![]()
Voorlichting & Communicatie, van het Militair rechtscollege
Zoeken = Cntrl + F
Paramaribo, 13 juli 2010
Communiqué no. 37
Krijgsraadzitting 23 juni 2010 in het 8 December strafproces
Op woensdag 23 juni 2010 is het 8 december strafproces voortgezet in de stand waarin het geding was geschorst op 9 juni jl. Voor de zitting van 23 juni zijn 8 verdachten en 18 getuigen op de rol gebracht.
Het onderzoek tegen de verdachte D.B.
Omstreeks 10.00 uur wordt de zitting geopend, en de zaak van de verdachte D.B. afgeroepen. De verdachte is niet ter terechtzitting aanwezig, zijn raadsman is dat wel. Gevraagd naar de reden van afwezigheid van zijn cliënt, stelt de raadsman dat deze doende is zijn kabinet te formeren.
Op de zitting van 9 juni jl. is ter terechtzitting door de verdediging aangegeven dat zij 26 personen wenst te doen oproepen als getuige a decharge. Door het Openbaar Ministerie is toen gesteld dat er enige tijd nodig was om te reageren ten aanzien van de relevantie van het oproepen van deze personen als getuige.
Naar aanleiding daarvan is toen door de Krijgsraad aangegeven dat het Openbaar Ministerie haar schriftelijke reactie voor 23 juni behoorde in te dienen bij de Krijgsraad, met kopieverlening aan de verdediging. Ter terechtzitting stelt de raadsman het schrijven van het Openbaar Ministerie de dag daarvoor te hebben ontvangen.
De raadsman betoogt dat de verdediging het belang van het horen van de opgegeven personen als getuigen genoegzaam heeft aangetoond. Echter ziet de verdediging na nadere bestudering van de literatuur ten aanzien van de aansprakelijkheid van een rechter, af van het horen van degene die als Rechter-Commissaris het Gerechtelijk Vooronderzoek in deze zaak heeft geleid.
De raadsman gaat er verder toe over de relevantie van het doen oproepen van de overige personen als getuige te beargumenteren, en wordt de Krijgsraad gevraagd de dagvaarding van betrokkenen te gelasten. De Auditeur Militair, in de gelegenheid gesteld te reageren, verwijst naar de schriftelijke reactie van het Openbaar Ministerie, waarin o.a. gesteld is dat de verdediging het recht heeft te vragen dat getuigen worden opgeroepen, doch dat dit recht in bepaalde gevallen wordt beperkt.
In casu is hetgeen gesteld in artikel 284 van het Wetboek van Strafvordering van belang, waarin wordt verwezen naar het gegeven dat de oproeping of dagvaarding van een getuige van tevoren overbodig dan wel nutteloos kan worden geacht door de rechter.
De Auditeur Militair gaat er toe over ten aanzien van bepaalde van de door de verdediging opgegeven personen te betogen waarom hun oproeping als getuige nutteloos of overbodig zou zijn. Onder andere wordt daarbij aangehaald dat bepaalde van de opgegeven personen niet voldoen aan de kwalificatie “getuige”, daar uit het Gerechtelijk Vooronderzoek niet is gebleken dat zij direct dan wel indirect betrokken zijn geweest bij de gepleegde strafbare feiten, dan wel in de aanwezigheid vertoefden van een of meer verdachte(n), en dus ook niet zouden kunnen bijdragen tot de waarheidsvinding.
Derhalve stelt de vervolging dat het oproepen van deze personen om als getuige te verschijnen ter terechtzitting op voorhand kan worden gekwalificeerd als overbodig dan wel nutteloos.
Ten aanzien van het eerder aangedragen argument van de verdediging dat het horen van een bepaalde getuige zou kunnen aantonen als de ten laste gelegde strafbare feiten al dan niet verjaard zouden zijn, verwijst de Auditeur Militair naar de formele verweren welke bij aanvang van het proces door de verdediging zijn gevoerd, en daaropvolgend zijn verworpen door de Krijgsraad. De raadsman tracht thans via een getuige met formele verweren te komen die niet relevant zijn voor het strafbare feit.
Ten aanzien van de getuigen die in het buitenland woonachtig zijn, wordt gesteld dat niet gebleken is dat deze zouden kunnen bijdragen tot de waarheidsvinding, daar betrokkenen niet op de plaatsdelict aanwezig waren. Hoewel de verdediging heeft gesteld dat betrokken getuigen feiten omtrent de persoon van de verdachte naar voren zouden kunnen brengen, heeft de vervolging daar geen voorkennis van, en zal zich ter zake refereren aan het oordeel van de Krijgsraad.
Na de argumenten van zowel de verdediging als de vervolging gehoord te hebben, wordt aangegeven dat de Krijgsraad zich hieromtrent zal beraden. Het onderzoek tegen de verdachte wordt uitgesteld naar 23 juli as. op welke datum de beslissing zal worden gegeven ten aanzien van de relevantie van de opgegeven getuigen.
Het onderzoek tegen de verdachte R. E.
De verdachte is niet ter terechtzitting aanwezig, zijn raadsman is dat wel. Gevraagd naar de reden van afwezigheid van zijn cliënt stelt de raadsman dat niet te weten. In de zaak van deze verdachte, is 1 getuige op de rol gebracht
De getuige H.S.
De getuige is niet ter terechtzitting aanwezig. Blijkens het rapport van de deurwaarder, is betrokkene voor onbepaalde tijd opgenomen in een ziekeninrichting. De Auditeur Militair stelt dat de getuige ernstig ziek is, en het derhalve heel moeilijk zal zijn hem te dagvaarden dan wel te weten waneer hij voldoende hersteld zal zijn om ter terechtzitting getuigenis af te leggen. Derhalve wordt gevraagd dat de verklaring die deze getuige tijdens het Gerechtelijk Vooronderzoek heeft afgelegd, ter terechtzitting wordt voorgelezen.
De raadsman stelt niet uit het rapport van de deurwaarder te hebben begrepen dat de getuige gedagvaard is geworden, waarop de President aangeeft dat zulks niet is gebeurd. Daarop stelt de raadsman dat pas kan worden gesproken van een niet verschenen getuige, als de dagvaarding is uitgereikt; de wet bepaalt aan wie de uitreiking kan geschieden. De raadsman verwijst daarbij naar artikel 284 van het Wetboek van Strafvordering, welke spreekt over de opgeroepen getuige.
Daarnaast geldt voor het voorlezen van een verklaring ter terechtzitting dat deze bij de Rechter-Commissaris moet zijn afgelegd, terwijl betrokken getuige een verklaring bij de politie heeft afgelegd. Geconcludeerd wordt dat tot oproeping van de getuige moet worden overgegaan; indien daarna mocht blijken dat betrokkene niet kan verschijnen, kan worden nagegaan hoe te handelen.
In reactie hierop stelt de Auditeur Militair dat uit de overgelegde medische verklaring reeds blijkt dat de getuige niet zal kunnen verschijnen, en wordt de vraag opgeworpen waarom deze dan zou moeten worden opgeroepen.
Ten aanzien van het gegeven dat betrokkene tijdens het Gerechtelijk Vooronderzoek een verklaring heeft afgelegd bij de politie en niet bij de Rechter Commissaris, stelt de Auditeur Militair eerder een arrest te hebben overgelegd waaruit blijkt dat een bij de politie afgelegde verklaring wel ter terechtzitting kan worden gebruikt.
Na de standpunten van het Openbaar Ministerie en de verdediging gehoord te hebben, wordt de zitting kort geschorst opdat de Krijgsraad zich kan beraden. Na hervatting van de zitting stelt de President dat de getuige in kwestie op de zitting van 19 maart jl. is aangezegd op 16 april weder ter terechtzitting te verschijnen.
Op die zitting was de getuige afwezig, en is een medische verklaring overgelegd waaruit bleek dat betrokkene was opgenomen in het ziekenhuis. Op de zitting van 9 juni jl. is de dagvaarding van de getuige gelast, hetwelk inhoudt dat de dagvaarding behoort te worden uitgereikt.
Dagvaarding dient te geschieden op de wijze vastgelegd in artikel 517 van het Wetboek van Strafvordering, welke expliciet aangeeft op welke wijze een rechtsgeldige dagvaarding tot stand komt.[1] Derhalve wordt thans gelast dat de getuige H.S. op de door de wet voorgeschreven wijze wordt gedagvaard voor de zitting van 23 juli as.
Het onderzoek tegen de verdachte L.A.
De verdachte is niet ter terechtzitting aanwezig, zijn raadsman is dat wel. Gevraagd naar de reden van afwezigheid van zijn cliënt, stelt de raadsman dat deze ziek is. In de zaak van deze verdachte, is 1 getuige op de rol gebracht
De getuige J.A.
De getuige is niet ter terechtzitting aanwezig. Het betreft in deze een getuige die op de door de wet voorgeschreven wijze is gedagvaard en niet is verschenen, weshalve zijn medebrenging was gelast. Echter kon de medebrenging niet worden uitgevoerd, omdat de verblijfplaats van de getuige niet achterhaald kon worden.
Thans wordt door de Auditeur Militair gevraagd dat de verklaring welke de getuige tijdens het Gerechtelijk Vooronderzoek heeft afgelegd wordt voorgelezen. De raadsman stelt het daar niet eens mee te zijn, daar de getuige in zijn eerder afgelegde verklaring overgaat tot het trekken van conclusies op grond van hetgeen hij heeft waargenomen.
Daarnaast brengt de raadsman in herinnering dat op de vorige zitting door de verdediging was gevraagd dat het rechtshulpverzoek welke indertijd heeft gediend als grondslag voor de getuigenverhoren die in Nederland zijn afgenomen, werd overgelegd, zodat kan worden nagegaan als dat rechtshulpverzoek ook gericht was tegen zijn cliënt, de verdachte L.A.
De Auditeur Militair stelt dat er een aantal rechtshulpverzoeken zijn verzonden, en dat thans één hiervan zal worden overgelegd. Er wordt een document overgelegd aan de Krijgsraad en de verdediging. Echter blijkt dat het overgelegde een schrijven is van de Rechter-Commissaris, gericht aan de President van het Gerechtshof te Amsterdam. In dit schrijven wordt verwezen naar het rechtshulpverzoek.
De raadsman stelt dat het overgelegde document geen rechtshulpverzoek is zoals bedoeld in het verdrag tussen de Republiek Suriname en het Koninkrijk der Nederlanden.[2] De Auditeur Militair stelt hierop een schrijven te hebben overgelegd waaruit blijkt dat er een rechtshulpverzoek is gedaan.
In het schrijven is aangegeven dat het rechtshulpverzoek niet slechts ten aanzien van de verdachte D.B. geldt, maar ook ten aanzien van de andere verdachten, waaruit volgens de Auditeur Militair blijkt dat de werkzaamheden van de Rechter-Commissaris zich niet hebben beperkt tot de verdachte D.B.
De raadsman persisteert dat het rechtshulpverzoek moet worden overgelegd, zodat daaruit kan blijken als deze al dan niet gericht is tegen zijn cliënt L.A., en dat geen genoegen zal worden genomen met een schrijven van de Rechter-Commissaris naar een gerechtshof.
Na de standpunten van zowel de verdediging als de vervolging gehoord te hebben, wordt de zitting kort geschorst, opdat de Krijgsraad zich kan beraden. Na hervatting van de zitting stelt de President van de Krijgsraad dat op het proces-verbaal van het verhoor van de getuige melding wordt gemaakt van het rechtshulpverzoek afkomstig van het Ministerie van Justitie en Politie met als kenmerk M 32/geh/2001.
In het dossier is wel aangetroffen een schrijven van de Minister van Justitie en Politie uit het jaar 2002, betreffende een aanvullend rechtshulpverzoek, doch niet het originele rechtshulpverzoek zelf. De Auditeur Militair wordt gevraagd dat het rechtshulpverzoek in het geding wordt gebracht, en wordt de zaak tegen de verdachte L.A. uitgesteld naar 23 juli as.
Het onderzoek tegen de verdachte S.D.
De verdachte alsook zijn raadsvrouwe zijn ter terechtzitting aanwezig. In de zaak van deze verdachte is 1 getuige op de rol gebracht. De raadsvrouwe stelt dat zij, evenals de raadsman in de vorige zaak, wil weten als het rechtshulpverzoek op grond waarvan de verhoren in Nederland tijdens het Gerechtelijk Vooronderzoek hebben plaatsgevonden, ook van toepassing was op haar cliënt, en wordt derhalve uitstel gevraagd.
De President van de Krijgsraad houdt de verdachte voor dat de verdere behandeling van zijn zaak wordt uitgesteld naar 23 juli as, daar de verdediging kennis wil nemen van het rechtshulpverzoek. Op die datum zullen ook de getuigen a decharge behoren te worden opgegeven.
Het onderzoek tegen de verdachte I.K.
De verdachte alsook zijn raadsman zijn ter terechtzitting aanwezig. In de zaak van deze verdachte zijn 3 getuigen op de rol gebracht.
De getuige J.A.
De raadsman stelt bezwaar te hebben tegen voorlezing van de verklaring die de getuige J.A. heeft afgelegd tijdens het Gerechtelijk Vooronderzoek, daar betrokkene in die verklaring conclusies trekt op grond van hetgeen hij heeft waargenomen.
Tevens wenst de verdediging te weten als de getuige indertijd in het kader van Gerechtelijk Vooronderzoek gehoord is geworden tegen de verdachte I.K. In reactie hierop stelt de Auditeur Militair dat reeds is besloten door de Krijgsraad dat het rechtshulpverzoek op de volgende zitting behoort te worden overgelegd, en zal het Openbaar Ministerie daar werk van maken.
De getuige J. R.
Aangezien de getuige in Nederland woonachtig is, kan deze niet worden opgeroepen, weshalve het Openbaar Ministerie voorlezing van de tijdens het Gerechtelijk Vooronderzoek afgelegde verklaring vraagt. De raadsman stelt dat de getuige J. R. indertijd ter terechtzitting gehoord is geworden, doch dat zijn cliënt I.K. toen niet opgeroepen was. Volgens zeggen van de raadsman is de verklaring van J.R. dusdanig discutabel, dat zijn cliënt wordt benadeeld als de getuige niet ter terechtzitting gehoord kan worden.
De raadsman werpt de vraag op als de getuige J.R. tijdens het Gerechtelijk Vooronderzoek gehoord geworden is in de zaak tegen zijn cliënt I.K. , daar de naam van deze verdachte niet voorkomt in het schrijven van de Rechter Commissaris aan de President van het Gerechtshof welke de Auditeur Militair eerder die dag tijdens de behandeling van de zaak tegen een andere verdachte, heeft overgelegd.
In reactie hierop stelt de Auditeur Militair dat het de conclusie van de raadsman is dat zijn cliënt wordt benadeeld, aangezien er een verklaring onder ede is afgelegd tegen deze verdachte. Vanwege het feit dat het Openbaar Ministerie een tijdens een eerdere zitting gedane uitlating omtrent de tijdelijke afwezigheid van deze verdachte niet juist heeft geïnterpreteerd, is hij niet opgeroepen toen de getuige J.R. in Suriname aanwezig was.
De Auditeur Militair stelt dat het rechtshulpverzoek in kwestie zal worden overgelegd, waarna voorlezing van de verklaring van de getuige zal worden gevraagd. De President van de Krijgsraad stelt dat thans het rechtshulpverzoek aan de orde is, en dat daarna over andere zaken kan worden gesproken.
De getuige R. C.
Aangezien de getuige in Nederland woonachtig is, kan deze niet worden opgeroepen om ter terechtzitting te verschijnen, weshalve het Openbaar Ministerie voorlezing van de tijdens het Gerechtelijk Vooronderzoek afgelegde verklaring vraagt.
De raadsman stelt dat hij aanwezig was bij het verhoor van deze getuige in Nederland tijdens het Gerechtelijk Vooronderzoek, en dat deze toen niet is gehoord in de zaak tegen de verdachte I.K. De President van de Krijgsraad stelt dat ook in deze zaak de overlegging van het rechtshulpverzoek door het Openbaar Ministerie zal worden afgewacht, weshalve de zaak tegen de verdachte wordt uitgesteld naar vrijdag 23 juli as.
Het onderzoek tegen de verdachte I.D.
De verdachte is niet ter terechtzitting aanwezig, zijn raadsman is dat wel. Op de opmerking van de President dat in deze zaak getuigen a decharge zouden worden gepresenteerd, stelt de raadsman dat zulks nog niet is gebeurd. De verdediging wordt hier alsnog de gelegenheid voor geboden, zodat deze getuigen kunnen worden opgeroepen voor de zitting van 23 juli a.s.
Het onderzoek tegen de verdachte B.B.
De verdachte alsook zijn raadsman zijn ter terechtzitting aanwezig. In de zaak van deze verdachte is 1 getuige op de rol gebracht.
Het verhoor van de getuige H.V.
De getuige is ter terechtzitting aanwezig, en wordt na opgave van de personalia onder ede gesteld. Deze getuige is gedurende het Gerechtelijk Vooronderzoek gehoord door zowel de politie als de Rechter-Commissaris, en hem worden de toen afgelegde verklaringen voorgehouden ter verificatie van de handtekening.
De getuige had toen o.a. verklaard de persoon van de verdachte te hebben gezien in een ruimte in het Fort Zeelandia toen hij daar op 9 december 1982 werd ontboden door de toenmalige legerfunctionaris Paul Bhagwandas, thans wijlen. Toen hij zich bij dhr. Bhagwandas meldde, gaf deze hem te kennen dat hij in een meeting was, en dat hij moest wachten. Bij het lopen langs een ruimte, zag de getuige de persoon van de verdachte in die ruimte zitten.
Naderhand gaf dhr. Bhagwandas de getuige aan dat 15 personen vanwege contrarevolutionaire activiteiten waren opgepakt en dood waren, en dat de getuige ervoor moest zorgen dat zij werden vervoerd naar het mortuarium. De getuige had namelijk een opleiding gravendienst gevolgd, en was voor het leger toentertijd belast met deze aangelegenheden.
Aan de getuige worden vragen gesteld door de raadsman en de Krijgsraad, de Auditeur Militair noch de verdachte hebben vragen te stellen aan de getuige. Gevraagd als hij daadwerkelijk op die datum aanwezig was op de locatie waar de getuige heeft aangegeven hem te hebben gezien, stelt de verdachte van niets te weten.
Na afronding van het verhoor van de getuige wordt gevraagd als de verdediging getuigen a decharge wenst op te roepen. De raadsman stelt dat deze niet tijdig kon worden overgelegd, waarna de verdediging nog eenmaal uitstel hiertoe wordt verleend.
Aangegeven wordt dat de getuigen a decharge moeten worden opgegeven aan de Krijgsraad met kopieverlening aan het Openbaar Ministerie, zodat tot dagvaarding kan worden overgegaan voor de zitting van 23 juli as. In geval geen getuigen a decharge worden opgegeven, zal op die datum worden overgegaan tot het verhoor van de verdachte.
Het onderzoek tegen de verdachte M.Z.
De verdachte die niet wordt bijgestaan door een raadsman, is ter terechtzitting aanwezig. Deze verdachte was ten tijde van 8 december 1982, ondercommandant van de Militaire Politie. In de zaak van deze verdachte, zijn 2 getuigen op de rol gebracht.
De opgebrachte getuigen zijn beiden in het buitenland woonachtig, en wordt door de Auditeur Militair gevraagd dat wordt overgegaan tot voorlezing van de verklaringen welke betrokkenen gedurende het Gerechtelijk Vooronderzoek hebben afgelegd. De verdachte heeft daar geen bezwaar tegen.
De getuige A.M.-H.
Deze getuige is de toenmalige echtgenote van Brahm Behr, die een van de personen is die op of omstreeks 8 december 1982 om het leven is gekomen. De getuige heeft tijdens het Gerechtelijk Vooronderzoek een verklaring afgelegd bij de Rechter-Commissaris, welke thans ter terechtzitting wordt voorgelezen.
Blijkens het voorgelezene, heeft de getuige o.a. verklaard dat haar toenmalige echtgenoot betrokken was bij de uitgave van de krant “Mokro”, waarin hij zich erg kritisch uitliet over het militair gezag. Als gevolg daarvan is betrokkene enkele malen aangehouden en is zijn drukpers in beslag genomen.
Nadat haar echtgenoot weer eens was aangehouden, heeft de getuige op de Brigade van de Militaire Politie, gesproken met de persoon van de verdachte, die haar voorhield dat zij haar echtgenoot moest tegenhouden, omdat hij – de verdachte – hem anders zou doodschieten. Desgevraagd ontkent de verdachte zulks een uitlating ooit gedaan te hebben.
Desgevraagd stelt de verdachte de getuige niet te kennen, en niet te weten wat voor reden zij zou hebben om hem te bezwaren. De verdachte stelt dat hij indertijd wel gesprekken heeft gevoerd met dhr. Behr, en hem heeft geadviseerd “betere dingen te doen”. Volgens zeggen van de verdachte, waren hij en dhr. Behr zelfs een beetje bevriend.
Blijkens het voorgelezene heeft de getuige tevens verklaard van ooggetuige te hebben vernomen dat de persoon van de verdachte leiding gaf aan degenen die haar echtgenoot op of omstreeks 8 december 1982 hebben opgehaald. Desgevraagd ontkent de verdachte zulks te hebben gedaan, noch kan hij zich herinneren daar opdracht toe te hebben gegeven.
Blijkens het voorgelezen heeft de getuige verder verklaard over de omstandigheden bij het ophalen van haar toenmalige echtgenoot uit de echtelijke woning, de wijze op welke zij naderhand te weten kwam dat hij om het leven was gekomen, de omstandigheden bij het mortuarium bij de identificatie van het stoffelijk overschot van haar echtgenoot, alsook de staat waarin dat stoffelijk overschot verkeerde.
De getuige R. C.
De getuige was ten tijde van 8 december 1982 militair, en lijwacht van de toenmalige legerfunctionaris Roy Horb, thans wijlen. De getuige heeft gedurende het Gerechtelijk Vooronderzoek een verklaring afgelegd, welke thans ter terechtzitting wordt voorgelezen. Blijkens het voorgelezene heeft de getuige o.a. verklaard over de omstandigheden in het Fort Zeelandia op of omstreeks 8 december 1982, toen hij dhr. Horb daarnaar toe vergezelde.
De getuige heeft o.a. verhaald van personen die hij toen heeft waargenomen, en het gegeven dat hij gewapende militairen schoten heeft zien afvuren op 3 personen. Volgens de toen afgelegde verklaring, heeft de getuige tijdens zijn aanwezigheid in het Fort, de persoon van de verdachte aldaar waargenomen.
