekt over de juistheid van de eerdere beslissing van de Krijgsraad.

      De uitkomst van het beroep kan zijn dat de eerdere beslissing van de Krijgsraad wordt bevestigd, of dat daarvan wordt afgeweken, met alle juridische consequenties van dien. Het Hof van Justitie heeft in deze het laatste woord.

      Op dit moment is er vanuit het Openbaar Ministerie, vooralsnog geen zicht op wanneer het Hof van Justitie zich zal uitspreken over het bij haar aangetekende beroep. Als die uitspraak er echter eenmaal is, bepaalt de rechter op het verzoek en de voordracht van het Openbaar Ministerie, een datum voor de aanvang van de terechtzitting.

      De woordvoerder in het 8 december-proces,

      mr. Marjory Sanches

       


      TOP