Desgevraagd stelt de verdachte dat het mogelijk is dat de getuige hem toen heeft gezien, omdat zijn werkplek op het Fort was. Echter heeft hij datgene wat de getuige blijkens zijn verklaring heeft waargenomen, zelf niet ondervonden. Aan de verdachte worden door zowel de Auditeur Militair als de Krijgsraad, vragen gesteld over de exacte locatie van zijn werkplek op het complex dan wel binnen de muren van het Fort zelf.
De getuige heeft verder verklaard dat in het jaar 1983, dhr. Horb en zijn lijfwachten, waaronder de getuige zelf, zijn aangehouden en ingesloten in het cellenhuis van de Militaire Politie te Fort Zeelandia, in de wandelgangen bekend als “Devil”. De getuige heeft verder verklaard over de omstandigheden waaronder hij en de overige arrestanten aldaar waren ondergebracht; volgens zeggen van de getuige is hij meermalen mishandeld geworden en was de persoon van de verdachte daarbij steeds aanwezig.
Tevens heeft de getuige verhaalt van de omstandigheden rond het overlijden van dhr. Horb in detentie. De verdachte stelt desgevraagd dat in zijn aanwezigheid geen arrestanten zijn mishandeld, en dat hij zelf nimmer personen heeft mishandeld. De verdachte beschrijft in detail de locatie waarin de arrestanten werden opgehouden, alsook de omstandigheden waaronder toen de dood van dhr. Horb is geconstateerd.
Na voorlezing van de verklaring en de nadere toelichting van de verdachte, wordt hem voorgehouden dat hij het recht heeft getuigen a decharge op te geven. Hem wordt door de President uitgelegd dat hij binnen 2 weken na heden mag opgeven welke personen ontlastende verklaringen ten opzichte van zijn persoon zouden kunnen afleggen. Deze opgave moet schriftelijk worden gedaan aan de Krijgsraad, met kopieverlening naar het Openbaar Ministerie, zodat betrokken getuigen kunnen worden opgeroepen voor de zitting van 23 juli as.
De verdachte doet thans het verzoek aan de Krijgsraad dat hij vergoed dan wel voorgeschoten wordt ten aanzien van de onkosten welke hij maakt om ter terechtzitting te verschijnen. Volgens zeggen van de getuige verblijft hij namelijk te Broko Baka, alwaar hij werkzaam is op een concessie, en kost het vervoer naar de zittingslocatie hem een aanzienlijk geldsbedrag.
Desgevraagd geeft de verdachte aan dat hij nog in dienst is van het Nationaal Leger. In reactie hierop stelt de Auditeur Militair dat in de Strafvordering slechts is geregeld dat de getuige wordt vergoed ten aanzien van kosten welke die maakt om ter terechtzitting te verschijnen.
Indien een verdachte gedetineerd is, zijn de kosten om hem ter terechtzitting te krijgen voor de Staat, a contrario geredeneerd kan worden gesteld dat indien hij op vrije voeten is, hij de kosten voor vervoer naar de zitting zelf behoort te dragen. De zitting wordt kort geschorst, opdat de Krijgsraad zich omtrent het onderwerpelijke kan beraden.
Na hervatting van de zitting, stelt de president van de Krijgsraad dat het Wetboek van Strafvordering aangeeft dat getuigen in aanmerking komen voor schadeloosstelling in verband met de verplichting ter terechtzitting te verschijnen, doch dat de enige schadeloosstelling welke de wet een verdachte toekent, die is voor het ondergaan van hechtenis. Derhalve wordt het verzoek van de verdachte afgewezen, waarbij opgemerkt wordt dat het bij de Krijgsraad bekende adres van de verdachte niet is te Broko Baka.
Aangezien er verder niets meer op de rol staat, wordt de zitting omstreeks 16.50 uur gesloten
Mr. Marjory Sanches
Paramaribo, 18 juni 2010
Communiqué no. 36
Krijgsraadzitting 9 juni 2010 in het 8 December strafproces
Op woensdag 9 juni 2010 is het 8 december strafproces voortgezet in de stand waarin het geding was geschorst. Voor de zitting van 9 juni zijn 10 verdachten en 18 getuigen op de rol gebracht.
Het onderzoek tegen de verdachte D.B.
Omstreeks 10.00 uur wordt de zitting geopend, en de zaak van de verdachte D.B. afgeroepen. De verdachte is niet ter terechtzitting aanwezig, zijn raadsman is dat wel. Desgevraagd geeft de raadsman aan dat hij van anderen heeft begrepen dat zijn cliënt bezig is met zijn verkiezing tot President van de Republiek.
De getuige J.A.
Op de vorige zitting was de medebrenging van de getuige gelast, daar deze ondanks op de door de wet voorgeschreven wijze te zijn gedagvaard, niet ter terechtzitting was verschenen. De Plaatsvervangend Auditeur Militair houdt de Krijgsraad thans voor dat de medebrenging niet kon worden uitgevoerd, daar betrokkene geen vaste woon- of verblijfplaats heeft.
Op grond van verkregen informatie ten aanzien van plekken waar hij mogelijk aanwezig zou kunnen zijn, heeft de Militaire Politie tevergeefs verschillende inspanningen verricht om hem te achterhalen. Bij het Openbaar Ministerie bestaat de indruk dat deze getuige zich onbereikbaar maakt, en wordt derhalve gevraagd dat de verklaring die hij tijdens het Gerechtelijk Vooronderzoek heeft afgelegd, wordt voorgelezen.
Der raadsman stelt niet bereid te zijn hieraan mee te werken. Uit de verklaring welke de getuige heeft afgelegd blijkt dat deze tijdens zijn verhoor een aantal conclusies heeft getrokken. Tevens is het volgens de raadsman eerder gebleken dat getuigen tijdens het Gerechtelijk Vooronderzoek niet zijn gehoord op de wijze zoals is aangegeven in ambtsedige processen-verbaal.
Zo staat in verschillende verklaringen vermeld dat de getuigen in kwestie gehoord zijn door twee verbalisanten, terwijl de getuigen ter terechtzitting persisteren dat het verhoor door slechts 1 verbalisant is afgenomen. De raadsman vervolgt met te stellen dat hij zich niet kan indenken dat het Openbaar Ministerie met het apparaat dat zij ter beschikking heeft, niet in staat is een getuige op te sporen die zich op het grondgebied van Suriname bevindt.
De Plv. Auditeur Militair betoogt dat met betrekking tot de stelling van de raadsman dat de getuige in zijn verklaring conclusies trekt, de bewijswaardering niet gelegen is aan de vervolging of de verdediging, doch dat het gerecht op grond van de afgelegde verklaringen komt tot een al dan niet bewezenverklaring.
Ten aanzien van het achterhalen van de getuige, stelt de Plv. Auditeur Militair dat het Openbaar Ministerie niet heeft nagelaten zich inspanningen te getroosten om de getuige ter terechtzitting te krijgen. Het Openbaar Ministerie is van mening dat er niet onnodig lang verder hoeft te worden gezocht naar een getuige die zich onvindbaar maakt, nu de wet ook de mogelijkheid biedt tot het gebruiken van verklaringen van getuigen die zich onbereikbaar maken.
Blijkens het rapport van de deurwaarder welke thans ter terechtzitting wordt voorgelezen, heeft de Militaire Politie een bepaald adres aangedaan op zoek naar de verdachte. In reactie hierop stelt de raadsman dat het reeds bekend was dat betrokkene niet op dat adres aanwezig is. De raadsman persisteert dat - gezien de wijze op welke verklaringen tijdens het Gerechtelijk Vooronderzoek zijn afgenomen - hij het nodig acht dat betrokken getuige ter terechtzitting wordt gehoord.
Met betrekking tot het standpunt van het Openbaar Ministerie dat niet oneindig lang zou moeten worden gezocht naar de getuige, stelt de raadsman dat het bijkans 18 jaar heeft geduurd alvorens het Openbaar Ministerie een daad van vervolging heeft gesteld, en dat zulks niet eens op eigen initiatief is geschied.
Na de standpunten van zowel de vervolging als de verdediging gehoord te hebben, wordt de zitting kort geschorst opdat de Krijgsraad zich kan beraden.
Na hervatting van de zitting, stelt de President dat er tot nu toe 4 pogingen zijn ondernomen om de getuige te achterhalen. Betrokkene is ter terechtzitting gedagvaard op respectievelijk 15 februari, 19 maart, 13 mei, alsook is op de zitting van heden zijn medebrenging gelast, welke niet uitgevoerd kon worden. Deze getuige heeft gedurende het Gerechtelijk Vooronderzoek een verklaring bij de Rechter Commissaris afgelegd.
In casu is artikel 284, lid 1 van het Wetboek van strafvordering van toepassing. Dit artikel bepaalt onder andere dat indien een getuige ondanks een gegeven bevel tot medebrenging niet ter terechtzitting verschijnt, zijn tijdens het Gerechtelijk Vooronderzoek onder ede afgelegde verklaring - mits ter terechtzitting voorgelezen - als aldaar afgelegd zal worden beschouwd.
Op grond van het voorgaande zal de verklaring die de getuige tijdens het Gerechtelijk Vooronderzoek bij de Rechter Commissaris heeft afgelegd, ter terechtzitting worden voorgelezen.
Uit de verklaring welke thans wordt voorgelezen, blijkt o.a. dat de getuige ten tijde van 8 december 1982, lijfwacht was van de toenmalige militaire functionaris B.S., en in die hoedanigheid betrokken functionaris vergezelde naar vergaderingen. In het jaar 1986 is de getuige lijwacht geworden van de verdachte D.B., en is hij in het jaar 1990 uit het leger gedeserteerd.
Volgens de verklaring van de getuige is hij in de ochtend van 9 december 1982 met de persoon van B.S. naar het Fort Zeelandia getogen. De getuige heeft onder andere verklaard welke personen hij toen heeft waargenomen; tevens heeft hij aangegeven toen van boven komende schoten te hebben gehoord.
De getuigen A.H., mevr. R.C. dhr. R.C. en J.T.
In de zaak van deze verdachte zijn tevens de getuigen A. J., mevr. R.C., dhr. R.C. en J.T. opgebracht. De President stelt dat ten aanzien van deze getuigen die niet in Suriname woonachtig zijn, eerder was aangegeven dat zou worden nagegaan in hoeverre het mogelijk zou zij dat de Krijgsraad naar het buitenland zou afreizen om betrokkenen aldaar te horen.
Thans is men tot de bevinding gekomen dat het niet mogelijk is voor het gerecht om getuigen in een vreemde mogendheid te horen, weshalve besloten is de verklaringen welke deze getuigen tijdens het Gerechtelijk Vooronderzoek bij de Rechter Commissaris hebben afgelegd, ter terechtzitting voor te lezen.
De getuige A.H.
De President gaat er toe over de verklaring welke de getuige A.H. tijdens het Gerechtelijk Vooronderzoek heeft afgelegd voor te lezen. Uit het voorgelezene blijkt o.a. dat de getuige heeft verklaard dat hij kort na de staatsgreep in het jaar 1980, op verzoek van de toenmalige premier, dhr. Chin A Sen, thans wijlen, naar Suriname is teruggekeerd.
De getuige heeft verder verklaard over de rol welke hij na zijn terugkeer vervulde binnen het machtscentrum, alsook de toenemende invloed van de militairen. Volgens verklaring van de getuige was hij op gegeven moment adviseur van zowel de persoon van de verdachte D.B., de militaire functionaris Roy Horb, thans wijlen, alsook Cyril Daal, thans wijlen.
Volgens de getuige vernam hij enige weken voor 8 december 1982 dat er met een burgervliegtuig van de SLM, een lading wapens het land waren binnengebracht. Volgens de getuige, is hij tot tweemaal toe gewaarschuwd dat zich gewelddadigheden zouden voltrekken. De getuige verhaalt verder van de aanslag welke in de nacht van 6 op 7 november 1982 op hem is gepleegd, welke voor hem aanleiding was het land te verlaten.
Tevens blijkt dat de getuige heeft verklaard dat hij kort voor 8 december 1982, van iemand die aanwezig was op een receptie van de Ambassade van de Republiek Suriname in Nederland, vernomen had dat deze op die bijeenkomst had gehoord dat dhr. Daal zou worden gedood. Volgens de getuige pasten de gebeurtenissen van 8 december 1982 in de denktrant van de toenmalige premier van Grenada, Maurice Bishop en de linkse adviseurs van de verdachte D.B.
Volgens de getuige heeft hij van bepaalde personen vernomen dat de verdachte D.B. wel aanwezig was bij de executies op 8 december 1982. Van weer andere personen heeft hij vernomen dat D.B. er juist niet bij was.
Op gegeven moment wordt door de raadsman gesteld dat de verklaring niet vrijwillig is afgelegd door de getuige, waarbij uit de verklaring de zinsnede “ik zit hier niet vrijwillig” wordt geciteerd. In reactie op het voorgaande, stelt de Plv. Auditeur Militair dat aan die uitspraak van de getuige, niet de conclusie kan worden verbonden dat de verklaring niet uit vrije wil is afgelegd.
Tijdens het Gerechtelijk vooronderzoek kan een getuige zelfs worden medegebracht, hetwelk dus betekent dat hij er niet vrijwillig is, doch dat zulks niet inhoud dat er sprake is van een verklaring die niet uit vrije wil is afgelegd. De Plv. Auditeur Militair betoogt verder dat de verklaring onder ede is afgelegd, en de getuige daarbij heeft gepersisteerd.
De President stelt dat de Krijgsraad kennis heeft genomen van de standpunten van zowel de verdediging als de vervolging, en mogen deze tijdens het pleidooi weer worden voorgedragen.
De getuige mevr. R. C.
De getuige heeft tijdens het Gerechtelijk Vooronderzoek een verklaring bij de Rechter-Commissaris afgelegd in aanwezigheid van de vervolgingsambtenaar en de raadsman van de verdachte D.B. De toen afgelegde verklaring wordt thans voorgelezen. Blijkens het voorgelezene is door de getuige verklaard dat zij ten tijde van 8 december 1982, een relatie onderhield met de persoon van de verdachte D.B.
Volgens verklaring van de getuige heeft de persoon van de verdachte zich op de avond van 8 december 1982 bij haar gevoegd in de woning van vrienden alwaar zij toen verbleef. De getuige verklaart van hetgeen zich in die tijdspanne heeft voorgedaan, alsook over de gemoedstoestand van de persoon van de verdachte.
De getuige heeft ook verklaard over gesprekken welke naderhand zijn gevoerd tussen haar en de persoon van de verdachte omtrent hetgeen zich had voorgedaan op of omstreeks 8 december 1982. Volgens zeggen van de getuige heeft de verdachte haar nimmer aangegeven wie degenen zijn die toen personen om het leven hebben gebracht, en heeft de getuige hem dit ook nooit gevraagd.
De getuige dhr. R.C.
Deze getuige heeft tijdens het Gerechtelijk Vooronderzoek een verklaring afgelegd, welke thans ter terechtzitting wordt voorgelezen. Deze getuige was ten tijde van 8 december 1982, lijfwacht van de toenmalige legerfunctionaris Roy Horb, thans wijlen.
Blijkens het voorgelezene heeft de getuige o.a. verklaard dat hij en anderen dhr. Horb op die datum hebben vergezeld naar het Fort Zeelandia, omdat volgens zeggen van laatstgenoemde, hij zich bij de persoon van de verdachte moest melden. In het Fort heeft de verdachte verschillende leden van de zogeheten “groep van zestien” waargenomen.
De verdachte heeft tevens verklaard dat hij in het Fort de persoon van de toenmalige legerfunctionaris Paul Bhagwandas, thans wijlen en anderen schoten heeft zien afvuren op een drietal personen die zich op een platform bevonden. Enige tijd nadat dhr. Horb zich bij de persoon van de verdachte D.B. had gemeld, kwam hij uit diens werkruimte tevoorschijn, waarbij hij in vulgair taalgebruik zijn misnoegen over betrokkene uitte.
Volgens verklaring van de getuige heeft dhr. Horb in zijn aanwezigheid Jozef Slagveer, die een van de personen is die op of omstreeks 8 december 1982 om het leven is gekomen, verhoord in het Fort; gedurende dat verhoor heeft de getuige geen opname apparatuur waargenomen. Volgens de getuige is hij een van de personen geweest die Fred Derby, thans wijlen, vanuit het Fort naar diens woning heeft teruggebracht.
De getuige J. T.
Deze getuige heeft tijdens het Gerechtelijk Vooronderzoek een verklaring afgelegd bij de Rechter-Commissaris, welke thans wordt voorgelezen. Deze getuige woonde samen met Cyrill Daal, die een van de personen is die op of omstreeks 8 december 1982 om het leven is gekomen. Blijkens het voorgelezene, heeft de getuige verklaard dat dhr. Daal in de ochtend van 8 december 1982 thuis is opgehaald door militairen die het huis hadden omsingeld.
Volgens zeggen van de getuige had de toenmalige legerfunctionaris Roy Horb, thans wijlen, dhr. Daal eerder gewaarschuwd en gezegd dat hij weg moest gaan. De getuige heeft verder verklaard over de omstandigheden in het mortuarium bij de identificatie van het stoffelijk overschot van dhr. Daal, en de verwondingen welke toen door haar zijn waargenomen in diens gelaat.
Na voorlezing van de verklaringen van de op de rol gebrachte getuigen, stelt de Plv. Auditeur-Militair desgevraagd dat het Openbaar Ministerie geen andere getuigen wenst op te roepen tegen de verdachte D.B. Het Openbaar Ministerie vraagt dat ten aanzien van deze en andere verdachten, te zijner tijd een plaatselijke schouw wordt gehouden in het Fort Zeelandia.[1]
De President van de Krijgsraad stelt dat op 7 april jl. een brief van de raadsman is ontvangen, in welke deze stelt 26 personen als getuigen te willen doen dagvaarden ter terechtzitting. Twintig van die personen zijn in Suriname aanwezig dan wel woonachtig, 6 zijn in het buitenland woonachtig.
Ten aanzien van 5 van de in Nederland woonachtige getuigen ontbreekt het adres, en wordt gesteld dat het aan de verdediging is om de adressen te achterhalen. De President vraagt de raadsman om in het kort de relevantie van al de te horen personen te willen aangeven.
Ten aanzien van 13 van de opgebrachte personen die in Suriname woonachtig zijn, wordt aangegeven dat de relevantie gelegen is in het gegeven dat de verdachte D.B. ten laste is gelegd dat hij strafbare feiten zou hebben gepleegd tezamen en in vereniging met betrokken personen.
Ten aanzien van de overige personen wordt o.a. met betrekking tot de persoon van dhr. D. aangegeven dat betrokkene indertijd aan de Rechter-Commissaris verklaard heeft een onderzoek te hebben gepleegd naar de gebeurtenissen van 8 december 1982, van welke stukken indertijd door de directeur van een bank is aangegeven dat deze ter bewaring in ontvangst zijn genomen. Echter zijn deze stukken thans niet te achterhalen.
Ten aanzien van de persoon van S.P. wordt gesteld dat betrokkene, die thans het ambt van Procureur-Generaal bekleed, in het jaar 1983 op voordracht van het Militair Gezag tot Minister van Justitie en Politie is benoemd, en dat de verdediging wenst te weten wat de beweegredenen waren van betrokkene om dat ambt te aanvaarden, en waarom hij toen geen onderzoek heeft ingesteld.
Tevens wordt gesteld dat bij de beklagprocedure welke in het jaar 2000 door nabestaanden aanhangig is gemaakt, het Hof van Justitie het Openbaar Ministerie heeft opgedragen verslag te doen, doch dat zulks nooit is gedaan, en de verdediging de reden van dit nalaten wenst te achterhalen.
Ten aanzien van de persoon van S.G. die enige jaren geleden het ambt van minister van Justitie en Politie bekleedde, wordt gesteld dat betrokkene dhr. Derby kort na 8 december 1982 heeft vergezeld naar een overleg welke laatstgenoemde had met de verdachte D.B.
Ten aanzien van de persoon van dhr. K. wordt gesteld dat betrokkene ambtenaar van politie is die tijdens het Gerechtelijk Vooronderzoek belast was met de uitreiking van gerechtelijke stukken, en dat op een aantal van die stukken die op verschillende locaties zijn uitgereikt, hetzelfde tijdstip van uitreiking staat vermeld. Aangezien voor het stuiten van de verjaring van strafbare feiten het van belang is dat zaken op de volgens de wet voorgeschreven wijze zijn geschied, wenst de verdediging betrokken ambtenaar te horen.
Ten aanzien van de persoon van A.R. die als Rechter-Commissaris de leiding heeft gehad over het Gerechtelijk Vooronderzoek, wenst de verdediging betrokkene te vragen als dit volgens hem een Gerechtelijk Vooronderzoek was, en waarom hij personen toen niet met elkaar heeft geconfronteerd.
Tevens wenst de verdediging betrokkene te vragen als hij inderdaad zoals staat aangegeven in verklaringen, de vorderingen tot instelling van het Gerechtelijk Vooronderzoek heeft uitgereikt; waarbij de vraag wordt opgeworpen welke bevoegdheid de Rechter-Commissaris had tot het uitreiken van vorderingen.
Ten aanzien van de persoon van dhr. V. stelt de raadsman dat betrokkene in de hoedanigheid van Districts-Commissaris akten van uitreiking in ontvangst heeft genomen van de politie ambtenaar K. De verdediging wenst na te gaan welke stukken door dhr. V. zijn ontvangen.
Ten aanzien van de relevantie van het doen oproepen van de in Nederland woonachtige personen, wordt gesteld dat de persoon van dhr. H. een van de medeverdachten is van de verdachte D.B. is; ten aanzien van de persoon van H. V. wordt gesteld dat een getuige had verklaard dat hetgeen zich op 8 december 1982 had voorgedaan niet zou zijn geschied als H.V. aanwezig was geweest.
Ten aanzien van de persoon van M.V. is gesteld dat die indertijd als ambassadeur van het Koninkrijk der Nederlanden in Suriname was gestationeerd; met betrekking tot de persoon van dhr. K., wordt gesteld dat die een rapport heeft uitgebracht over der rol van de persoon van H.V. in het jaar 1980, en wil de verdediging de verklaringen van betrokkenen met elkaar vergelijken.
Ten aanzien van de persoon van dhr. T. wordt gesteld dat die de persoon van M.V, indertijd heeft opgevolgd als Ambassadeur van het Koninkrijk der Nederlanden. Ten aanzien van de persoon van dhr. P. H., wordt gesteld dat de verdediging betrokkene wenst te horen ten aanzien van zijn rol bij gewelddadigheden welke voorbereid zouden zijn.
Desgevraagd stelt de Plv. Auditeur Militair behoefte te hebben aan enige voorbereidingstijd alvorens te reageren op de motiveringen welke door de verdediging zijn opgegeven voor het willen doen horen van de vorengenoemde personen. Echter wordt ten aanzien van de persoon van S.P. gesteld dat deze in het jaar 1985 de functie van Minister van Justitie en Politie aanvaarde, en dat het Openbaar Ministerie niet vermag in te zien wat het aanvaarden van die functie te maken had met de gebeurtenissen van 8 december 1982.
Ten aanzien van de persoon van A. R. die als Rechter-Commissaris de leiding had over het Gerechtelijk Vooronderzoek, wordt gesteld dat betrokkene zijn werk heeft gedaan, het Gerechtelijk Vooronderzoek thans is afgesloten, weshalve het Openbaar Ministerie niet inziet om wat voor reden betrokkene ter plekke zou moeten komen verklaren als er al dan niet sprake is geweest van een Gerechtelijk Vooronderzoek.
Op de stelling van de raadsman dat de verdediging de bevoegdheid heeft tot het doen oproepen van getuigen, en dat zulks niet gemotiveerd behoeft te worden, houdt de President betrokkene voor dat hoewel de verdediging bevoegd is tot het opgeven van getuigen, het tot het beleid van de rechter behoort om te beslissen als die al dan niet worden toegelaten. Aan het Openbaar Ministerie wordt aangegeven dat zij voor 23 juni as. schriftelijk dient te reageren op de gedane voordrachten, met kopieverlening aan de verdediging, waarna op de zitting van 23 juni tot conclusie kan worden overgegaan.
Het onderzoek tegen de verdachte D.B. wordt uitgesteld naar woensdag 23 juni as.
Het onderzoek tegen de verdachte E.B.
De verdachte en zijn raadslieden zijn ter terechtzitting aanwezig. In de zaak van deze verdachte is de persoon van J.T. op de rol gebracht als getuige. Deze persoon was ook als getuige opgebracht in de zaak van de vorige verdachte die eerder vandaag ter terechtzitting is behandeld.
De raadslieden hebben geen bezwaar tegen voorlezing van de verklaring welke de getuige tijdens het Gerechtelijk Vooronderzoek heeft afgelegd, en alzo geschied. De verdediging wenst geen getuigen op te roepen, waarop de President de zaak tegen de verdachte uitstelt tot een nader te bepalen datum, waarop betrokken verdachte zal worden gehoord.
Het onderzoek tegen de verdachte A.G.
De verdachte en zijn raadsman zijn beiden ter terechtzitting aanwezig. In de zaak van deze verdachte is 1 getuige op de rol gebracht.
De getuige dhr. R. C.
De getuige R. C. was tevens opgebracht in de zaak van de verdachte D.B. die eerder op de dag is behandeld. Ook in deze zaak wordt overgegaan tot voorlezing van de verklaring welke de getuige gedurende het Gerechtelijk Vooronderzoek heeft afgelegd. Blijkens het voorgelezene heeft de getuige o.a. verklaard de verdachte op of omstreeks 8 december te hebben waargenomen in het Fort Zeelandia, op het moment dat schoten te horen waren.
Volgens de verklaring van de getuige bootste de verdachte toen het geluid van de schoten toen na. Desgevraagd stelt de verdachte dat hij nimmer ontkend heeft aanwezig te zijn geweest in het Fort Zeelandia alwaar de Echo Compagnie over welke hij toen de leiding had, gehuisvest was, doch dat voor zover hij zich dat kan herinneren, hij het Fort reeds had verlaten toen de negatieve gebeurtenissen zich voordeden.
Desgevraagd stelt de Plv. Auditeur Militair dat het Openbaar Ministerie in de zaak van deze verdachte geen andere getuigen wenst op te roepen. De verdediging overweeg een getuige deskundige die zich in het buitenland bevind op te doen roepen, doch is deze pas medio juli bereikbaar. Desondanks wordt aangegeven dat de verdediging voor 23 juni as. schriftelijk de bijzonderheden betreffende deze getuige aangeeft.
Het onderzoek tegen de verdachte R. E.
De verdachte is niet ter terechtzitting aanwezig. Zijn raadsman is wel ter terechtzitting, maar is op dit moment niet in de zittingsaal aanwezig, en is niet bekend op welke plek hij zich bevindt, weshalve door de Krijgsraad wordt beslist dat zal worden overgegaan tot de behandeling van de volgende zaak.
Het onderzoek tegen de verdachte J.N.
De verdachte die niet wordt bijgestaan door een raadsman, is niet ter terechtzitting aanwezig. Tegen deze verdachte is eerder verstek verleend, en wordt het onderzoek buiten zijn aanwezigheid voortgezet.
Het verhoor van de getuige O.F.
In de zaak van deze verdachte is 1 getuige op de rol gebracht. De getuige is ter terechtzitting aanwezig, en wordt na opgave van de personalia onder ede gesteld. De getuige is tijdens het Gerechtelijk Vooronderzoek gehoord geworden, en hem worden de toen afgelegde verklaringen voorgelegd ter verificatie van de handtekening.
De getuige worden delen van die toen afgelegde verklaring voorgehouden, echter komt betrokkene ter terechtzitting terug op verschillende zaken die hij had verklaard. Onder andere had de getuige indertijd verklaard dat hij de persoon van de verdachte op 8 december 1982 in het Fort had gezien; thans beweert de getuige dat hij betrokkene toen niet heeft gezien. Desgevraagd stelt de getuige wel bereid te zijn ter plekke aanwijzingen te geven.
De getuige dhr. R.C.
De getuige die in Nederland woonachtig is, heeft gedurende het Gerechtelijk Vooronderzoek een verklaring afgelegd, welke thans ter terechtzitting wordt voorgelezen. Deze getuigen was ten tijde van 8 december 1982, lijfwacht van de toenmalige legerfunctionaris Roy Horb, thans wijlen.
Blijkens het voorgelezene heeft de getuige o.a. verklaard dat hij en anderen dhr. Horb op die datum hebben vergezeld naar het Fort Zeelandia, op welke locatie de getuige verschillende leden van de zogeheten “groep van zestien” heeft waargenomen.
De getuige O.H.
De getuige die in Nederland woonachtig is, heeft gedurende het Gerechtelijk Vooronderzoek een verklaring afgelegd, welke thans ter terechtzitting wordt voorgelezen. Deze getuige is de dochter van Eddy Hoost, die een van de personen is die op of omstreeks 8 december 1982 om het leven is gekomen.
Blijkens het voorgelezene, heeft de getuige indertijd verklaard dat in de nacht van 7 op 8 december 1982, op de deur van de ouderlijke woning werd gebonsd, en een manspersoon die zich bekend maakte als te zijn de persoon van de verdachte N., aangaf dat de bevelhebber haar vader nodig had. Haar vader is die avond door 3 gewapende militairen weggevoerd.
Na voorlezing van de verklaring stelt de Plv. Auditeur Militair dat in de verklaring tevens melding wordt gemaakt van het gegeven dat de getuige foto’s zijn getoond; bij het tonen van de foto van de persoon van de verdachte, was door de getuige aangegeven dat deze gelijkt op een van de mannen die haar vader opgehaald hadden, echter was de man op de foto toen donkerder van kleur.
De Plv. Auditeur Militair stelt geen andere getuigen te willen doen willen oproepen in de zaak van deze verdachte. Gevraagd wordt dat alvorens verder wordt gegaan met de zaak, er een plaatselijke schouw plaatsvindt in deze en andere zaken. De Krijgsraad zal zich over dit verzoek beraden.
Voortzetting van het onderzoek tegen de verdachte R. E.
Toen de zaak van de verdachte eerder op de dag werd afgeroepen, was diens raadsman niet aanwezig in de zittingszaal. Thans is betrokkene wel ter plekke, en wordt het onderzoek voortgezet. In de zaak van deze verdachte is 1 getuige op de rol gebracht
De getuige H.S.
De getuige is niet ter terechtzitting aanwezig. Blijkens het rapport van de deurwaarder is betrokkene reeds twee maanden in een ziekeninrichting is opgenomen, doch wordt hij binnenkort daaruit ontslagen.
Volgens de behandelend medicus laat de fysieke toestand van de getuige het toe dat hij voor de periode van een uur wordt gehoord, mits daar geen lange wachttijd aan vooraf gaat. Getracht is geworden de getuige te dagvaarden, echter heeft hij aangegeven niet in staat te zijn te verschijnen.
De Plv. Auditeur Militair stelt dat de gezondheid van de getuige thans dusdanig is dat hij niet in staat is ter terechtzitting te verschijnen, doch dat de behandelend medicus heeft aangegeven dat er een geleidelijke verbetering kan optreden, weshalve er nog een poging zal worden ondernomen betrokkene ter terechtzitting te horen.
Indien dat niet lukt, zal worden nagegaan op welke wijze hij getuigenis kan afleggen. De raadsman stelt zich ten aanzien van het onderwerpelijke te refereren aan het oordeel van de Krijgsraad, en wordt beslist dat de getuige nogmaals zal worden gedagvaard voor de zitting van 23 juni a.s. om 13.00 uur, waarbij hij als eerste getuige voor de duur van maximaal een uur gehoord zal worden.
Het onderzoek tegen de verdachte L. A.
De verdachte is niet ter terechtzitting aanwezig, zijn raadsman is dat wel. In de zaak van deze verdachte zijn 2 getuigen op de rol gebracht, die beiden in het buitenland woonachtig zijn.
De getuige J.A.
Op de vraag van de President van de Krijgsraad aan de raadsman als hij akkoord gaat met voorlezing van de verklaringen welke de getuigen gedurende het Gerechtelijk Vooronderzoek hebben afgelegd, stelt betrokkene dat zijn protest ten aanzien van de getuige J.A. noch steeds geldt.
Deze getuige was reeds opgebracht in de zaak van de verdachte D.B. wiens zaak eerder op de dag is behandeld. In die zaak was de medebrenging van de getuige gelast. Vanwege het feit dat hij niet achterhaald kon worden, is toen zijn tijdens het Gerechtelijk Vooronderzoek afgelegde verklaring, voorgelezen.
De raadsman persisteert dat het Openbaar Ministerie in staat zou moeten zijn de getuige te achterhalen, en houdt de Krijgsraad voor dat in de zaak van de verdachte L.A., geen medebrenging van de getuige is gelast. De Plv. Auditeur Militair stelt hierop dat in een andere zaak wel medebrenging van betrokkene is gelast, doch dat is gebleken dat zulks niet kan worden uitgevoerd, daar de getuige ervoor zorgt dat hij niet wordt aangetroffen.
Ook al zou in deze zaak medebrenging van deze getuige worden bevolen, kan volgens de Plv. Auditeur Militair met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid worden gesteld dat hij niet zal kunnen worden achterhaald. Echter zal het Openbaar Ministerie zich refereren aan het oordeel van de Krijgsraad. De President stelt dat de getuige correct is gedagvaard, weshalve zijn medebenging wordt gelast op de zitting van 23 juni as.
De getuige mevr. R. C.
De getuige R. C. was tevens opgebracht in de zaak van de verdachte D.B. die eerder op de dag is behandeld. Ook in deze zaak wordt overgegaan tot voorlezing van de verklaring welke de getuige gedurende het Gerechtelijk Vooronderzoek heeft afgelegd.
De raadsman stelt dat ten aanzien van de daarnet voorgelezen verklaring, de persoon van R. C. gedurende het Gerechtelijk Vooronderzoek als getuige gehoord is geworden in de zaak van de verdachte D.B. Hoewel de getuige in haar toen afgelegde verklaring ook de naam heeft genoemd van de verdachte L.A., kan volgens de raadsman die verklaring niet als voorgelezen worden beschouwd in de zaak van laatstgenoemde verdachte.
De Plv. Auditeur Militair stelt hierop dat de verklaring van de getuige onder ede is afgelegd, en dat het Openbaar Ministerie niet vermag in te zien waarom deze niet zou mogen worden gebruikt in de zaak van deze verdachte. De zitting wordt kort geschorst, opdat de krijgsraad zich omtrent het onderwerpelijke kan beraden.
Na hervatting van de zitting stelt de President van de Krijgsraad dat het betoog van de raadsman zou opgaan indien er sprake zou zijn van zaken waartussen geen verband zou bestaan. Op het voorblad van het door de Rechter-Commissaris afgenomen verhoor, staat echter aangegeven dat de persoon van R. C. is verschenen om gehoord te worden in de strafzaak tegen de verdachte D.B. cum suis.
De President stelt dat de woorden: “cum suis” staan voor: “en de zijnen” ; er is derhalve een verband tussen de zaken van de hoofdverdachte en de medeverdachten. Op grond van het voorgaande wordt het bezwaar van de raadsman verworpen, en wordt gevraagd dat hij voor 23 juni as. opgave doet van de getuigen welke de verdediging wenst te doen oproepen.
Het onderzoek tegen de verdachte S.D.
De verdachte alsook zijn raadsvrouwe zijn ter terechtzitting aanwezig. In de zaak van deze verdachte is 1 getuige op de rol gebracht.
De getuige J.A.
Deze getuige is in de zaken van meerdere verdachten welke heden zijn behandeld op de rol gebracht. Betrokkene is ook in deze zaak correct gedagvaard, doch niet ter terechtzitting aanwezig. De Plv. Auditeur Militair vraagt dat akte van niet-verschijning wordt verleend, en de medebrenging van de getuige wordt gelast, hetwelk geschied voor de zitting van 23 juni.
Door de Plv. Auditeur Militair wordt gesteld dat het Openbaar Ministerie geen additionele getuigen wenst op te roepen in de zaak van deze getuige. De raadsvrouwe stelt dat de verdediging een in het buitenland woonachtige getuige deskundige wenst te horen, alsook 2 andere getuigen die in een naburig buitenland verblijven, van welke men doende is het adres te achterhalen.
De verdediging zal voor 23 juni opgave doen aan de Krijgsraad betreffende de identiteit van de getuigen. Het onderzoek tegen de verdachte wordt uitgesteld naar 23 juni as.
Het onderzoek tegen de verdachte I.K.
De verdachte alsook zijn raadsman zijn ter terechtzitting aanwezig. In de zaak van deze verdachte zijn 3 getuigen opgebracht.
De getuige mevr. R.C.
Deze in het buitenland woonachtige getuige heeft gedurende het Gerechtelijk vooronderzoek een verklaring afgelegd. De raadsman stelt dat hoewel hij aanwezig was bij het verhoor van deze getuige, hij daar was uitsluitend in hoedanigheid van raadsman van de verdachte D.B.
In de zaak van de verdachte L.A. die eerder vandaag ter terechtzitting is behandeld, is door de Krijgsraad beslist dat aangezien de woorden “cum suis”, staan vermeld op het voorblad van door de Rechter-Commissaris afgenomen verklaringen, deze verklaringen in de zaken van alle verdachten mogen worden gebruik.
De raadsman stelt thans dat hij het rechtshulpverzoek dat de grondslag is geweest voor het afnemen van verklaringen van getuigen in het buitenland wenst te aanschouwen, om zich ervan te vergewissen dat dit rechtshulpverzoek ook gericht is tegen de verdachte I.K. De President beslist dat het Openbaar Ministerie het rechtshulpverzoek voor 23 juni a.s. zal overleggen.
De getuige J.R.
De raadsman stelt dat deze getuige die in het buitenland woonachtig is, enige tijd geleden ter terechtzitting is gehoord in de zaak van een andere verdachte. Echter is de verdachte I.K. toen niet ter terechtzitting opgeroepen zodat de getuige ook in zijn zaak gehoord kon worden.
De Plv. Auditeur Militair stelt hierop dat reeds eerder was gesteld dat de verdachte I.K. inderdaad niet gedagvaard was toen de getuige hier te lande was, doch dat zulks heeft gelegen aan het gegeven dat bij het Openbaar Ministerie de indruk bestond dat de verdachte enige tijd net beschikbaar zou zijn. Het Openbaar Ministerie wenst echter alsnog gebruik te maken van de verklaring afgelegd door de getuige, desnoods van die welke zij gedurende het Gerechtelijk Vooronderzoek heeft afgelegd.
De getuige J.A.
Deze getuige is in de zaken van meerdere verdachten welke heden zijn behandeld op de rol gebracht. Hoewel betrokkene ook in de zaak van deze getuige correct is gedagvaard, is hij niet ter terechtzitting aanwezig. Betrokkene is correct gedagvaard, weshalve akte van niet-verschijning wordt verleend, en zijn medebrenging op de zitting van 23 juni wordt gelast. Het onderzoek tegen de verdachte wordt uitgesteld naar die datum.
Het onderzoek tegen de verdachte I.D.
De verdachte zowel zijn raadsman zijn ter terechtzitting aanwezig. In de zaak van deze verdachte is 1 getuige op de rol gebracht.
De getuige dhr. R.C.
De getuige R. C. was tevens opgebracht in de zaak van de verdachte D.B. die eerder op de dag is behandeld. Ook in deze zaak wordt overgegaan tot voorlezing van de verklaring welke de getuige gedurende het Gerechtelijk Vooronderzoek heeft afgelegd.
Betrokkene, die op 8 december 1982 lijfwacht was van dhr. Horb, heeft o.a. verklaard de persoon van de verdachte van een foto te hebben herkend als te zijn een van de personen die op 8 december 1982 de leiding had in het Fort.
Na voorlezing van de verklaring, stelt de raadsman dat deze getuige heeft verklaard dat hij dhr. Derby toen vanuit het Fort naar diens woning heeft teruggebracht, terwijl dhr. Derby niet de naam van deze persoon heeft genoemd als te zijn een van de personen die hem naar huis heeft gebracht.
Aan de raadsman wordt aangegeven dat hij de namen van eventuele getuigen a decharge voor 23 juni as. dient op te geven.
Het onderzoek tegen de verdachte B.B.
De verdachte alsook zijn raadsman zijn ter terechtzitting aanwezig. De Plv. Auditeur Militair stelt dat het Openbaar Ministerie in deze zaak nog 1 getuige wenst te doen oproepen. Aangezien de verdediging geen getuigen wenst te doen oproepen, wordt aangegeven dat de getuige van het Openbaar Ministerie voor de zitting van 23 juni wordt gedagvaard, en wordt de verdachte voorgehouden zich voor te bereiden op het verdachtenverhoor.
Aangezien er niets meer op de rol staat, wordt de zitting omstreeks 16.15 uur gesloten.
Mr. Marjory Sanches
Woordvoerder 8 decemberstrafproces
Paramaribo, 4 juni 2010
Communiqué no. 35
Krijgsraadzitting 13 mei 2010 in het 8 December strafproces
Op donderdag 13 mei 2010 is het 8 december strafproces voortgezet in de stand waarin het geding was geschorst. Voor de zitting van 13 mei zijn 5 verdachten en 15 getuigen op de rol gebracht.
Het onderzoek tegen de verdachte D.B.
Omstreeks 09.45 uur wordt de zitting geopend, en de zaak van de verdachte D.B. afgeroepen. De verdachte noch zijn raadsman zijn ter terechtzitting aanwezig, echter wordt de raadsman waargenomen door een kantoorgenoot, die desgevraagd aangeeft geen bericht te hebben ontvangen van de cliënt betreffende diens afwezigheid.
Het verhoor van de getuige S.D.
De getuige is ter terechtzitting aanwezig, en wordt na opgave van de personalia onder ede gesteld. Deze getuige is de dochter van Fred Derby, thans wijlen. Dhr. Derby is een van de personen die op of omstreeks 8 december 1982 opgehouden is in het Fort Zeelandia. De getuige is tijdens het Gerechtelijk Vooronderzoek gehoord geworden, en haar worden de toen afgelegde verklaringen voorgelegd ter verificatie van de handtekening.
De getuige verhaalt onder andere van de omstandigheden bij de toenmalige ouderlijke woning in de late avond van 7 december 1982 bij het wegvoeren van haar vader door gewapende mannen. Volgens zeggen van de getuige heeft één van die mannen daarbij aangegeven dat de Bevelhebber haar vader nodig had. Volgens zeggen van de getuige werd op gegeven moment door één van de andere ter plekke gearriveerde mannen, de telefoonkabel doorgesneden.
De getuige verhaalt tevens van de omstandigheden in de woning na het wegvoeren van haar vader, toen het gezin onder bewaking van een gewapende man achterbleef. Eveneens verhaalt de getuige over de omstandigheden bij de terugkeer van haar vader in de ouderlijke woning de dag na zijn wegvoering; de personen die tijdens zijn afwezigheid en na zijn terugkeer aan huis zijn geweest, alsook de uitlatingen die door betrokkenen zijn gedaan ten aanzien van de toenmalige situatie.
Volgens zeggen van de getuige heeft haar vader wanneer hem werd gevraagd over hetgeen hij had meegemaakt in het Fort Zeelandia op of omstreeks 8 december 1982, steeds aangegeven dat zijn ervaringen te gruwelijk waren om zijn gezin daarmee te belasten. Aan deze getuige worden vragen gesteld door de Krijgsraad, de Plaatsvervangend Auditeur Militair en de raadsvrouwe. Na afronding van het verhoor stelt de getuige met de getuigenis te hebben voldaan aan haar plicht, en te hopen dat zulks bij zal dragen tot de waarheidsvinding.
Het verhoor van de getuige V.D.-D.
De getuige is ter terechtzitting aanwezig, en wordt na opgave van de personalia onder ede gesteld. Ook deze getuige is een dochter van Fred Derby, thans wijlen. De getuige is tijdens het Gerechtelijk Vooronderzoek gehoord geworden, en haar worden de toen afgelegde verklaringen voorgelegd ter verificatie van de handtekening. De getuige geeft aan dat zij ten tijde van 8 december 1982 tijdelijk in Nederland vertoefde bij familie, en dat haar vader kort na die datum zich bij hun voegde.
Volgens zeggen van de getuige, heeft haar vader indertijd verteld over zijn ervaringen op of omstreeks 8 december 1982 toen hij door gewapende mannen uit zijn woning werd weggevoerd en werd opgehouden in het Fort Zeelandia. Volgens zeggen van de getuige heeft haar vader onder andere verhaald over de gedragingen van andere personen die daar eveneens waren opgehouden, en de omstandigheden waaronder zij toen verkeerden.
De getuige verklaart dat haar vader heeft aangegeven dat hij in het Fort Zeelandia geleid is geworden voor de persoon van de verdachte D.B., en dat tussen laatstgenoemde en de toenmalige legerfunctionaris Paul Bhagwandas, thans wijlen, discussie ontstond over het al dan niet in leven laten van haar vader. Dhr. Bhagwandas uitte de mening dat haar vader moest sterven, terwijl de verdachte D.B. persisteerde dat zulks niet moest gebeuren.
Volgens de getuige heeft haar vader echter kort voor het overlijden van dhr. Bhagwandas een gesprek gehad met betrokkene, waarbij deze had verklaard dat hetgeen zich indertijd had voorgedaan tussen hemzelf en de verdachte D.B. een scenario was geweest, en dat hij – dhr. Bhagwandas – moest doorgaan voor boeman.
De getuige J.A.
De getuige is niet aanwezig ter terechtzitting. Het betreft in deze een persoon naar wie het Openbaar Ministerie reeds geruime tijd op zoek is, maar van wie de verblijfplaats nochtans niet achterhaald is geworden. De President van de Krijgsraad stelt dat naar aanleiding van haar beslissing op de zitting van 16 april jl., betrokken getuige in het openbaar is gedagvaard op de wijze voorgeschreven door artikel 517, lid 3 van het Wetboek van Strafvordering, waarbij de dagvaarding voor betrokkene is afgegeven aan de District-Commissaris.
Daarnaast is, ingevolge artikel 517, lid 2 van het Wetboek van Strafvordering, de dagvaarding uitgereikt aan de Griffier van de Krijgsraad, die zorg zal dragen voor aanplakking hiervan.[1] De. Plv. Auditeur Militair, in de gelegenheid gesteld te reageren, stelt dat de getuige thans op de door de wet voorgeschreven is gedagvaard.
Daar het bekend is dat betrokkene zich in Suriname bevindt, wordt gevraagd dat zijn medebrenging wordt gelast. De zitting wordt kort geschorst, opdat de Krijgsraad zich kan beraden omtrent het verzoek van het Openbaar Ministerie. Na hervatting van de zitting, verleent de Krijgsraad akte van niet-verschijning, en wordt de medebrenging van de getuige op de volgende zitting gelast. Het onderzoek tegen de verdachte wordt uitgesteld naar woensdag 9 juni om 09.30 uur.
Het onderzoek tegen de verdachte R. E.
De verdachte is niet ter terechtzitting aanwezig. De raadsvrouwe die wel aanwezig is, geeft aan dat zij waarneemt voor haar kantoorgenoot die als raadsman voor de verdachte optreedt. De raadsvrouwe stelt dat betrokken raadsman een schrijven heeft gericht tot de Krijgsraad, waarin is aangegeven dat hij zich stelt voor betrokken verdachte. Desgevraagd stelt de raadsvrouwe niet bekend te zijn met de reden van afwezigheid van de verdachte. De Krijgsraad stelt dat zulks dan moet worden nagetrokken, en dat in de tussentijd de volgende zaak op de rol zal worden behandeld.
Het onderzoek tegen de verdachte J.N.
De verdachte is niet ter terechtzitting aanwezig, noch heeft zich voor hem een raadsman gesteld. De Plv. Auditeur Militair stelt dat op grond van verklaringen die de verdachte eerder heeft afgelegd, op verzoek van het Openbaar Ministerie ter terechtzitting een medisch specialist is gedagvaard, die de verdachte kort daarna heeft onderzocht, en de Krijgsraad schriftelijk heeft gerapporteerd ter zake zijn bevindingen omtrent de fysieke gesteldheid van de verdachte.
Volgens het rapport van de medicus is betrokkene wel in staat is te verschijnen, doch is het mogelijk dat zijn spraak ietwat is aangetast vanwege zijn ziektebeeld. Aangezien blijkt dat de dagvaarding om terechtzitting te verschijnen aan de verdachte in persoon is uitgereikt, wordt thans door het Openbaar Ministerie gevraagd dat aan de verdachte verstek wordt verleend en de zaak buiten zijn aanwezigheid wordt voortgezet.
Naar aanleiding van het verzoek, wordt door de Krijgsraad akte van niet- verschijning verleend, en bepaald dat de zaak tegen de verdachte bij verstek zal worden behandeld. In de zaak van deze verdachte zijn 3 getuigen op de rol gebracht. Van een der getuigen O.F. is bericht ontvangen dat hij wegens ziekte niet ter terechtzitting aanwezig kan zijn.
Het verhoor van de getuige F.A.
De getuige is ter terechtzitting aanwezig, en wordt na opgave van de personalia onder ede gesteld. De getuige is tijdens het Gerechtelijk Vooronderzoek gehoord geworden, en hem worden de toen afgelegde verklaringen voorgelegd ter verificatie van de handtekening. Betrokken getuige was ten tijde van 8 december 1982 militair ingedeeld bij de Echo compagnie, en op of omstreeks die datum aanwezig in het Fort Zeelandia.
Aan de getuige worden vragen gesteld door de Krijgsraad en de Plv. Auditeur Militair ten aanzien van onder andere de omstandigheden in het Fort, personen die hij aldaar heeft waargenomen, en degenen die toen ter plekke de leiding hadden. Desgevraagd stelt de getuige dat hij de persoon van de verdachte toen wel in het Fort heeft gezien.
Het verhoor van de getuige I.D.
De getuige is ter terechtzitting aanwezig, en wordt na opgave van de personalia onder ede gesteld. Deze getuige – die tevens verdachte is van strafbare feiten welke op of omstreeks 8 december 1982 zouden zijn gepleegd, was ten tijde van 8 december 1982 lijfwacht van de toenmalige bevelhebber van het Nationaal Leger.
De getuige verhaalt van de omstandigheden in het Fort op de avond van 8 december 1982, alsook van het gegeven dat hij toen schoten heeft gehoord ter plekke en lichamen heeft waargenomen die geen tekenen van leven vertoonden. Aan deze getuige worden vragen gesteld door de Plv. Auditeur Militair en de Krijgsraad. Desgevraagd stelt de getuige dat hij toen geen opdrachten heeft ontvangen van de persoon van de verdachte.
Op gegeven moment wordt de getuige door de Krijgsraad een gedeelte voorgehouden van de verklaring die hij tijdens het Gerechtelijk Vooronderzoek had afgelegd. Op dat moment is de raadsvrouwe die waarneemt voor de raadsman die de persoon van de getuige in zijn hoedanigheid van verdachte bijstaat, in de zaal aanwezig.
Die raadsvrouwe doet tegenover de Krijgsraad de uitlating dat de persoon van de getuige gedurende het Gerechtelijk Vooronderzoek verklaringen heeft afgelegd in hoedanigheid van verdachte en dat deze hem thans in zijn hoedanigheid van getuige worden voorgehouden.
Naar aanleiding van deze uitlating wordt de raadsvrouwe terechtgewezen door de President van de Krijgsraad, en erop geattendeerd dat de persoon van I.D. thans in hoedanigheid van getuige tegen een andere verdachte voor de Krijgsraad staat, en dat de raadsvrouwe niet bevoegd is tot spreken in de zaak van een verdachte aan wie zij geen juridische bijstand verleend.
De voortzetting van het onderzoek tegen de verdachte R. E.
De zaak van deze verdachte wordt opnieuw afgeroepen. De raadsvrouwe die waarneemt voor de raadsman die zich voor de verdachte in kwestie heeft gesteld, deelt de Krijgsraad mede dat inmiddels afstemming is gepleegd met het advocatenkantoor, doch dat ook daar niet bekend is wat de reden van afwezigheid van de verdachte is.
De Plv. Auditeur Militair, in de gelegenheid gesteld te reageren, stelt dat de persoon van de verdachte enige malen ter terechtzitting is verschenen. Op een vorige zitting heeft betrokken verdachte bij de Militaire Politie aangegeven dat hij verhinderd was wegens ziekte. Vandaag is er geen bericht van verhindering ontvangen van de verdachte, weshalve het Openbaar Ministerie vraagt dat de in deze zaak opgeroepen getuigen ter terechtzitting gehoord worden.
Desgevraagd stelt de raadsvrouwe hier geen bezwaar tegen te hebben. De zitting wordt kort geschorst, opdat de Krijgsraad zich omtrent het verzoek van de Plv. Auditeur Militair kan beraden. Na hervatting van de zitting wordt door de President van de Krijgsraad gesteld dat de verdachte blijkens de akte van uitreiking in persoon is gedagvaard, en herhaaldelijk in de gelegenheid is gesteld ter terechtzitting aanwezig te zijn. Aangezien betrokkene er kennelijk geen behoefte aan heeft aanwezig te zijn, zullen de getuigen buiten zijn aanwezigheid gehoord worden.
Het verhoor van de getuige H.M.
De getuige is ter terechtzitting aanwezig, en wordt na opgave van de personalia de belofte afgenomen. Deze getuige is tijdens het Gerechtelijk Vooronderzoek gehoord geworden door de Militaire Politie en de Rechter-Commissaris, en hem worden de toen afgelegde verklaringen voorgehouden ter verificatie van de handtekening. Betrokken getuige was ten tijde van 8 december 1982 militair, en ingedeeld bij de Echo compagnie.
Aan de getuige worden vragen gesteld door de Krijgsraad, de Plv. Auditeur Militair en de raadsvrouwe. Op een hem daartoe gestelde vraag, geeft de getuige in eerste instantie aan zich niet te kunnen herinneren als hij de persoon van de verdachte op 8 december 1982 in het Fort Zeelandia heeft gezien; na nadere vraagstelling stelt de getuige dat hij betrokken verdachte niet heeft gezien in het Fort. Tevens stelt de getuige niet te weten als de persoon van de verdachte op of omstreeks die datum betrokken was bij het opblazen dan wel in brand steken van gebouwen.
Het verhoor van de getuige E.D.
De getuige is aanwezig ter terechtzitting, en wordt na opgave van de personalia onder ede gesteld. Deze getuige is de broer van Cyril Daal, die een van de personen is die op of omstreeks 8 december 1982 om het leven is gekomen. De getuige verhaalt van hetgeen hij heeft waargenomen in de vroege ochtend van 8 december 1982, toen hij door gewapende mannen was meegevoerd met als doel de verblijfplaats van zijn broer aan te wijzen.
De getuige geeft onder andere aan dat hij de persoon van de verdachte in de omgeving van het Moederbondgebouw zag lopen met een bazooka op zijn schouder, en kort daarop een zware knal hoorde. Aan de getuige worden vragen gestel door de Krijgsraad en de raadsvrouwe, de Plv. Auditeur Militair heeft geen vragen te stellen aan de getuige.
Het verhoor van de getuige E. K.
De getuige is aanwezig ter terechtzitting en wordt na opgave van de personalia onder ede gesteld. Deze getuige is de zoon van André Kamperveen, die een van de personen is die op of omstreeks 8 december 1982 om het leven is gekomen.
De getuige is tijdens het Gerechtelijk Vooronderzoek gehoord geworden, en hem worden de toen afgelegde verklaringen voorgehouden ter verificatie van de handtekening. De getuige verhaalt ter terechtzitting onder andere van de wijze waarop hij op de hoogte is gekomen van hetgeen zich had voorgedaan op of omstreeks 8 december 1982, alsook de omstandigheden bij het brandende radiostation ABC.
Volgens zeggen van de getuige is hem toen door een der brandweerlieden aangegeven dat er in opdracht van de centrale, niet geblust mocht worden. De getuige stelt dat hij van verschillende zijden heeft vernomen dat de persoon van de verdachte verantwoordelijk was voor de vernieling van het radiostation. Tevens vertelt de getuige over de zoektocht naar zijn vader nadat deze uit diens woning was weggevoerd, en de wijze waarop hij uiteindelijk vernam dat zijn vader om het leven was gekomen.
Het verhoor van de getuige I.D.
De getuige is ter terechtzitting aanwezig, en wordt na opgave van de personalia onder ede gesteld. Deze getuige is tevens verdachte van strafbare feiten welke zich op of omstreeks 8 december 1982 hebben voorgedaan. De getuige wordt door de President van de Krijgsraad voorgehouden dat hetgeen hij als getuige zal verklaren, niet tegen hem zal worden gebruikt als verdachte.
Aan de getuige worden thans delen van zijn tijdens het Gerechtelijk Vooronderzoek afgelegde verklaring voorgehouden. Betrokkene verklaart desgevraagd onder andere dat hij de verdachte heeft waargenomen in het Fort Zeelandia op 8 december 1982, echter kan hij zich niet meer heugen wat die toen daar deed.
De raadsvrouwe van de verdachte R. E. vraagt als de verklaring welke de getuige gedurende het Gerechtelijk Vooronderzoek heeft afgelegd, is afgelegd in de hoedanigheid van verdachte of getuige, waarbij de vraag wordt opgeworpen als datgene wat hij als verdachte heeft verklaard, tevens geldt nu hij getuige is.
De President van de Krijgsraad stelt dat zulks in principe niet zo is, doch dat op grond van het onmiddelijkheidsbeginsel, de Krijgsraad betrokkene datgene voor mag houden wat zij nodig acht, en dat het de getuige thans vrij staat van het eerder verklaarde af te wijken.
De getuige H.S.
De getuige is niet ter terechtzitting aanwezig. De Plv. Auditeur Militair geeft aan dat de dagvaarding niet kon worden uitgereikt aan de getuige, daar van zijn echtgenote was vernomen dat hij in het ziekenhuis was opgenomen. De Krijgsraad beveelt dat het Openbaar Ministerie onderzoek pleegt hiernaar.
De getuige R. K.
Deze getuige, die in het jaar 2009 is overleden, was ten tijde van 8 december 1982 Hoofdbrandwacht bij het Korps Brandweer Suriname. Door de Plv. Auditeur Militair wordt gevraagd dat de verklaring welke betrokkene tijdens het Gerechtelijk Vooronderzoek heeft afgelegd, ter terechtzitting wordt voorgelezen.
De raadsvrouwe stelt zich hieromtrent te refereren aan het oordeel van de Krijgsraad, waarop de President van de Krijgsraad er toe over gaat de verklaring welke de getuige tijdens het Gerechtelijk Vooronderzoek heeft afgelegd, voor te lezen. Uit het voorgelezene blijkt o.a. dat op of omstreeks 8 december 1982 verschillende brandmeldingen zijn binnengekomen bij de brandweer.
Naar aanleiding van die meldingen zijn blusvoertuigen naar de brandadressen gedirigeerd, doch werd vandaar uit gerapporteerd dat gewapende militairen de brandweer beletten tot blussen over te gaan. Noch de Plv. Auditeur Militair, noch de raadsvrouwe hebben enige opmerking te plaatsen na voorlezing van deze verklaring.
Het verhoor van de getuige I.C.
De getuige is aanwezig ter terechtzitting, en wordt na opgave van de personalia de belofte afgenomen. De getuige was ten tijde van 8 december 1982 chauffeur en pompbediende bij de brandweer. Betrokkene had toen dienst op het brandweervoertuig dat zich naar het brandend radiostation Radika had begeven.
Volgens zeggen van de getuige, nam hij bij aankomst op het brandadres enkele militaire voertuigen en militair personeel waar. Kort nadat een aanvang was gemaakt met de bluswerkzaamheden, werden de brandweerlieden door onder andere de verdachte R. E. geïnstrueerd dat er niet mocht worden geblust, en alles plat moest branden. Volgens de getuige haalde de verdachte een mortier vanonder een zinkplaat vandaan, waarbij door laatstgenoemde werd aangegeven dat deze mortier niet was afgegaan, en dat zich er nog twee projectielen aldaar bevonden.
Na afronding van het verhoor van de getuige, stelt de Plv. Auditeur Militair dat in deze zaak tegen deze verdachte, voor wat betreft het Openbaar Ministerie, nog de getuigen R. R. en H.S. resten. Voor de getuige R. R. moeten vanwege zijn gezondheidstoestand speciale voorzieningen worden getroffen, en zal het Openbaar Ministerie in overleg met de betreffende raadslieden nagaan op welke dag deze getuige kan worden gehoord. Indien de getuige H. S. tijdig hersteld is, zal ook hij dan worden gehoord. De raadsvrouwe, in de gelegenheid gesteld te reageren, geeft aan zich hieromtrent te refereren aan het oordeel van de Krijgsraad.
Ten aanzien van de getuigen die in het buitenland woonachtig zijn en niet bereid zijn af te reizen naar Suriname voor het afleggen van getuigenis, wordt door de President aangegeven dat de Krijgsraad nog in beraad is hoe dit te behandelen, en dat er op de volgende zitting of die erna uitsluitsel hieromtrent zal worden gegeven.
Het onderzoek tegen de verdachte B.B.
De verdachte is niet aanwezig ter terechtzitting. Desgevraagd geeft de raadsvrouwe aan dat betrokkene is aangezegd te verschijnen, en dat er geen mededeling van verhindering is ontvangen.
In reactie hierop stelt de Plv. Auditeur Militair dat de getuige die in deze zaak is op de rol is gebracht aanwezig is, en wordt gevraagd dat deze wordt gehoord, daar er geen melding van afwezigheid is ontvangen van de verdachte. Door de Krijgsraad wordt positief beslist op dit verzoek.
Het verhoor van de getuige N.F.
De getuige is ter terechtzitting aanwezig. Deze getuige is ambtenaar van politie, en heeft tijdens het Gerechtelijk Vooronderzoek de Inspecteur van politie Irving Pireau,thans wijlen, bijgestaan bij het verhoor van de persoon van Fred Derby, die inmiddels eveneens is overleden. De President van de Krijgsraad houdt de getuige delen voor van de verklaring die dhr. Derby indertijd heeft afgelegd.
Op gegeven moment realiseert de President van de Krijsgraad zich dat de getuige de eed niet is afgenomen, en wordt dat alsnog gedaan, waarop de voorlezing van de verklaring opnieuw wordt aangevangen.
Volgens het voorgelezene heeft dhr. Derby indertijd verklaard over de wijze op welke hij op of omstreeks 8 december 1982 bij zijn woning opgehaald is geworden door gewapende mannen, en de omstandigheden waaronder hij en andere personen kort daarna in het Fort Zeelandia verkeerden. Desgevraagd beaamt de getuige dat dhr. Derby de zaken die thans worden voorgelezen, inderdaad heeft verklaard.
Het onderzoek tegen de verdachte I.K.
De verdachte is ter terechtzitting aanwezig evenals zijn raadslieden. In de zaak van deze verdachte is 1 getuige op de rol gebracht.
Het verhoor van de getuige N.F.
De getuige is ambtenaar van politie, en heeft tijdens het Gerechtelijk Vooronderzoek de Inspecteur van politie Irving Pireau, thans wijlen, bijgestaan bij het verhoor van de persoon van Fred Derby, die inmiddels eveneens is overleden. De President van de Krijgsraad houdt de getuige delen voor van de verklaring die dhr. Derby indertijd heeft afgelegd.
Blijkens het voorgelezene heeft dhr. Derby indertijd onder andere verklaard dat hij bij het verlaten van het Fort Zeelandia op of omstreeks 8 december 1982, de verdachte bij de poort van het Fort ontmoette. Betrokkene zou hem hebben aangegeven dat hij had gebeden voor zijn vrijlating, en dat hij hierover met de bevelhebber had gesproken.
Desgevraagd beaamt de verdachte dat hij indertijd ter plekke aan de heer Derby had aangegeven voor hem te hebben gebeden, doch nimmer te hebben gesteld dat hij met de bevelhebber had gesproken. Op de hem gestelde vragen wijdt de verdachte dusdanig uit, dat hem meermalen door de President van de Krijgsraad wordt aangegeven dat hij zich bij het antwoorden dient te beperken tot de gestelde vragen, en dat wanneer hij zal worden gehoord als verdachte, hij ruimschoots de gelegenheid zal krijgen uitvoerig op zaken in te gaan.
Aan de getuige worden door de raadsvrouwe vragen gesteld omtrent de feitelijke taken welke zij indertijd gedurende het horen van dhr. Derby als getuige heeft verricht. Betrokkene geeft aan dhr. Derby geen vragen te hebben gesteld, doch slechts het verhoor dat door de Inspecteur van Politie Pireau werd afgenomen, op schrift te hebben gesteld.
Na afronding van het verhoor van de getuige, stelt de verdachte dat het inmiddels 15 maanden geleden is dat hij voor het laatst ter terechtzitting was verschenen, en dat zijn zaak toen was uitgesteld voor het horen van een bepaalde in het buienland woonachtige getuige. Die getuige is inmiddels afgereisd naar Suriname, en gehoord geworden in de zaken van enkele verdachten. Echter is de getuige niet gehoord geworden in de in de zaak van deze verdachte.
De Plv. Auditeur Militair, in de gelegenheid gesteld te reageren, stelt dat betrokken getuige onder ede gehoord is geworden, en dat zal worden nagegaan als die verklaring gebruikt kan worden. In reactie hierop stellen de raadslieden van de verdachte dat de getuige in kwestie in de zaak van een andere verdachte gehoord is geworden, en dat zij zich verzetten tegen het gebruik van die verklaring tegen deze verdachte. De Plv. Auditeur Militair stelt daarop dat betrokken getuige ook tijdens het Gerechtelijk Vooronderzoek gehoord is geworden door de Rechter-Commissaris, en dat eventueel voorlezing van die verklaring zal worden gevraagd.
Aangezien niets meer op de rol staat, wordt de zitting omstreeks 18.05 uur gesloten.
Mr. Marjory Sanches
Woordvoerder 8 decemberstrafproces
Artikel 517, lid 2 van het Wetboek van Strafvordering stelt dat indien de verblijfplaats van de persoon niet bekend is, de dagvaarding ter Griffie moet worden uitgereikt. Van deze uitreiking dient aan het gerechtsgebouw aanplakking te worden gedaan.
Paramaribo, 3 juni 2010
Communiqué no. 34
Krijgsraadzitting 8 mei 2010 in het 8 December strafproces
Op zaterdag 8 mei 2010 is het 8 december strafproces voortgezet in de stand waarin het geding was geschorst op 16 april jl. Voor de zitting van 8 mei zijn 3 verdachten en 10 getuigen op de rol gebracht.
Het onderzoek tegen de verdachte D.B.
Omstreeks 12.30 uur wordt de zitting geopend, en de zaak van de verdachte D.B. afgeroepen. De verdachte is niet ter terechtzitting aanwezig, zijn raadsman is dat wel. Gevraagd naar de reden van afwezigheid van zijn cliënt, stelt de raadsman dat dit gelegen is aan de verkiezingscampagne. In de zaak van deze verdachte, is 1 getuige op de rol gebracht.
Het verhoor van de getuige R.R.
De getuige is aanwezig ter terechtzitting, en wordt na opgave van de personalia onder ede gesteld. Deze getuige - die tevens verdachte is van strafbare feiten welke zich zouden hebben voorgedaan op of omstreeks 8 december 1982 – is reeds ettelijke malen gedagvaard ter terechtzitting, doch heeft vanwege een zich bij hem manifesterend ziektebeeld, eerder geen gevolg gegeven aan de dagvaardingen.
Op de vorige zitting is derhalve door de Krijgsraad bepaald dat – afgaande op het schema van medische behandelingen welke betrokkene moet ondergaan en rekening houdend met de periode waarin de na-effecten van die behandeling voelbaar zijn – de persoon van R. R. op een zaterdag om 12.00 uur voor een periode van maximaal 3 uren ter terechtzitting zal worden gehoord in de hoedanigheid van zowel verdachte als getuige.
Het verhoor van betrokkene vindt thans op advies van de aanwezige medicus niet plaats in de zittingszaal welke gelegen is op de eerste verdieping van het gebouw, doch in een ruimte op de begane grond, aangezien de persoon van R. R. zich zeer moeilijk kan verplaatsen. Tijdens het verhoor van de persoon van R. R. is de medicus aanwezig.
De persoon van R. R. is tijdens het Gerechtelijk Vooronderzoek gehoord door de Rechter-Commissaris, en hem worden thans delen van de toen afgelegde verklaringen voorgehouden door de President van de Krijgsraad. Ten aanzien van verschillende zaken welke in deze verklaring zijn vastgelegd, geeft de getuige aan dat hij zich zulks niet meer kan herinneren; ook komt betrokkene terug op verschillende zaken die in de bij de Rechter-Commissaris afgelegde verklaring zijn opgenomen.
Aan de getuige worden door de Krijgsraad vragen gesteld omtrent onder andere zijn betrokkenheid bij het ophalen van personen op of omstreeks 8 december 1982, alsook zijn aanwezigheid bij panden die op of omstreeks die datum in vlammen zijn opgegaan. Aan betrokkene worden tevens vragen gesteld over de omstandigheden in het Fort Zeelandia, en de lichamen van personen die hij in een bepaalde locatie in het Fort heeft zien liggen. Volgens zeggen van de getuige heeft hij de persoon van de verdachte D.B. niet waargenomen gedurende zijn eigen aanwezigheid in het Fort.
Volgens de getuige is hij zelf niet betrokken geweest bij het ombrengen van personen. De handelingen welke hij op of omstreeks 8 december heeft verricht met betrekking tot o.a. het ophalen van personen, zijn gedaan in opdracht van de toenmalige legerfunctionaris Paul Bhagwandas, thans wijlen. Desgevraagd stelt de getuige dat het in die periode normaal was dat personen werden opgehaald.
Naarmate het verhoor vordert, beklaagt de getuige zich bij herhaling over het gegeven dat hij zich niet goed voelt, en vraagt hij dat het verhoor wordt stopgezet. Hoewel de dag en het tijdstip van het verhoor zijn vastgesteld op grond van informatie bekomen van de behandelend medicus, is volgens zeggen van de getuige van het eerder overgelegde behandelschema afgeweken, waardoor hij op dit moment te kampen heeft met bepaalde fysieke effecten. Desondanks wordt door de President van de Krijgsraad een beroep gedaan op de getuige dat het verhoor toch wordt afgerond, daar deze zitting speciaal voor het horen van zijn persoon wordt gehouden.
Aan de getuige worden door de Plv. Auditeur Militair vragen gesteld omtrent onder andere de zogeheten “groep van zestien”, alsook schietoefeningen die zouden zijn gehouden kort voor 8 december 1982, alsook de omstandigheden bij het ophalen van personen in hun woning op of omstreeks 8 december 1982.
De raadsman op zijn beurt stelt de getuige vragen omtrent de eventuele betrokkenheid en aanwezigheid van de persoon van de verdachte D. B. bij het verstrekken van opdrachten dan wel het voorbereiden van acties op of omstreeks 8 december 1982; waarop de getuige aangeeft geen opdrachten van de verdachte te hebben ontvangen, noch hem indertijd te hebben waargenomen in het Fort Zeelandia dan wel elders.
Na afronding van het verhoor van de getuige, wordt het onderzoek tegen de verdachte D.B. uitgesteld naar donderdag 13 mei om 09.30 uur.
Het onderzoek tegen de verdachte R. R.
De verdachte - die eerder op de dag als getuige is gehoord in de zaak tegen een andere verdachte die heden op de rol is gebracht - is ter terechtzitting aanwezig, evenals zijn raadsman. De verdachte houdt de Krijgsraad wederom voor dat hij zich niet goed voelt, en vraagt dat hij niet meer wordt opgeroepen ter terechtzitting. De President van de Krijgsraad stelt dat de aanwezige getuigen thans gehoord zullen worden. In de zaak van deze verdachte zijn 8 getuigen opgebracht, van wie er 3 ter terechtzitting aanwezig zijn.
Het verhoor van de getuige V.T.
De getuige is aanwezig ter terechtzitting, en wordt na opgave van de personalia onder ede gesteld. Betrokken getuige heeft tijdens het Gerechtelijk Vooronderzoek een verklaring afgelegd bij de Rechter-Commissaris. Delen van die toen afgelegde verklaring worden de getuige thans voorgehouden. De getuige verklaart desgevraagd omtrent de omstandigheden bij het Moederbondgebouw op of omstreeks 8 december 1982 bij het in vlammen opgaan van dit gebouw.
Onder andere verklaart de getuige van de handelingen welke zij de persoon van de verdachte toen heeft zien plegen, met name het overgieten van het gebouw met een vloeistof uit een jerrycan, gevolgd door het in brand steken van het gebouw. Geconfronteerd met de uitlatingen van de getuige, stelt de verdachte dat betrokkene zich vergist, daar hij zulke handelingen niet gepleegd heeft. De getuige echter persisteert bij haar verklaring.
Het verhoor van de getuige H. N.
De getuige is aanwezig ter terechtzitting, en wordt na opgave van de personalia onder ede gesteld. Betrokken getuige was ten tijde van 8 december 1982, premier van de Republiek Suriname. Deze getuige is gedurende het Gerechtelijk Vooronderzoek gehoord geworden door de politie en de Rechter-Commissaris.
Volgens zeggen van de raadsman van de verdachte, is hij niet bekend met een der verklaringen welke de getuige tijdens het Gerechtelijk Vooronderzoek heeft afgelegd, waarop die betreffende verklaring in opdracht van de President van de Krijgsraad wordt gekopieerd en aan de raadsman ter hand wordt gesteld.
De getuige verhaalt desgevraagd van omstandigheden en gebeurtenissen voorafgaand aan de datum van 8 december 1982, alsook de wijze op welke het Kabinet toen op de hoogte werd gebracht van hetgeen zich rond die datum had voorgedaan, en de wijze op welke op die informatie is gereageerd door leden van het Kabinet.
Volgens zeggen van de getuige was hij niet persoonlijk bekend met R. R., doch is hem indertijd door een toenmalige regeringsfunctionaris medegedeeld dat betrokkene een heethoofd zou zijn, en dat hij – de regeringsfunctionaris – zich zorgen maakte om de veiligheid van Cyril Daal, die een van de personen is die op of omstreeks 8 december 1982 om het leven is gekomen. De verdachte betwist deze karakterisering van zijn persoon; desgevraagd beaamd de getuige dat hij geen eigen wetenschap bezit over het temperament van de verdachte, doch dit slechts van horen zeggen heeft.
Het verhoor van de getuige O.F.
De getuige is ter terechtzitting aanwezig. Betrokken getuige was ten tijde van 8 december 1982 militair. Volgens zeggen van de getuige, was hij op of omstreeks die datum aanwezig in het Fort Zeelandia, en heeft hij van de verdachte de instructie gehad zich aan te melden bij de toenmalige legerfunctionaris Paul Bhagwandas, thans wijlen.
Volgens zeggen van de getuige verkeerde dhr. Bhagwandas toen hij zich bij hem meldde, in aanwezigheid van de persoon van D.B., de verdachte R. R. en andere leden van de zogeheten “groep van zestien”. Desgevraagd stelt de getuige dat hij kort voordat hij deze personen waarnam, schoten had gehoord in het Fort.
Volgens zeggen van de getuige, heeft hij van de verdachte R. R. de instructie gehad de persoon van Fred Derby, thans wijlen, vanuit het Fort Zeelandia terug te brengen naar diens woning, waarbij R. R. volgens de getuige tegenover dhr. Derby de uitlating deed dat hij geluk had. De verdachte, in de gelegenheid gesteld te reageren op de verklaring van de getuige, stelt dat hij niet aanwezig was op dat moment, en dat hij zeer zeker net de uitlating heeft gedaan tegenover dhr. Derby als zou deze geluk hebben. De getuige persisteert echter bij zijn verklaring.
Op de vraag van de raadsman als de getuige op of omstreeks 8 december 1982 zelf het vuur heeft geopend op personen, beaamd de getuige zulks gedaan te hebben in opdracht van dhr. Bhagwandas.
Na afronding van het verhoor van de getuige, deelt de President van de Krijgsraad de verdachte mee dat er nog meer getuigen in zijn zaak zullen worden gehoord, doch dat hij tijdig zal vernemen wanneer het onderzoek tegen hem zal worden voortgezet. Na deze mededeling, wordt de zitting omstreeks 14.45 uur gesloten.
Het onderzoek tegen de verdachte R. E.
Enige minuten na sluiting van de zitting, betreed de Krijgsraad de zittingsaal wederom, en wordt aangegeven door de President dat de zitting abusievelijk is afgesloten, daar de zaak van de verdachte R. E. die eveneens op de rol is opgebracht, niet afgeroepen is. De zitting wordt heropend en de zaak wordt alsnog afgeroepen. De verdachte is niet aanwezig ter terechtzitting, waarop de Plv. Auditeur Militair stelt dat er een schrijven is ontvangen van een raadsman dat hij zich thans stelt voor de verdachte.
Die raadsman zelf is niet ter terechtzitting aanwezig, doch wordt waargenomen door een zijner collega’s. Aangezien ongeacht een schriftelijke mededeling ter zake, het zich stellen voor een verdachte ter terechtzitting dient te geschieden, vraagt de President de aanwezige raadsman als hij over een volmacht beschikt. Dit schijnt niet het geval te zijn, daar de raadsman voorstelt om deze aangelegenheid aan te houden.
De getuige R. R.
In de zaak van deze verdachte is1 getuige opgeroepen. Indachtig de gezondheidstoestand van de getuige, vraagt de Plv. Auditeur Militair dat betrokkene uit humanitaire overwegingen, op een ander moment wordt gehoord. De raadsman heeft geen bezwaar hiertegen, weshalve door de President van de Krijgsraad aan de getuige wordt voorgehouden dat in samenspraak met zijn behandelend medicus, een nadere datum zal worden bepaald waarop hij zal worden gehoord. Na deze mededeling, wordt de zitting kort voor 15.00 uur gesloten.
Mr. Marjory Sanches
Woordvoerder 8 decemberstrafproces
Paramaribo, 16 april 2010
Communiqué no. 33
Krijgsraadzitting 16 april 2010 in het 8 December strafproces
Op vrijdag 16 april 2010 is het 8 december strafproces voortgezet in de stand waarin het geding was geschorst op 19 maart jl. Voor de zitting van 16 april zijn 5 verdachten en 17 getuigen op de rol gebracht.
Het onderzoek tegen de verdachte D.B.
Omstreeks 10.15 uur wordt de zitting geopend, en de zaak van de verdachte D.B. afgeroepen. De verdachte is niet ter terechtzitting aanwezig, zijn raadsman is dat wel. Gevraagd naar de reden van afwezigheid van zijn cliënt, stelt de raadsman dat hij vanwege drukke werkzaamheden geen contact heeft gehad met betrokkene.
De getuige R.R.
Deze getuige - die tevens verdachte is van strafbare feiten welke zich zouden hebben voorgedaan op of omstreeks 8 december 1982 – was op de vorige zitting reeds gedagvaard als getuige, doch liet toen via zijn raadsman weten zich niet goed te voelen, en derhalve niet ter terechtzitting aanwezig te kunnen zijn.
Op verzoek van de Plaatsvervangend Auditeur Militair werd toen de medebrenging van betrokken getuige bevolen, met dien verstande dat het bevel niet zou worden uitgevoerd indien de getuige voordien alsnog een medische verklaring zou overleggen waaruit zou blijken dat hij vanwege medische redenen, niet ter terechtzitting kon verschijnen. Heden is de getuige wederom niet aanwezig ter terechtzitting.
De President van de Krijgsraad stelt dat er een schrijven is ontvangen van de raadsman van de persoon van R.R., waarin aangegeven is dat laatstgenoemde vanwege na-effecten van een door hem ondergane medische behandeling, niet ter terechtzitting kan verschijnen. Bij het schrijven is een behandelschema gevoegd hetwelk is ondertekend door de behandelend medicus.
De Plv. Auditeur Militair, in de gelegenheid gesteld te reageren, geeft aan dat indertijd de behandelend medicus van de persoon van R.R. ter terechtzitting als getuige is gehoord, waarbij betreffende medicus heeft verklaard op welke dagen, tijdstippen en voor welke tijdsduur R. R. ter terechtzitting gehoord zou kunnen worden.
De Plv. Auditeur Militair vervolgt met te stellen dat het op de vorige zitting uitgevaardigde bevel tot medebrenging aan de Militaire Politie ter hand is gesteld, waarbij expliciet is aangegeven dat de medebrenging pas mocht geschieden rond het uur waarop de persoon van R.R. in staat zou zijn gehoord te worden. Tevens mocht het bevel pas ten uitvoer worden gelegd, indien R. R. zich goed zou voelen.
Afgaande op het heden ingediende behandelschema, en rekening houdend met de periode waarin de na-effecten van de behandeling voelbaar zijn, stelt het Openbaar Ministerie thans voor dat al de zaken waarin betrokkene als getuige moet optreden, op dezelfde dag worden behandeld, en wel een dag waarop de getuige niet medisch behandeld wordt, noch te kampen zal hebben met na-effecten van een behandeling; in dit geval op een zaterdag. Zo niet, dan zou kunnen worden volstaan met het voorlezen van de verklaringen welke de persoon van R. R. tijdens het Gerechtelijk Vooronderzoek heeft afgelegd.
De raadsman, in de gelegenheid gesteld te reageren, geeft aan zich voor wat betreft de organisatorische zaken te zullen refereren aan het oordeel van de Krijgsraad. Echter zijn er juridische beperkingen aan het als voorgelezen te beschouwen van de verklaringen welke R. R. tijdens het Gerechtelijk Vooronderzoek heeft afgelegd, daar betrokkene toen niet als getuige is gehoord, maar als verdachte.[1] Na de standpunten van zowel de vervolging als de verdediging te hebben aangehoord, besluit de Krijgsraad het oordeel over deze aangelegenheid uit te stellen, totdat het rapport van de Militaire Politie inzake de dagvaarding van R.R. ontvangen zal zijn.
Het verhoor van de getuige N.F.
De getuige is ter terechtzitting aanwezig, en wordt na opgave van de personalia onder ede gesteld. Betrokken getuige is ambtenaar van politie, en heeft gedurende het Gerechtelijk Vooronderzoek de Inspecteur van Politie Irving Pireau, thans wijlen, bijgestaan bij het verhoor van de persoon van Fred Derby, thans wijlen.
De President van de Krijgsraad gaat er toe over de verklaring die toen door Fred Derby is afgelegd, voor te lezen. Blijkens het voorgelezene, heeft Fred Derby o.a. verklaard over de situatie in het land kort voor 8 december 1982 en de verhouding tussen de vakbondsorganisaties C-47 en de Moederbond.
Tevens heeft dhr. Derby verhaald over de omstandigheden op de vroege ochtend van 8 december 1982 toen hij door zwaar bewapende militairen bij zijn woning werd opgehaald en vervoerd naar het Fort Zeelandia, volgens hun zeggen in opdracht van de verdachte D.B.
Dhr. Derby heeft tevens aangegeven welke personen hij heeft aangetroffen te Fort Zeelandia; de omstandigheden waaronder hij en deze personen - die op of omstreeks 8 december 1982 om het leven zijn gekomen - zich bevonden, en de wijze waarop zij werden bejegend door de aldaar aanwezige militairen. Door dhr. Derby is indertijd tevens verklaard dat hij de persoon van de verdachte D.B. heeft waargenomen in het Fort Zeelandia, en dat hij tot tweemaal toe voor hem geleid is geworden.
Uiteindelijk is dhr. Derby door D.B. toestemming verleend te vertrekken, en is hij naar zijn woning geëscorteerd door lijfwachten van de militaire functionaris Roy Horb, thans wijlen. Volgens zijn toen afgelegde verklaring is het dhr. Derby nooit duidelijk geworden waarom hij toen aangehouden was geworden, en heeft hij de persoon van D.B. meermalen naar de reden hiervan gevraagd. Deze is hem het antwoord altijd schuldig gebleven.
Desgevraagd beaamt de getuige dat hetgeen net voorgelezen is geworden, inderdaad door dhr. Derby verklaard is geworden bij zijn verhoor op het Buro Nieuwe Haven. Volgens de getuige was de gemoedstoestand van dhr. Derby bij het afleggen van de verklaring emotioneel, doch heeft hij deze verklaring in alle vrijheid afgelegd, en had zij de indruk dat dhr. Derby de waarheid vertelde.
De President van de Krijgsraad haalt aan dat op de verklaring in het dossier wel de handtekeningen van de Inspecteur van Politie Pireau en de getuige zijn aangebracht, doch dat die van dhr. Derby ontbreekt. Nagegaan zal worden als deze handtekening wel geplaatst is op het origineel exemplaar van de verklaring.
De raadsman stelt de getuige enige vragen omtrent de omstandigheden bij het verhoor indertijd, en het al dan niet ondertekenen van de verklaring door dhr. Derby. Naar aanleiding van de door de raadsman gestelde vragen, wordt de zitting kort geschorst, opdat de Griffier de originele verklaring kan opzoeken in het dossier.
De gevonden verklaring blijkt een vage paraaf te bevatten, en wordt getoond aan procespartijen. De Plv. Auditeur Militair houdt de Krijgsraad daarop voor dat het originele exemplaar van de verklaring is opgeslagen in de kluis van de Centrale Bank van Suriname, waarop de President aangeeft dat het originele exemplaar in het geding dient te worden gebracht.
De Plv. Auditeur Militair verwijst tevens naar het gegeven dat de persoon van Fred Derby tijdens het Gerechtelijk Vooronderzoek bij de Rechter Commissaris een verklaring heeft afgelegd, waarbij hij heeft gepersisteerd bij de inhoud van de bij de politie afgelegde verklaring.
De raadsman vervolgt zijn vraagstelling aan de getuige, waarop door betrokkene steeds wordt aangegeven dat zij slechts kennis draagt van hetgeen tijdens het verhoor is verklaard door dhr. Derby, en dat al datgene wat tijdens het verhoor is aangegeven, in de verklaring is opgenomen. De getuige geeft tevens aan dat haar rol bij het verhoor, slechts bestond uit het op schrift stellen van de verklaring, de vragen werden dhr. Derby uitsluitend gesteld door de Inspecteur van Politie Pireau.
De beslissing inzake het horen van de persoon van R.R.
Na afronding van het verhoor van de getuige N.F., stelt de President van de Krijgsraad dat inmiddels het rapport van de Militaire Politie inzake de getuige R.R. is ontvangen. Uit dat rapport blijkt dat bij het aandoen van de woning van R. R. hedenochtend, betrokkene aangegeven had zich niet goed te voelen, en heden niet in staat te zijn tot het afleggen van getuigenis.
De zitting wordt kort geschorst, opdat de Krijgsraad zich kan beraden omtrent de wijze op welke R.R. gehoord zal worden. Na hervatting van de geschorste zitting, wordt besloten dat de persoon van R. R. op zaterdag 8 mei as. om 12.00 uur als getuige zowel verdachte gehoord zal worden.
De Plv. Auditeur Militair legt thans een exemplaar over van de verklaring welke dhr. Derby indertijd had afgelegd, en ten aanzien waarvan het al dan niet daarop geplaatst zijn van een handtekening werd betwist. Op dit exemplaar uit het dossier van het Openbaar Ministerie, is de handtekening van dhr. Derby duidelijk waar te nemen.
De Plv. Auditeur Militair vervolgt met te stellen dat deze handtekening desgewenst vergeleken kan worden met de handtekening op de verklaring welke dhr. Derby bij de Rechter Commissaris heeft afgelegd. De Plv. Auditeur Militair stelt te hopen met het overleggen van de verklaring, ontslagen te zijn van de verplichting tot het overleggen van de originele verklaring uit de kluis van de Centrale Bank, waarop de raadsman aangeeft genoegen te nemen met het overgelegde.
De getuigen V.D. en S.D.
De getuigen zijn geen van beiden aanwezig ter terechtzitting. Uit het rapport van de deurwaarder blijkt dat de persoon van V.D. uitlandig is, en na 19 april terug wordt verwacht. Ten aanzien van de persoon van S.D., blijkt dat betrokkene werkzaam is op de ambassade van de Republiek Suriname in Nederland. De Plv. Auditeur Militair vraagt hernieuwde dagvaarding van de persoon van V.D. op een datum na 19 april as.
Ten aanzien van S.D. wordt eveneens hernieuwde dagvaarding gevraagd, waarbij zal worden bekeken als betrokkene aanwezig zal zijn ter terechtzitting. Tevens wordt de dagvaarding gevraagd van de Onderinspecteur van Politie R. D., die S.D. tijdens het Gerechtelijk Vooronderzoek heeft gehoord, zodat hij omtrent dat verhoor kan worden gehoord, mocht S.D. geen gehoor geven aan de dagvaarding. De raadsman stelt zich hieromtrent te refereren aan het oordeel van de Krijgsraad, die akkoord gaat met hetgeen voorgesteld is door de Plv. Auditeur Militair.
De getuige J.A.
De getuige is niet aanwezig ter terechtzitting. Het betreft in deze een persoon naar wie het Openbaar Ministerie reeds geruime tijd op zoek is, en van welke de indruk bestaat dat hij zich onttrekt aan zijn wettelijke verplichting tot getuigen. Op de vorige zitting werd beslist dat het Openbaar Ministerie de getuige alsnog diende te dagvaarden op zijn officiële woonadres zoals dat in de bevolkingsregisters is aangegeven.
Thans blijkt uit het rapport van de Militaire Politie, dat de laatste 2 woonadressen van betrokkene zijn geverifieerd bij het Centraal Buro voor Burgerzaken; op het ene adres is betrokkene reeds langer dan 15 jaar niet woonachtig, het ander adres bevat een leegstaand pand. De Plv. Auditeur Militair stelt dat niet eindeloos achter deze getuige aangezeten kan worden, en vraagt dat zijn tijdens het Gerechtelijk Vooronderzoek afgelegde verklaring ter terechtzitting wordt voorgelezen.
De raadsman op zijn beurt, stelt het van belang te achten dat de getuige wordt gehoord, aangezien het volgens hem gedurende het hele proces gebleken is hoe verklaringen tijdens het Gerechtelijk Vooronderzoek tot stand zijn gekomen.
De raadsman geeft aan dat er tegenstrijdigheden zijn in de verklaringen, en dat het meermalen is voorgekomen dat in de processen-verbaal van tijdens het Gerechtelijk Vooronderzoek afgelegde verklaringen was vermeld dat het verhoor door 2 verbalisanten was afgenomen, terwijl de gehoorde personen ter terechtzitting hebben verklaard door slechts 1 verbalisant verhoord te zijn geworden.
Na de standpunten van zowel de vervolging als de verdediging gehoord te hebben, wordt de zitting kort geschorst, opdat de Krijgsraad zich kan beraden omtrent het voorgaande. Na hervatting van de zitting, stelt de President van de Krijgsraad dat de persoon van I.A. formeel niet is gedagvaard, en dat dit alsnog officieel zal dienen te geschieden op de wijze zoals voorgeschreven door artikel 517, lid 3 van het Wetboek van Strafvordering.[2]
De behandeling van de zaak tegen de verdachte D.B. wordt uitgesteld naar donderdag 13 mei as., met uitzondering van het horen van de getuige R.R., hetwelk op zaterdag 8 mei as. zal geschieden.
Het onderzoek tegen de verdachte R. E.
De verdachte is niet aanwezig ter terechtzitting. Deze verdachte werd voorheen niet bijgestaan door een raadsman, thans blijkt dat zich voor hem nu wel een raadsman heeft gesteld. Die raadsman is op dit moment ook niet aanwezig, maar wordt waargenomen door een collega. De President van de Krijgsraad stelt dat van een arts van het ministerie van Defensie, schriftelijk bericht is ontvangen dat de verdachte ziek is.
Attesten van het ministerie van Defensie behoren mede ondertekend te worden door de meerdere, echter is deze verdachte niet in actieve dienst, en stelt de President dat aan zijn advocaat moet worden medegedeeld dat betrokkene derhalve een andersoortig attest zal dienen te overleggen. Vermeldenswaard is dat betrokken verdachte op de vorige zitting eveneens afwezig was, omdat hij volgens ontvangen mededeling, van de trap was gevallen.
De getuigen H.M., H.S., E.D. en H.K
In de zaak van deze verdachte zijn 4 getuigen op de rol gebracht. Drie van hen zijn ter terechtzitting aanwezig, de getuige H.S. is in het ziekenhuis opgenomen. De aanwezige getuigen worden gezamenlijk voor de Krijgsraad geleid, en hen wordt na opgave van de personalia medegedeeld dat de verdachte vanwege ziekte afwezig is, en dat de zaak op 13 mei as. verder zal worden behandeld.
De getuigen waren op de vorige zitting eveneens gedagvaard in de zaak van betrokken verdachte, en zijn toen medegedeeld dat de verdachte niet aanwezig kon zijn vanwege het feit dat hij van de trap was gevallen.
De getuige E.D. meent thans op te moeten merken dat er bij hem vragen rijzen omtrent de ziektemelding, daar volgens zijn zeggen deze verdachte betrokken is geweest bij de organisatie van de recente wandelmars. Op de opmerking van de President van de Krijgsraad dat de verdachte een attest heeft overgelegd, stelt de getuige dat er met geld veel gedaan kan worden.
Het onderzoek tegen de verdachte R. R.
De verdachte R. R. is niet aanwezig ter terechtzitting, zijn raadsman is dat wel. De persoon van R. R. is in de zaak van een andere verdachte die heden is behandeld, gedagvaard als getuige. Aangezien R.R. vanwege gezondheidsredenen niet aanwezig was, is toen besloten dat rekening houdend met zijn medische omstandigheden, hij op zaterdag 8 mei gehoord zal worden in de hoedanigheid van zowel getuige als verdachte. Dit wordt thans medegedeeld aan de raadsman van de verdachte.
De getuigen U.F, E.V., V.T. en M.J.
In de zaak van deze verdachte zijn 4 getuigen op de rol gebracht, die allen ter terechtzitting aanwezig zijn. Na opgave van de personalia, worden de getuigen door de President geïnformeerd dat de verdachte vanwege gezondheidsredenen niet aanwezig is, doch dat de zaak tegen hem op 8 mei as. wordt voortgezet, en worden de getuigen aangezegd op die datum weder aanwezig te zijn.
Het onderzoek tegen de verdachte J.N.
De verdachte is niet aanwezig ter terechtzitting, en desgevraagd geeft Plv. Auditeur Militair aan geen melding van betrokkene te hebben ontvangen. De President van de Krijgsraad stelt dat er een rapport is ontvangen van de medisch specialist die de persoon van J.N. heeft onderzocht ten aanzien van het al dan niet in staat zijn ter terechtzitting aanwezig te zijn.
Volgens het medisch rapport behoeft betrokkene ondersteuning bij het traplopen, is de maximale wachttijd voor aanvang van de zitting een uur, en kan hij voor de duur van maximaal 2 uur gehoord worden. Verder is de spraak van betrokkene wat onduidelijk. De Plv. Auditeur Militair stelt dat de verdachte in persoon is gedagvaard, en dat er op voorstel van het Openbaar Ministerie een medisch rapport ten aanzien van deze verdachte is uitgebracht.
De verdachte is in persoon gedagvaard, heeft geen melding gedaan van verhindering, weshalve het Openbaar Ministerie vraagt dat tegen hem verstek wordt verleend, en de behandeling van de zaak buiten zijn aanwezigheid plaatsvindt. De zitting wordt kort geschorst, opdat de Krijgsraad zich kan beraden omtrent het verzoek van de Plv. Auditeur Militair.
Na hervatting van de zitting, stelt de President dat de verdachte inderdaad correct is gedagvaard. Anderzijds is het zo dat deze verdachte niet bijgestaan wordt door een raadsman, en dat daarnaast een medische verklaring is uitgebracht door een neuroloog. Rekening houdend met al deze zaken, beveelt de Krijgsraad overeenkomstig artikel 263 van het Wetboek van Strafvordering, dat de verdachte op de zitting van 13 mei as. in persoon verschijnt. [3]
De getuigen U.F., F.A. en I.D.
In de zaak van deze verdachte zijn drie getuigen opgebracht. De getuigen U.F. en F.A zijn ter terechtzitting aanwezig, en worden gezamenlijk voor de Krijgsraad geleid. Na opgave van de personalia, wordt de getuigen voorgehouden dat zij nog eenmaal gevraagd zullen worden te verschijnen in de zaak van deze verdachte.
Ten aanzien van de niet aanwezig getuige I.D., blijkt uit het rapport van de deurwaarder dat betrokkene in persoon is gedagvaard, weshalve de Krijgsraad akte van niet-verschijning verleent en de medebrenging van de getuige op de volgende zitting beveelt.
Het onderzoek tegen de verdachte M.Z.
De verdachte is ter terechtzitting aanwezig, doch wordt niet bijgestaan door een raadsman. In de zaak van deze verdachte, is 1 getuige op de rol gebracht.
Het verhoor van de getuige I.G.
De getuige is aanwezig ter terechtzitting, en wordt na opgave van de personalia onder ede gesteld. Deze getuige was ten tijde van 8 december 1982, minister van Leger en Politie. Betrokkene wordt de verklaring welke hij gedurende het Gerechtelijk Vooronderzoek heeft afgelegd voorgehouden, en hem worden aan de hand daarvan vragen gesteld door de President van de Krijgsraad.
Desgevraagd geeft de getuige aan welke structuur gold binnen de regering en de legerleiding, en wat de verhouding tussen deze organen was. De getuige verhaalt verder o.a. van de situatie kort voor 8 december 1982, en de wijze op welke hij toen kennis heeft genomen van hetgeen zich op of omstreeks die datum had voorgedaan.
De President van de Krijgsraad houdt de getuige op gegeven moment een passage voor uit het rapport van de VN rapporteur inzake standrechtelijke executies, Amos Wako, die indertijd onderzoek heeft verricht naar hetgeen zich had voorgedaan op of omstreeks 8 december 1982.[4]
In het rapport is onder andere vermeld dat de getuige door de persoon van de verdachte M.Z. was geïnformeerd over de omstandigheden waaronder personen op of omstreeks 8 december 1982 om het leven waren gekomen. De getuige stelt hierop dat hij van verschillende mensen bijzonderheden heeft vernomen hieromtrent, en dat het mogelijk is dat de verdachte M.Z. een van die personen is, echter weet hij dat niet precies.
De President citeert vervolgens dat gedeelte uit het rapport waarin wordt gesteld dat de persoon van de verdachte M.Z. aan de speciale rapporteur had aangegeven wat hij had waargenomen op of omstreeks 8 december 1982, de omstandigheden waaronder personen toen om het leven zijn gekomen, alsook het gegeven dat M.Z. toen van de toenmalige legerfunctionaris Roy Horb, thans wijlen had vernomen dat hij de persoon van I.G. zou telefoneren om hem te informeren omtrent hetgeen zich had voorgedaan.
Desgevraagd stelt de verdachte dat hij dit soort zaken geenszins heeft verteld aan dhr. Wako. Volgens de verdachte heeft hij betrokkene wel begeleid naar bepaalde functionarissen, doch heeft hij geen gesprekken omtrent het gebeurde met hem gevoerd. De getuige stelt desgevraagd dat hij nimmer gebeld is geworden door dhr. Horb, waarop de President hem voorhoud dat hij tijdens het Gerechtelijk Vooronderzoek aan de Rechter Commissaris heeft verklaard informatie van dhr. Horb en de verdachte te hebben gehad.
Door de President worden gedeelten uit de verklaring welke de persoon van I.G. tijdens het Gerechtelijk Vooronderzoek heeft afgelegd, voorgelezen, met name betreft het zaken aangaande de positie welke I.G. bekleedde en de verhouding tussen de toenmalige legerleiding en de regering.
Op gegeven moment stelt de getuige dat het voorgelezene niets temaken heeft met de verdachte, en dat hij de verklaring die thans wordt voorgelezen, indertijd heeft afgelegd in de hoedanigheid van verdachte. Hij is sindsdien van de verdachtenlijst gehaald, en was toen door het Openbaar Ministerie ervan verzekerd dat zijn in hoedanigheid van verdachte afgelegde verklaring uit het dossier zou worden geschrapt.
De President van de Krijgsraad houdt de getuige voor dat de delen van zijn tijdens het Gerechtelijk Vooronderzoek afgelegde verklaring ter oriëntatie en als achtergrondinformatie worden voorgelezen, en dat deze wel degelijk relevant zijn. De Plv. Auditeur Militair – in de gelegenheid gesteld te reageren - stelt dat het Openbaar Ministerie geen bevoegdheid heeft zaken uit dossiers te schrappen, daar het hier gaat om ambtsedige processen-verbaal.
De getuige stelt dat hoewel de verklaringen die hij indertijd als verdachte heeft afgelegd op waarheid berusten, hij het gevoel heeft dat het niet correct is dat verklaringen de hij als verdachte heeft afgelegd thans worden voorgelezen nu hij die hoedanigheid niet langer bezit.
De Plv. Auditeur Militair - in de gelegenheid gesteld te reageren - stelt dat er een rechtsproces gaande is, en dat betrokkene thans gehoord wordt als getuige, waarbij er juridisch niets mis is met het feit dat hem daarbij de verklaringen die hij indertijd als verdachte heeft afgelegd, worden voorgehouden.
De President van de Krijgsraad houdt de getuige daarop tevens voor dat zijn voormalige status als verdachte rechtens voorbij is. Ter terechtzitting geldt het onmiddelijkheidsbeginsel, en heeft de getuige het recht om zaken welke hij eerder verklaard had, thans te bevestigen of te ontkennen, zonder dat zulks consequenties voor hem zal hebben.
Het verhoor wordt hierop voortgezet, waarbij aan de getuige door zowel de Krijgsraad als de Plv. Auditeur Militair vragen worden gesteld over de wijze waarop, en de personen van wie hij indertijd had vernomen wat zich op of omstreeks 8 december 1982 had voorgedaan.
Tevens worden betrokkene vragen gesteld over de toenmalige machtsverhoudingen tussen de legerleiding en de regering, en de wijze waarop militaire operaties doorgaans voorbereid en uitgevoerd worden. Gedurende het verhoor van de getuige, ziet de President van de Krijgsraad op gegeven moment aanleiding het publiek te vermanen zich van uitlatingen te onthouden.
Na afronding van het verhoor, houdt de President van de Krijgsraad de verdachte M.Z. voor dat er in zijn zaak nog enkele getuigen a charge resteren die in Nederland woonachtig zijn. Wanneer de beslissing over het horen van deze getuigen is genomen, zal de verdachte daarvan op de hoogte worden gesteld.
Desgevraagd stelt de verdachte dat hij dhr. Wako als getuige a decharge zou wensen doen horen, doch niet weet waar deze te bereiken. Betrokkene wordt door de President geadviseerd een rechtskundige hieromtrent te raadplegen, danwel een schrijven naar de Krijgsraad te richten.
Aangezien er niets meer op de rol staat, wordt de zitting omstreeks 16.20 uur gesloten.
mr. Marjory Sanches
Woordvoerder 8 decemberstrafproces
[1] Een verdachte mag zich in elke fase van het strafproces, dus ook tijdens het Gerechtelijk Vooronderzoek, op zijn zwijgrecht beroepen. Ook als hij tot verklaren bereid is, wordt hij niet onder ede gehoord. De door een verdachte afgelegde verklaringen gelden verder alleen maar ten aanzien van hemzelf. Een getuige wordt tijdens het Gerechtelijk Vooronderzoek door de rechter-commissaris onder ede gehoord, en heeft een spreekplicht.
[2] Artikel 517, lid 3 van het Wetboek van Strafvordering bepaalt dat indien noch de persoon voor wie de dagvaarding bestemd is, noch een van zijn huisgenoten wordt aangetroffen of bereid is de dagvaarding in ontvangst te nemen, deze wordt uitgereikt aan de Districtscommissaris, die de dagvaarding zo mogelijk alsnog aan de persoon voor wie het bestemd is doet toekomen. Uitreiking van de dagvaarding aan de DC wordt beschouwd als rechtsgeldige dagvaarding, weshalve bij niet-verschijning van een op die wijze gedagvaarde getuige, tot medebrenging kan worden overgegaan.
[3] Artikel 263 van het Wetboek van Strafvordering bepaalt dat indien de verdachte niet op de terechtzitting aanwezig is, de rechter kan bevelen dat hij op een bepaald tijdstip aanwezig zal zijn. Indien de verdachte niet aanwezig is op het bepaalde tijdstip, wordt tegen hem verstek verleend en de zaak buiten zijn aanwezigheid behandeld.
[4] De Verenigde Naties Speciale Rapporteur inzake standrechtelijke executies, dhr. Amos Wako, heeft in het jaar 1984 in zowel Suriname als Nederland gesprekken gevoerd en onderzoek gedaan naar de gebeurtenissen rondom 8 december 1982. Op basis van dat onderzoek is betrokkene tot de conclusie gekomen dat in de nacht van 8 op 9 december 1982, standrechtelijke executies hebben plaatsgevonden in het Fort Zeelandia (zie VN document E/CN.4/1985/17, Annex V.)
Paramaribo, 26 maart 2010
Communiqué no. 32
Krijgsraadzitting 19 maart 2010 in het 8 December strafproces
Op vrijdag 19 maart 2010 is het 8 december strafproces voortgezet in de stand waarin het geding was geschorst op 15 februari jl. Voor de zitting van 19 maart zijn 4 verdachten en 12 getuigen op de rol gebracht.
Het onderzoek tegen de verdachte D.B.
Omstreeks 10.00 uur wordt de zitting geopend, en de zaak van de verdachte D.B. afgeroepen. De verdachte noch zijn raadsman zijn ter terechtzitting aanwezig. De President van de Krijgsraad geeft aan dat de raadsman de Krijgsraad schriftelijk heeft medegedeeld niet aanwezig te kunnen zijn op de zitting van heden, waarop hem is aangegeven heeft dat hij voor waarneming moest zorg dragen.
Heden heeft de raadsman de Krijgsraad geïnformeerd dat hij geen waarnemer heeft kunnen aanwijzen. De President van de Krijgsraad stelt dat de behandeling van de zaak tegen de verdachte D.B. heden voortgang zal vinden, daar de raadsman de gelegenheid heeft gehad zich te doen waarnemen.
De getuige E.A.
Ten aanzien van deze getuige die inmiddels is overleden, wordt door de President van de Krijgsraad gesteld dat de raadsman op een vorige zitting had aangegeven zich te willen beraden over het verzoek van het Openbaar Ministerie om de verklaring welke de getuige tijdens het Gerechtelijk Vooronderzoek had afgelegd, als voorgelezen te beschouwen. De Krijgsraad verleent thans akte van voorlezing, weshalve deze verklaring als voorgelezen wordt beschouwd.
De getuige I.A.
De getuige is niet aanwezig ter terechtzitting. Blijkens het rapport van de deurwaarder is het dorp Villa Brasil aangedaan op zoek naar de getuige, echter is daar vernomen dat hij er vanaf maart vorig jaar niet meer vertoeft.
Ter plekke is slechts bekend dat betrokkene werkzaamheden verricht op de concessie van dhr. Brunswijk. Vanwege het feit dat de getuige niet aangetroffen is geworden, is de dagvaarding niet uitgereikt. De Plaatsvervangend Auditeur-Militiar - in de gelegenheid gesteld ter reageren - stelt dat betrokken getuige zich in beginsel ontrekt van zijn wettelijke verplichting tot getuigen.
Volgens de Plv. Auditeur Militair had het Openbaar Ministerie indertijd namelijk informatie bekomen dat betrokkene in het buitenland vertoefde, echter bleek bij naspeuring dat hij daar uitgeschreven was.
Er is toen telefonisch contact met deze getuige opgenomen, en hem is medegedeeld met welke reden men naar hem op zoek was. Vanaf dat moment is betrokkene niet aanwezig geweest op de plekken waarop met hem wordt afgesproken. De Plv. Auditeur Militair vervolgt met te stellen dat ingevolge de wet, een getuige die behoorlijk is opgeroepen, mag worden medegebracht.
Derhalve wenst het Openbaar Ministerie in de gelegenheid te worden gesteld de getuige alsnog op zijn laatst bekende adres te dagvaarden, waarbij de dagvaarding eventueel aan een huisgenoot zal worden afgegeven. Indien de getuige daarna niet verschijnt ter terechtzitting, zal het Openbaar Ministerie diens medebrenging vragen, hetwelk inhoudt dat hij – indien hij ergens wordt aangetroffen – kan worden aangehouden en opgehouden voor medebrenging.
De zitting wordt kort geschorst, opdat de Krijgsraad zich kan beraden over het verzoek van de Plv. Auditeur Militair. Na hervatting van de zitting stelt de President van de Krijgsraad dat het niet helemaal duidelijk is wat het officiële adres van betrokken getuige is. Besloten wordt dat het Openbaar Ministerie in de gelegenheid zal worden gesteld deze getuige alsnog te dagvaarden op zijn officiële woonadres zoals dat in de bevolkingsregisters is aangegeven.
Het verhoor van de getuige J.D.
De getuige is aanwezig ter terechtzitting, en wordt na opgave van de personalia de belofte afgenomen. De getuige is op een eerdere zitting reeds gehoord, doch heeft het Openbaar Ministerie behoefte hem vandaag nader te horen. Deze getuige is militair, en was op 8 december 1982 ingedeeld bij de Echo Compagnie.
Aan de getuige worden door de President van de Krijgsraad alsook de Plv. Auditeur Militair vragen gesteld omtrent o.a. de gedeelten van het Fort Zeelandia die indertijd toegankelijk waren voor de manschappen, de keren waarop de getuige de leden van de zogeheten “Groep van zestien” ter plekke heeft waargenomen, alsook bijzonderheden omtrent schoten welke hij op of omstreeks 8 december 1982 heeft gehoord.
De getuige R. R.
Deze getuige - die tevens verdachte is van strafbare feiten welke zich zouden hebben voorgedaan op of omstreeks 8 december 1982 - is niet ter terechtzitting aanwezig. De Plv. Auditeur Militair stelt dat de raadsman van R. R. vanmorgen heeft aangegeven dat betrokkene zich niet goed voelt, en dus niet ter terechtzitting aanwezig zal kunnen zijn.
Echter weigert het Openbaar Ministerie te volstaan met steeds weer de mededeling van de raadsman dat de persoon van R. R. zich niet goed voelt, vooral daar diens behandelend medicus op een vorige zitting heeft verklaard op welke wijze en voor welke tijdsduur betrokkene ter terechtzitting kan worden gehoord.
De Plv. Auditeur Militair vraagt thans dat de medebrenging van de getuige wordt bevolen, waarbij het Openbaar Ministerie er desnoods zorg voor zal dragen dat er artsen ter terechtzitting aanwezig zijn, zodat zijn gezondheidstoestand geen nadeel ondervindt.
De zitting wordt kort geschorst, opdat de Krijgsraad zich kan beraden omtrent het verzoek van de Plv. Auditeur Militair. Na hervatting van de zitting, stelt de President van de Krijgsraad dat de getuige R. R. behoorlijk in persoon is gedagvaard. Op de zitting van 7 januari jl. is de internist I.H. als getuige gehoord omtrent de mogelijkheid de persoon van R. R. ter terechtzitting te horen.
Volgens de medicus was het horen van betrokkene ter terechtzitting wel degelijk mogelijk voor de duur van maximaal 3 uren. Heden is slechts een mondelinge mededeling van de raadsman van R. R. ontvangen dat betrokkene niet ter terechtzitting zal verschijnen.
De Krijgsraad besluit derhalve gehoor te geven aan het verzoek van het Openbaar Ministerie; weshalve akte van niet verschijning wordt verleend en de medebrenging van de getuige op de volgende zitting wordt bevolen. Dit bevel tot medebrenging wordt echter onder voorbehoud gegeven, met dien verstande dat het niet zal worden uitgevoerd indien de getuige voordien een medische verklaring overlegt waaruit blijkt dat hij vandaag niet ter terechtzitting kon verschijnen.
In dat geval zal niet tot medebrenging worden overgegaan, doch tot hernieuwde dagvaarding. De Krijgsraad vraagt de Plv. Auditeur Militair er zorg voor te dragen dat te zijner tijd alle medische voorzieningen worden getroffen, zowel ter plekke als gedurende het vervoer van de getuige.
Het onderzoek tegen de verdachte D. B. wordt uitgesteld naar vrijdag 16 april as. De Krijgsraad houdt de Plv. Auditeur Militair voor dat het Openbaar Ministerie tijdig dient aan te geven welke getuigen zij op die datum wil doen horen.
Het onderzoek tegen de verdachte R. E.
Deze getuige - die tevens verdachte is van strafbare feiten welke zich zouden hebben voorgedaan op of omstreeks 8 december 1982 - is niet ter terechtzitting aanwezig. De Plv. Auditeur Militair stelt zojuist van de Griffier van de Krijgsraad te hebben vernomen dat het bericht bij de Krijgsraad is gedeponeerd dat de verdachte heeft aangegeven niet aanwezig te kunnen zijn, daar hij van de trap gevallen is. De Plv. Auditeur Militair vraagt zich in gemoede af in hoeverre genoegen moet worden genomen met een mededeling van horen zeggen.
Aangezien de getuigen die heden in deze zaak zijn opgeroepen allen ter terechtzitting aanwezig zijn, vraagt het Openbaar Ministerie dat hun verhoor vanwege proces economische redenen voortgang vindt. De verdachte - die zijn eigen verdediging voert - krijgt uiteraard inzage in de processen-verbaal van de verhoren, en indien hij de getuigen vragen te stellen heeft, kunnen die alsnog opnieuw worden gedagvaard.
De zitting wordt kort geschorst opdat de Krijgsraad zich kan beraden omtrent het verzoek van de Plv. Auditeur Militair. Na hervatting van de zitting, stelt de President van de Krijgsraad dat gebleken is dat de verdachte correct in persoon is opgeroepen op 15 maart jl. Desondanks is het bericht ontvangen dat betrokkene van de trap is gevallen. Besloten wordt dat het Openbaar Ministerie de verdachte opnieuw zal oproepen. Betrokkene zal dan wel een attest dienen te overleggen waaruit kan blijken van de mededeling die heden is gedaan aan de Krijgsraad.
De getuigen H.M., H.S., E.D. en H.K.
In de zaak tegen deze verdachte zijn 4 getuigen opgeroepen. De getuigen zijn allen ter terechtzitting aanwezig, en worden gezamenlijk geleid voor de Krijgsraad. Hen wordt voorgehouden dat zij aan hun wettelijke plicht tot verschijning hebben voldaan, doch dat bericht is ontvangen dat de verdachte ongelukkigerwijs van de trap is gevallen.
Hoewel deze mededeling op dit moment niet geverifieerd kan worden, is desondanks besloten de behandeling van de zaak tegen deze verdachte uit te stellen naar vrijdag 16 april as. en worden de getuigen aangezegd op die datum aanwezig te zijn.
Het onderzoek tegen de verdachte M.Z.
De verdachte is ter terechtzitting aanwezig, doch wordt niet bijgestaan door een raadsman. In de zaak van deze verdachte zijn 2 getuigen op de rol gebracht.
De getuige I.G.
De getuige is niet ter terechtzitting aanwezig. De President van de Krijgsraad stelt dat er een schijven van betrokkene is ontvangen waarin hij aangeeft dat hij op 16 maart een dagvaarding heeft ontvangen om op 19 maart ter terechtzitting aanwezig te zijn, doch dat hij op die datum uitlandig zal zijn.
In het schrijven is tevens door de getuige gesteld dat hij bereid is om op een andere datum getuigenis af te leggen. Naar aanleiding van het voorgaande, vraagt de Plv. Auditeur Militair dat de getuige wordt gedagvaard voor de zitting van 16 april as, hetwelk wordt gelast door de Krijgsraad.
Het verhoor van de getuige W.C.
De getuige is ter terechtzitting aanwezig. Deze getuige is tevens verdachte van strafbare feiten welke zich op of omstreeks 8 december 1982 zouden hebben voorgedaan. De President van de Krijgsraad houdt betrokkene voor dat hij thans als getuige voor de Krijgsraad staat, en niet als verdachte, waardoor hetgeen hij zo aanstonds mocht verklaren, niet in de strafzaak tegen hem gebuikt zal worden.
Aangezien betrokkene op een vorige zitting als getuige was gedagvaard en niet verschenen was, is hij heden medegebracht. Op de vraag van de President van de Krijgsraad waarom hij toen afwezig was, stelt de getuige dat het aan omstandigheden heeft gelegen. Deze getuige is gedurende het Gerechtelijk Vooronderzoek gehoord door de Militaire Politie en de Rechter Commissaris, en hem worden thans de toen afgelegde verklaringen voorgehouden ter verificatie van de handtekening.
De getuige, die ten tijde van 8 december 1982 militair was, vertelt desgevraagd dat hij in de ochtend van 7 op 8 december 1982 op de Brigade van de Militaire Politie van de verdachte M.Z. de opdracht kreeg om Brahm Behr op te halen. Toen de getuige aangaf dat Brahm Behr zijn neef was, gaf de verdachte hem aan dat hij dan iemand anders zou moeten ophalen. Geconfronteerd met de uitlatingen van de getuige, stelt de verdachte dat het niet onmogelijk is dat zaken zo zijn gegaan.
Volgens de getuige heeft hij daarna op de Brigade van de Militaire Politie de instructie gehad om Djiewansing Sheombar op te halen in de gevangenis. Echter kan de getuige zich niet meer heugen als die opdracht van de verdachte M.Z. afkomstig was. In ieder geval heeft de getuige toen met een andere militair en de toenmalige directeur van de strafinrichting, Djiewansing Sheombar opgehaald in de gevangen inrichting. Betrokkene is daarna afgeleverd bij het Fort Zeelandia.
Desgevraagd geeft de getuige uitleg over de procedure die gevolgd werd wanneer de Militaire Politie, die indertijd over algemene opsporingsbevoegdheden beschikte, burgers ophaalde. De getuige erkent dat de methodes die zijn gehanteerd bij het ophalen van personen op of omstreeks 8 december 1982, afweken van de reguliere procedures. Tevens erkent de getuige desgevraagd dat hij gedurende zijn militaire loopbaan, nimmer gedetineerden uit de gevangenis heeft moeten ophalen
De getuige geeft desgevraagd aan dat hij indertijd via de media te weten is gekomen wat het uiteindelijke lot is geweest van de personen die op of omstreeks 8 december 1982 zijn opgehaald. Op de vraag van de President van de Krijgsraad hoe hij dacht over hetgeen zich had voorgedaan, stelt de getuige dat hij op gegeven moment een eigen mening daarover had gevormd, die hij echter voor zichzelf hield en ook nu niet wenst prijs te geven.
Na afronding van het verhoor van de getuige, wordt de zaak tegen de verdachte M.Z. uitgesteld naar 16 april as., en vraagt de President van de Krijgsraad welke getuigen het Openbaar Ministerie nog wenst te horen in de zaak tegen deze verdachte. Hierop wordt door de Plv. Auditeur Militair gesteld dat recent op verzoek van het Openbaar Ministerie, 2 getuigen door de Rechter-Commissaris zijn gehoord, en wordt gevraagd dat de verklaringen die betrokkenen daar hebben afgelegd, op de volgende zitting voorgelezen worden. Tevens stelt de Plv. Auditeur Militair er behoefte aan te hebben dat er voor wat betreft de locatie van de gebeurtenissen, een plaatselijke aanwijzing geschied.[1]
Op de vraag van de President van de Krijgsraad welke getuigen hij zou willen doen horen ter terechtzitting, geeft de verdachte aan dat hij dhr. Wako, VN rapporteur, persoonlijk ter terechtzitting zou willen horen, waarop hem door de President van de Krijgsraad wordt voorgehouden dat het aan hem ligt om die persoon hier te krijgen. In reactie daarop, stelt de verdachte niet te weten waar dhr. Wako woont. [2]
Het onderzoek tegen de verdachte Wim C. [3]
De verdachte is ter terechtzitting aanwezig, doch wordt niet bijgestaan door een raadsman. Deze verdachte heeft heden in de zaak tegen de verdachte M.Z., getuigenis afgelegd. Hem wordt thans door de President van de Krijgsraad voorgehouden dat hij op dit moment de hoedanigheid van verdachte heeft, en dat hij geen antwoord behoeft te geven op de hem gestelde vragen. In de zaak tegen deze verdachte, zijn 3 getuigen op de rol gebracht.
Het verhoor van de getuige A.P.
De getuige is aanwezig ter terechtzitting, en wordt na opgave van de personalia onder ede gesteld. Betrokkene is tijdens het Gerechtelijk Vooronderzoek gehoord door de politie, en hem worden de toen afgelegde verklaringen voorgehouden ter verificatie van de handtekening. Deze getuige was op 8 december 1982 Penitentiair Ambtenaar in de strafinrichting Santo Boma alwaar de persoon van Djiewansing Sheombar gedetineerd was.
De getuige verhaalt van hetgeen hij heeft waargenomen in de vroege ochtend van 8 december 1982, toen de toenmalige directeur van de gevangenen inrichting in gezelschap van twee gewapende mannen Djiewansing Sheombar is komen ophalen. De getuige benadrukt echter dat hij degenen die de directeur die avond vergezelden, niet heeft waargenomen, althans niet heeft aanschouwd. Aan de getuige worden vragen gesteld door de Krijgsraad; de Plv. Auditeur Militair noch de verdachte hebben vragen te stellen aan de getuige.
Het verhoor van de getuige N.M.
De getuige is ter terechtzitting aanwezig. Betrokkene was in het jaar 1982 door de rechter veroordeeld tot 2 jaar gevangenisstraf voor zijn bijdrage aan de coup in maart van dat jaar, en was als gevolg daarvan op 8 december 1982 gedetineerd in de strafinrichting te Santo Boma. Volgens zeggen van de getuige is hij in het jaar 1982 in voorarrest mishandeld door leden van de Militaire Politie en met de dood bedreigd door de toenmalige legerfunctionaris Rupert Christopher, thans wijlen.
De getuige verhaalt van hetgeen hij heeft waargenomen in de vroege ochtend van 8 december 1982, toen de toenmalige directeur van de inrichting in gezelschap van 2 gewapende militairen, Djiewansing Sheombar is komen ophalen. De getuige benadrukt dat hij toen slechts de persoon van de directeur positief herkend heeft.
De getuige vervolgt met te stellen dat hij op een eerdere terechtzitting waarop hij als getuige was opgeroepen, in het getuigenvertrek in gezelschap verkeerde van de persoon van de verdachte, die toen ook als getuige was opgeroepen. Volgens zeggen van de getuige, heeft betrokkene hem toen zelf aangegeven dat hij een van die mannen was die in de vroege ochtend van 8 december 1982, tezamen met de directeur van de gevangen inrichting, Djiewansing Sheombar aldaar had opgehaald.
De getuige R.S.
De Plv. Auditeur Militair stelt dat eerder ter terechtzitting is gebleken dat deze getuige in het jaar 2008 is overleden, en dat er bereids een overlijdensakte is overgelegd. Derhalve wordt gevraagd dat de verklaring die betrokkene gedurende het Gerechtelijk Vooronderzoek heeft afgelegd, als voorgelezen wordt beschouwd. De verdachte stelt desgevraagd daar geen bezwaar tegen te hebben.
Indertijd was door het Openbaar Ministerie aangegeven dat zij de persoon van J.H. als getuige in deze zaak wenste te horen. Echter stelt de Plv. Auditeur Militair dat wordt afgezien van het horen van de getuige, en dat het Openbaar Ministerie in deze zaak geen andere getuigen wenst te doen opbrengen.
De President van de Krijgsraad houdt de verdachte voor dat hij thans het recht heeft op te geven welke personen hij als getuige zou wensen doen oproepen. De verdachte stelt geen getuigen te willen doen oproepen, waarop hem door de President van de Krijgsraad wordt gevraagd als hij er op voorbereid is vandaag zelf te worden gehoord. Door de verdachte wordt hier bevestigend op geantwoord.
Het verhoor van de verdachte Wim C.
De verdachte verhaalt van de wijze waarop het eraan is toegegaan in de vroege ochtend van 8 december 1982 bij het halen van de persoon van Djiewansing Sheombar uit de gevangenen inrichting te Santo Boma. De President van de Krijgsraad houdt de verdachte hetgeen hem door het Openbaar Ministerie ten laste is gelegd voor, en hem wordt gevraagd als die feiten door hem erkend of ontkend worden, waarop de verdachte stelt hetgeen hem ten laste gelegd is, te ontkennen.
Aan deze getuige worden vragen gesteld door de leden van de Krijgsraad en de Plv. Auditeur Militair. Op een door de President van de Krijgsraad gestelde vraag, stelt de verdachte dat hij daar reeds antwoord op heeft gegeven. Door de President wordt hem voorgehouden dat toen die vraag hem werd gesteld, hij de hoedanigheid had van getuige in de strafzaak tegen een andere verdachte, en dat de verklaring die hij toen heeft afgelegd, nu niet wordt bekeken. Aangezien hij nu de hoedanigheid heeft van verdachte, behoort die vraag hem opnieuw te worden gesteld.
Aan de verdachte worden vragen gesteld over de wijze op welke zaken zich hebben afgespeeld in de vroege ochtend van 8 december 1982, en als die wijze van handelen al dan niet gebruikelijk was. Tevens worden de verdachte vragen gesteld over hetgeen hij heeft waargenomen in het Fort Zeelandia in de dagen na 8 december 1982, gedurende welke periode hij aldaar geconsigneerd was. Op de vraag van de President van de Krijgsraad hoe de gebeurtenissen rond 8 december 1982 door hem zijn ervaren, stelt de verdachte dat hij zoiets nooit meer wenst mee te maken.
Na afronding van het verhoor van deze verdachte, stelt de Plv. Auditeur Militair desgevraagd dat het Openbaar Ministerie in de vorige zaken waarbij zowel de getuigenverhoren als het verdachtenverhoor zijn afgerond, steeds heeft gesteld dat ondanks het feit dat de verdachten afzonderlijk zijn gedagvaard, de verschillende zaken onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn, en het Openbaar Ministerie het daarom van belang acht dat het requisitoir pas wordt gevoerd wanneer de verhoren van al de verdachten zijn afgerond.
De verdachte stelt geen commentaar te hebben op hetgeen de Plv. Auditeur Militair heeft aangedragen, waarop de President van de Krijgsraad aangeeft dat, gelet op het feit dat de verschillende verdachten ten laste is gelegd dat zij de feiten tezamen en in vereniging met de hoofdverdachte en anderen hebben gepleegd, de Krijgsraad ook in deze zaak bepaalt dat het requisitoir zal plaatsvinden voor alle zaken tegelijk.
Aangezien er niets meer op de rol staat, wordt de zitting omstreeks 16.00 uur gesloten.
mr. Marjory Sanches
Woordvoerder 8 decemberstrafproces
Paramaribo, 25 februari 2010
Communiqué no. 31
Krijgsraadzitting 15 februari 2010 in het 8 December strafproces
Op maandag 15 februari 2010 is het 8 december strafproces voortgezet in de stand waarin het geding was geschorst op 7 januari jl. Voor de zitting van 15 februari zijn 6 verdachten en 12 getuigen op de rol gebracht.
Het onderzoek tegen de verdachte D. B.
Omstreeks 10.25 uur wordt de zitting geopend door de President van de Krijgsraad en de zaak van de verdachte D.B. afgeroepen. De verdachte is niet ter terechtzitting aanwezig, zijn raadsman is dat wel. Gevraagd naar de reden van afwezigheid van zijn cliënt, geeft de raadsman aan geen contact te hebben gehad met deze.
De President van de Krijgsraad stelt dat op de vorige zitting het onderzoek tegen de verdachte was geschorst en naar de Rechter Commissaris terugverwezen voor het horen van getuigen. Deze getuigen zijn gehoord door de Rechter Commissaris, en wordt thans door de Krijgsraad besloten het onderzoek tegen de verdachte te hervatten.
In reactie hierop stelt de raadsman dat hij geen kennis draagt van de verhoren. Volgens zeggen van de raadsman heeft de verdediging na de schorsing van het onderzoek tegen de verdachte contact gehad met de Rechter Commissaris, en was afgesproken dat de verdediging zou worden medegedeeld wanneer de verhoren plaats zouden vinden. Echter heeft de verdediging geen uitnodiging gehad om bij het verhoor aanwezig te zijn, en heeft zij derhalve geen gelegenheid gehad vragen te stellen.
De President van de Krijgsraad leest thans een aan de Krijgsraad gericht schrijven voor afkomstig van de Rechter Commissaris, gedateerd 12 februari 2010, waarin wordt gesteld dat de verdediging op de hoogte is gesteld van het verhoor van de getuige D. De President van de Krijgsraad houdt de raadsman voor dat indien hij van mening is dat hetgeen door de Rechter Commissaris is gesteld niet is geschied, hij dat schriftelijk moet aangeven aan de Krijgsraad, die dat zal voorleggen aan de Rechter Commissaris.
In reactie hierop stelt de raadsman dat op de vorige zitting was aangegeven dat de zaak tegen zijn cliënt geschorst werd voor het horen van een nog bij name te noemen getuige. Aangezien de verdediging daarna een schrijven heeft ontvangen waarin werd aangegeven dat de persoon van M.G. als getuige gehoord zou worden, heeft hij zich op die persoon gefocust. De President van de Krijgsraad geeft aan dat de persoon van M.G. niet gehoord is geworden door de Rechter Commissaris, waarop de raadsman stelt dat hij in verband daarmee thans een proces incident wenst op te werpen.
De raadsman betoogt dat het schrijven van de Rechter Commissaris dat voorgelezen is geworden door de President, niet het schrijven is dat aan de Krijsgraad moest worden gericht. Volgens de raadsman geeft de laatste volzin van artikel 302, lid 2 van het Wetboek van Strafvordering namelijk aan dat de Rechter Commissaris na afloop van het onderzoek de stukken moet meedelen aan de vervolgingsambtenaar, die dan aan de Rechter Commissaris zou moeten hebben aangegeven dat de vervolging afziet van het horen van de getuige M.G. Aangezien dat niet is gebeurd, zou volgens stelling van de raadsman, hervatting van de zitting in deze stand, in strijd zijn met artikel 302 van het Wetboek van Strafvordering.[1]
De raadsman werpt de vraag op als er ten aanzien van de getuige M.G. dan kan worden gesteld dat het onderzoek is afgelopen. Volgens de raadsman kan het onderzoek pas worden afgesloten door de Rechter Commissaris en de zitting worden hervat, wanneer het Openbaar Ministerie zou afzien van het horen van de getuige M.G..
In reactie op het betoog van de raadsman, stelt de Plaatsvervangend Auditeur Militair te hebben aangehoord op welke wijze betrokkene artikel 302 van het Wetboek van Strafvordering interpreteert, en wat deze onder “afloop” verstaat. De Plv. Auditeur Militair stelt dat nu de Rechter Commissaris heeft bericht dat zij bepaalde werkzaamheden niet heeft kunnen verrichten, zij conform de wet het onderzoek heeft afgesloten en de zaak heeft terugverwezen naar de Krijgsraad.
Volgens de Plv. Auditeur Militair zal – indien de vervolging de behoefte heeft de getuige te horen – zij nog altijd de mogelijkheid hebben te vragen dat de zaak weer wordt verwezen naar de Rechter Commissaris. Nu de Rechter Commissaris proces-verbaal heeft opgemaakt waarin is gesteld dat zij de getuige niet heeft kunnen horen, en het onderzoek daarom wordt afgesloten, is er volgens de Plv. Auditeur Militair geen juridische belemmering om de zaak tegen de verdachte thans voort te zetten, reden waarom gevraagd wordt het verzoek van de verdediging te verwerpen.
De raadsman reageert door te stellen dat er geen sprake is van interpretatie, doch dat artikel 302, lid 2 van het Wetboek van Strafvordering aangeeft dat de Rechter Commissaris na afloop van het onderzoek de stukken meedeelt aan de vervolgingsambtenaar.
De Krijgsraad heeft op verzoek van het Openbaar Ministerie de instructie gegeven een getuige te horen, en indien deze getuige niet is gehoord, behoorde het Openbaar Ministerie de Rechter Commissaris aan te geven dat afgezien wordt van deze getuige, daar het niet de taak van de Rechter Commissaris is om aan te geven dat de getuige niet te vinden is.
Volgens de raadsman heeft de Rechter Commissaris de bevoegdheid tot medebrenging, welke haar thans ontnomen is geworden. Tevens heeft het Openbaar Ministerie volgens de raadsman het recht verwerkt om de getuige nog te doen horen, nu het onderzoek door de Rechter Commissaris is afgesloten zonder dat door het Openbaar Ministerie is aangegeven dat afgezien wordt van de getuige. De raadsman besluit zijn betoog door te stellen dat de Krijgsraad het onderzoek tegen de verdachte D.B. thans niet kan hervatten, aangezien de stukken niet aan haar mochten worden medegedeeld door de Rechter Commissaris.
In reactie op het betoog van de raadsman, stelt de Plv. Auditeur Militair dat de Rechter Commissaris het onderzoek heeft afgesloten en daarvan mededeling is gedaan aan de verdachte. Voor het overige persisteert het Openbaar Ministerie bij haar eerder aangegeven standpunten.
Na de standpunten van de verdediging en vervolging te hebben aangehoord, wordt de zitting voor enige tijd geschorst, opdat de Krijgsraad zich omtrent het onderwerpelijke kan beraden.
Na hervatting van de zitting stelt de President van de Krijgraad dat inzake het procesincident dat opgeworpen is door de raadsman, artikel 302 van het Wetboek van Strafvordering van belang is. Het artikel wordt thans in zijn geheel voorgelezen door de President.
Na voorlezing van het artikel, stelt de President dat de Rechter Commissaris na afloop van het onderzoek de stukken dient mede te delen aan de vervolgingsambtenaar. De Plv. Auditeur Militair wordt thans gevraagd als die mededeling hem is gedaan door de Rechter Commissaris.
In antwoord hierop stelt de Plv. Auditeur Militair dat hij vrijdag jl. tussen 2 en 3 uur des namiddags door de Rechter Commissaris is medegedeeld dat het onderzoek is afgesloten en dat de deurwaarder de afsluiting van het Gerechtelijk Vooronderzoek diende te betekenen aan de verdachten. De Plv. Auditeur Militair heeft toen de Militaire Politie gevraagd hieromtrent in contact te treden met de Griffier van de Rechter Commissaris, en de sluiting van het onderzoek is de verdachten op zaterdag jl. betekend.
Na deze mededeling van de Plv. Auditeur Militair stelt de President van de Krijgsraad dat uit artikel 302 van het Wetboek van Strafvordering niet blijkt dat de stukken in handen van de vervolgingsambtenaar moeten worden gesteld, doch dat zij aan de vervolgingsambtenaar moeten worden medegedeeld.
Aangezien die mededeling heeft plaatsgevonden, is artikel 302, lid 2 van het Wetboek van Strafvordering wel degelijk in acht genomen. Door de President wordt tevens opgemerkt dat op schending van dat artikel, trouwens geen nietigheid staat. Het Openbaar Ministerie heeft alsnog de gelegenheid de getuige M.G. ter terechtzitting te doen horen, en kan aan de Krijgsraad aangeven wanneer zij zulks wenst te doen.
De Plv. Auditeur Militair houdt de Krijgsraad voor dat de persoon van M.G. zich op enig moment had gemeld en had aangegeven dat hij bereid was tot het afleggen van de getuigenis. Aangezien die bereidheid kennelijk niet meer bestaat, zal het Openbaar Ministerie vragen dat betrokkene op het onderzoek ter terechtzitting wordt gehoord, en dat eventueel diens medebrenging naar de zitting gelast wordt.
Het verhoor van de getuige L.G.- H.
De getuige is aanwezig ter terechtzitting en wordt na opgave van de personalia onder ede gesteld. Deze getuige is gedurende het Gerechtelijk Vooronderzoek gehoord geworden door de Rechter Commissaris en de politie, en haar worden de toen afgelegde verklaringen voorgelegd ter verificatie van de handtekening.
Deze getuige is de toenmalige echtgenote van Kenneth Gonçalves, die een van de personen is die op of omstreeks 8 december 1982 om het leven is gekomen. Bij aanvang van het verhoor vraagt de getuige de Krijgsraad toestemming enige documenten voor te mogen lezen om zaken in context te plaatsen. Dit verzoek wordt toegestaan, waarna de getuige een aanvang maakt met het voorlezen dan wel samenvatten van de volgende documenten:
| 1 | Een schrijven van de Orde van Advocaten gericht aan het Militair Gezag in de persoon van de Bevelhebber van het leger, dhr. D. Bouterse, d.d. 3 augustus 1982 |
| 2 | Een verslag van een bespreking gehouden op 7 augustus 1982 tussen de Orde van Advocaten, het Militair Gezag en functionarissen van het Openbaar Ministerie |
| 3 | Een verklaring van de AVVS de Moederbond, d.d. 6 augustus 1982 |
| 4 | Een motie aangenomen op het congres van de Moederbond op 11 augustus 1982 |
| 5 | Een schrijven van verschillende vak- en werknemersorganisaties aan de voorzitter van het Beleidscentrum, dhr. D. Bouterse, d.d. 31 oktober 1982 |
| 6 | Een schrijven van de Orde van Advocaten aan de voorzitter van het Beleidscentrum, dhr. D. Bouterse, d.d. 2 november 1982 |
| 7 | Een schrijven van de Associatie voor Democratie, in vergadering bijeengekomen op 17 november 1982 |
| 8 | De tekst van een via de televisie uitgezonden toespraak gehouden op 15 november 1982 door dhr. D. Bouterse |
| 9 | Een schrijven van de Associatie voor Democratie aan de voorzitter van het Beleidscentrum, dhr. D. Bouterse, d.d. 23 november 1982 |
| 10 | Een schrijven van de Associatie voor Democratie gericht aan dhr. D. Bouterse, d.d. 3 december 1982 |
Uit de voorgelezen documenten blijkt o.a. van het misnoegen dat indertijd geuit is door de Orde van Advocaten, de Moederbond en een aantal maatschappelijke en religieuze organisaties verenigd in de Associatie voor Democratie ten aanzien van het gegeven dat verdachten die door de Rechter Commissaris in vrijheid waren gesteld, weder in hechtenis zijn genomen in opdracht van het Militair Gezag, hetwelk werd beschouwd als een miskenning en aantasting van het aanzien van de Rechterlijke Macht. Blijkens de voorgelezen documenten, is indertijd door het Militair Gezag o.a. gesteld dat leden van de Rechterlijke Macht bewust de revolutie frustreren door gebruik te maken van hun positie.
Aangezien volgens het Militair Gezag een militaire maatschappij anders is dan een burgermaatschappij, werd het hoogst onverantwoordelijk geacht verdachten van een militaire coup die door de Rechter Commissaris in vrijheid waren gesteld, vrij te doen rondlopen.
Uit de voorgelezen documenten blijkt tevens dat functionarissen van het Openbaar Ministerie ten aanzien van deze kwestie, het standpunt kenbaar hebben gemaakt dat ook het Militair Gezag zich diende te conformeren aan de wet. Uit de stukken blijkt tevens o.a. dat de Moederbond ten aanzien van deze aangelegenheid heeft verklaard dat onder alle omstandigheden moet worden voorkomen dat de Justitie, het Openbaar Ministerie en de Rechterlijke Macht ondergeschikt worden aan het Militair Gezag.
Uit de voorgelezen documenten blijkt tevens o.a. dat de organisaties verenigd in de Associatie voor Democratie de mening hebben geuit dat bij de bevelhebber van het Leger; Voorzitter van het Beleidscentrum geen ruimte is voor andersdenkenden of voor constructief overleg buiten de door hem getrokken lijnen. Diens opvattingen gaan volgens de Associatie voor Democratie voorbij aan de essentie van democratie, en zullen leiden tot verdere polarisatie en desintegratie van de samenleving en een ongekende repressieve machtsuitoefening.
Het voorlezen van de documenten door de getuige neemt ruim anderhalf uur in beslag. Volgens betrokkene zijn de verschillende brieven een voortdurend verzoek om tot dialoog te geraken, doch is hierop nimmer een formeel antwoord op ontvangen, hoewel er door degene aan wie zij gericht waren, wel naar verwezen is in toespraken.
Aan de getuige worden door zowel de leden van de Krijgsraad als de Plv. Auditeur Militair en de raadsman vragen gesteld omtrent o.a. de situatie voorafgaand aan en volgend op de datum van 8 december 1982, en contacten welke haar toenmalige echtgenoot - die Deken van de Orde van Advocaten was - indertijd zou hebben onderhouden.
De getuige verhaalt tevens van de omstandigheden in de gezinswoning bij het ophalen van haar echtgenoot door gewapende mannen op of omstreeks 8 december 1982, alsook de omstandigheden bij het mortuarium van het Academisch Ziekenhuis bij de identificatie van het stoffelijk overschot van haar echtgenoot, en de staat waarin dat stoffelijk overschot verkeerde.
Op de vraag van de President van de Krijgsraad hoe de gebeurtenissen van 8 december 1982 door haar zijn ervaren, stelt de getuige dat haarzelf en anderen hierdoor onbeschrijfelijk leed is aangedaan. De getuige stelt blij te zijn dat het proces wordt gevoerd. Zij is van mening dat er in een rechtstaat geen straffeloosheid kan bestaan, omdat ieder onrecht onderzocht en berecht dient te worden.
Het verhoor van de getuige O.H.
De getuige is aanwezig ter terechtzitting, en wordt na opgave van de personalia onder ede gesteld. De getuige is gedurende het Gerechtelijk Vooronderzoek gehoord geworden door de Rechter Commissaris en de politie, en haar worden de toen afgelegde verklaringen voorgelegd ter verificatie van de handtekening. Deze getuige is de dochter van Eddie Hoost, die een van de personen is die op of omstreeks 8 december 1982 om het leven is gekomen.
Aan deze getuige worden door zowel de leden van de Krijgsraad als de Plv. Auditeur Militair en de raadsman, vragen gesteld. De getuige verhaalt o.a. van de omstandigheden in de ouderlijke woning bij het ophalen en wegvoeren van haar vader door gewapende militairen op of omstreeks 8 december 1982. Op de vraag van de President van de Krijgsraad hoe de gebeurtenissen van toen door haar zijn ervaren, stelt de getuige dat zij deze als een vreselijke schok heeft ervaren.
De getuige J.A.
Door de Plv. Auditeur Militair wordt gesteld dat de Militaire Politie tevergeefs getracht heeft de getuige te traceren. Betrokkene was indertijd militair en is gedurende de binnenlandse oorlog overgelopen naar het Jungle Commando. Naderhand is hij naar Nederland vertrokken en heeft zich daar aangesloten bij het verzet.
Na terugkeer in Suriname is hij in contact gekomen met de toenmalig leider van het Jungle Commando, dhr. Brunswijk, en schijnt hij thans op een van diens goudvelden in het binnenland te werken. De Plv. Auditeur Militair stelt dat het Openbaar Ministerie er belang aan hecht dat de getuige wordt gehoord, en aangezien blijkt dat deze zich schuilhoudt wordt diens medebrenging gevraagd.
De raadsman van de verdachte stelt desgevraagd geen reactie te hebben op hetgeen door het Openbaar Ministerie is gesteld, waarop de President van de Krijgsraad aangeeft dat het Openbaar Ministerie toch dient te trachten de getuige te dagvaarden, omdat zonder dagvaarding immers geen akte van niet verschijning kan worden verleend, noch medebrenging kan worden gelast. In reactie hierop stelt de Plv. Auditeur Militair dat het Openbaar Ministerie zal trachten deze getuige te dagvaarden.
Op de vraag van de President van de Krijgsraad als er nog andere getuigen zijn die het Openbaar Ministerie in deze zaak wenst te horen, wordt door de Plv. Auditeur Militair gesteld dat de persoon van dhr. Adely inmiddels is overleden, doch dat wordt gevraagd dat diens tijdens het Gerechtelijk Vooronderzoek afgelegde verklaring wordt voorgelezen.
In reactie hierop stelt de raadsman niet over die verklaring te beschikken. Hij vervolgt met te stellen dat tot nog toe is afgezien van het voorlezen van stukken, omdat de kwaliteit van het Gerechtelijk Vooronderzoek zo slecht was. De raadsman stelt zich te zullen moeten beraden ten aanzien van het verzoek van het Openbaar Ministerie, waarop door de President van de Krijgsraad wordt aangegeven dat hij tot de volgende zitting de tijd hiertoe heeft.
Nu het einde van de door het Openbaar Ministerie opgegeven getuigen is genaderd, wordt aan de raadsman gevraagd als hij getuigen a decharge heeft op te geven, waarop door betrokkene wordt geantwoord dat het schrijven waarin dit wordt aangegeven reeds onderweg moet zijn naar de Krijgsraad.
Het onderzoek tegen de verdachte D.B. wordt uitgesteld naar 11 maart as. om 09.30 uur.
Het onderzoek tegen de verdachte A.G.
De verdachte zowel zijn raadsman zijn ter terechtzitting aanwezig. In de zaak van deze verdachte zijn er geen getuigen op de rol gebracht. De Plv. Auditeur Militair stelt dat op de vorige zitting het verzoek was gedaan de zaak van deze verdachte terug te verwijzen naar de Rechter Commissaris voor het horen van getuigen. Dat is geschied, en het onderzoek van de Rechter Commissaris is inmiddels afgesloten.
De Plv. Auditeur Militair geeft dat aan de Krijgsraad was doorgegeven dat een bepaalde getuige er geen bezwaar tegen had in kleiner verband gehoord te worden, doch dat zij om haar moverende redenen niet in het openbaar gehoord wenste te worden. Nu het onderzoek van de Rechter Commissaris is afgesloten, wordt gevraagd dat hetgeen deze getuige bij de Rechter Commissaris heeft verklaard, ter terechtzitting wordt voorgelezen. Betrokkene zal dan niet ter terechtzitting worden gedagvaard.
In reactie hierop stelt de raadsman aanwezig te zijn geweest bij het verhoor van de getuige door de Rechter Commissaris, en geen bezwaar te hebben gehad tegen het horen van betrokken getuige aldaar. Echter heeft de verdediging het proces-verbaal van het verhoor van deze getuige door de Rechter Commissaris, nog niet ontvangen. De President van de Krijgsraad stelt dat het proces-verbaal van het verhoor van de getuige pas de dag daarvoor is ontvangen, en wordt de raadsman deze in het vooruitzicht gesteld. Besloten wordt dat het proces-verbaal van het verhoor, als voorgelezen zal worden beschouwd.
De President van de Krijgsraad stelt thans dat er nog enkele getuigen zijn in deze zaak. Geconstateerd wordt dat de persoon van dhr. Adely die als getuige was opgebracht inmiddels overleden is, waarop door de Plv. Auditeur Militair wordt gevraagd dat overgegaan wordt tot voorlezing van de verklaring die betrokkene gedurende het Gerechtelijk Vooronderzoek heeft afgelegd. In reactie hierop stelt de raadsman wel te beschikken over de verklaring die betrokken getuige indertijd heeft afgelegd bij de politie, en er geen bezwaar tegen te hebben dat deze als voorgelezen wordt beschouwd. Besloten wordt dat deze verklaring als voorgelezen zal worden beschouwd.
De President van de Krijgsraad stelt dat verder in deze zaak nog de persoon van dhr. R. C. op de lijst staat als getuige, waarop door de Plv. Auditeur Militair wordt aangegeven dat betrokkene in Nederland woonachtig is en niet bereid is af te reizen naar Suriname om ter terechtzitting getuigenis af te leggen. Thans wordt nagegaan hoe en op welke wijze deze getuige gehoord kan worden. De President van de Krijgsraad stelt dat de Krijgsraad ook bezig is na te gaan hoe getuigen die niet wensen af te reizen om hier te lande getuigenis af te leggen gehoord kunnen worden, doch is er daaromtrent nog geen standpunt ingenomen.
Nu aangegeven is dat in de zaak tegen de verdachte A.G. naar wens van het Openbaar Ministerie slechts het horen van de persoon van R. C. als getuige rest, stelt de raadsman te zullen voldoen aan het verzoek tot opgave van getuigen a decharge.
Het onderzoek tegen de verdachte J.N.
De verdachte is niet ter terechtzitting aanwezig, noch blijkt dat zich voor hem een raadsman heeft gesteld. Aangezien door de Plv. Auditeur Militair was aangegeven dat in een eerdere fase was gebleken dat de verdachte fysiek niet in staat is zich te verplaatsen, is diens behandelend medicus ter terechtzitting gedagvaard om een verklaring te verstrekken omtrent verdachte’s fysieke toestand en eventueel aan te geven op welke wijze deze gehoord zou kunnen worden.
Het verhoor van de getuige H.A.
De getuige is ter terechtzitting aanwezig, en wordt na opgave van de personalia onder ede gesteld. Deze getuige is neuroloog, en is gedagvaard om ter terechtzitting een verklaring af te leggen omtrent de fysieke toestand van de verdachte. De getuige geeft aan dat de verdachte van december 1996 tot december 1997 in het ziekenhuis opgenomen is geweest.
Betrokkene is in het jaar 2004 voor de eerste keer bij hem op consult is geweest, en voor de tweede keer in het jaar 2008. Het doel van het laatste consult was zodat het leger een verklaring kon worden verstrekt, waaruit moest blijken als de verdachte al dan niet bekwaam was tot het verrichten van werkzaamheden. Er bestaat volgens de getuige geen nauwe patient-arts relatie tussen hem en verdachte, en is het hem niet bekend als betrokkene mogelijk bij een andere arts onder behandeling is.
Desgevraagd geeft de getuige thans enig inzicht in het ziektebeeld dat indertijd was vastgesteld, en de fysieke toestand van de verdachte toen hij deze voor het laatst in het jaar 2008 zag. Op het voorstel van de getuige dat de verdachte wederom door hem wordt geëvalueerd zodat hij actuele informatie over diens gezondheidstoestand kan verstrekken, vraagt de President van de Krijgsraad dat het Openbaar Ministerie nagaat als de verdachte hiertoe bereid is. Gesteld wordt echter, dat indien de verdachte niet bereid mocht zijn zich te laten onderzoeken, hij daartoe niet gedwongen kan worden.
De Plv. Auditeur Militair onderkent dat een verdachte niet verplicht is mee te werken aan zijn eigen veroordeling. Hij stelt dat indien betrokkene niet bereid mocht zijn zich te onderwerpen aan een onderzoek uit welke kan blijken als hij al dan niet in staat is zich ter terechtzitting te begeven, het Openbaar Ministerie zal vragen dat verstek tegen betrokkene wordt verleend, en het onderzoek buiten diens aanwezigheid wordt voortgezet.
De President van de Krijgsraad bepaald dat de Auditeur Militair contact zal leggen met het Militair Hospitaal om een mogelijk ontmoetingsmoment tussen de verdachte en de getuige te bewerkstelligen. De getuige wordt aangegeven dat hij in dat geval schriftelijk zijn bevindingen vast zal moeten leggen over de mogelijkheid dat de verdachte ter terechtzitting aanwezig kan zijn, alsook de tijdsduur en de omstandigheden van deze eventuele aanwezigheid.
Het onderzoek tegen de verdachte J.N. wordt hierna uitgesteld naar 11 maart as.
Het onderzoek tegen de verdachte R.R.
De verdachte is niet ter terechtzitting aanwezig, zijn raadsman is dat wel. Op de zitting van 7 januari jl. is de medisch specialist onder wiens behandeling de verdachte staat gehoord, waarbij door deze specialist werd gesteld dat het behandelschema van de verdachte en de daaruit voortvloeiende fysieke gevolgen in acht genomen, betrokkene heden ter terechtzitting kon worden gehoord voor de duur van maximaal 3 uur.
De raadsman van de verdachte stelt dat hij hedenochtend echter telefonisch van zijn cliënt heeft vernomen dat deze zich niet goed voelde, daar hij de dag daarvoor een medische behandeling had ondergaan. De raadsman vervolgt met te stellen dat op de vorige zitting was aangegeven dat de zaak van de verdachte om 14.00 uur behandeld zou worden, doch dat het thans bijkans 17.00 uur is. De raadsman attendeert de Krijgsraad erop dat ook als de verdachte aanwezig zou zijn geweest, hij vandaag dus niet lang ondervraagd zou kunnen zijn geworden.
De President van de Krijgsraad stelt hierop dat het inderdaad de planning was de zaak van de verdachte om 14.00 uur te doen aanvangen, doch dat zaken soms uitlopen. Na enige discussie omtrent de meest geschikte dag en tijdstip voor de voortzetting van de behandeling van de zaak tegen de verdachte, wordt door diens raadsman aangegeven dat - indachtig het behandelschema van de verdachte - zulks des woensdag omstreeks 13.00 uur zou zijn. Door de President van de Krijgsraad wordt gesteld dat hiermede rekening zal worden gehouden bij de zittingsplanning.
De getuigen O.F., V.T. en E.V.
In de zaak van deze verdachte zijn de getuigen O.F., V.T. en E.V. op de rol gebracht. De getuigen zijn allen ter terechtzitting aanwezig, en worden gezamenlijk voor de Krijgsraad geleid. De President houdt betrokkenen voor dat vanwege het feit dat de verdachte wegens gezondheidsredenen niet ter terechtzitting aanwezig kan zijn, zij opnieuw zullen worden opgeroepen op een nader te bepalen datum. De getuigen wordt gevraagd om begrip voor de situatie, en bedankt voor hun aanwezigheid.
De Plv. Auditeur Militair stelt dat aangezien de verdachte kenbaar heeft gemaakt aanwezig te willen zijn bij de behandeling van zijn zaak, door het Openbaar Ministerie wordt voorgesteld dat het onderzoek tegen betrokkene wordt verricht in een zittingsaal in Paramaribo, en wel op een woensdag. Daardoor wordt bewerkstelligd dat de afstand die de verdachte naar de terechtzitting heeft af te leggen korter is, en daardoor de maximale tijdsduur dat hij op de terechtzitting aanwezig kan zijn, optimaal wordt benut.
Hierdoor wordt tevens zeker gesteld dat er geen tijdsverloop plaatsvindt door het horen van andere getuigen. De raadsman van de verdachte - in de gelegenheid gesteld te reageren - geeft aan zich hieromtrent te refereren aan het oordeel van de Krijgsraad. De President van de Krijgsraad stelt dat aangezien deze locatie is aangewezen als zittingslocatie voor dit proces, zal worden nagegaan als het wettelijk gezien mogelijk is een andere zittingslocatie te hanteren.
Het onderzoek tegen de verdachte L.A.
De verdachte noch zijn raadsman zijn ter terechtzitting aanwezig. De raadsman van de verdachte R.R. wiens zaak daarvoor aan de orde was gekomen, stelt waar te nemen voor de raadsman van de verdachte L.A. In de zaak van deze verdachte zijn twee getuigen op de rol gebracht.
De getuigen J.A. en R.C
De getuige J.A. was heden eveneens opgebracht in de zaak van de verdachte D.B. Door de Plv. Auditeur Militair wordt gesteld dat de verblijfsplaats van deze getuige inmiddels gelokaliseerd is, en dat er getracht zal worden betrokkene te dagvaarden. Ten aanzien van de persoon van mevr. R.C., stelt de Plv. Auditeur Militair dat deze in Nederland woonachtig is.
Betrokkene die tevens als getuige in een andere zaak is opgebracht, heeft aangegeven niet bereid te zijn af te reizen om ter terechtzitting getuigenis af te leggen. Ten aanzien van deze getuige wordt nagegaan op welke wijze zij alsnog kan worden gehoord. De President van de Krijgsraad bepaalt dat de getuige J.A. zal worden gedagvaard voor de zitting van 11 maart as., en dat de verdachte zulks wordt aangezegd. Op de vraag van de President van de Krijgsraad naar de reden van afwezigheid van de verdachte, wordt door de raadsman aangegeven dat zulks hem nog niet is medegedeeld.
Het onderzoek tegen de verdachte M.Z.
De verdachte is ter terechtzitting aanwezig, doch wordt niet bijgestaan door een raadsman. Aangezien de zaak van deze verdachte op de vorige zitting naar de Rechter Commissaris was terugverwezen voor het horen van getuigen, wordt de Plv. Auditeur Militair in de gelegenheid gesteld daaromtrent rapportage te doen.
De Plv. Auditeur Militair stelt dat het verhoor van de door het Openbaar Ministerie opgegeven getuigen verricht is geworden door de Rechter Commissaris; dat de verdachte daarbij aanwezig was en in de gelegenheid is geweest vragen te stellen. Het onderzoek is afgesloten door de Rechter Commissaris, en de sluiting is aan de verdachte betekend. Desgevraagd bevestigd de verdachte aanwezig te zijn geweest bij het verhoor van de getuige, en de mededeling van de sluiting van het onderzoek door de Rechter Commissaris ontvangen te hebben.
Het verhoor van de getuige B.J.
De getuige is ter terechtzitting aanwezig en legt na opgave van de personalia de belofte af. Betrokken getuige was ten tijde van 8 december 1982 militair, en op die datum aanwezig in het Fort Zeelandia.
De getuige stelt o.a. dat hij de verdachte, die ten tijde van 8 december 1982 ondercommandant van de Militaire Politie was, in het Fort heeft gezien op of omstreeks die datum, doch niet kan zeggen als de verdachte kennis droeg van zaken die zich daar hebben voorgedaan, noch dat hij daarbij betrokken was.
Tevens stelt de getuige de hele “groep van zestien” die dag gezien te hebben in het Fort, hetwelk volgens zijn zeggen niet gebruikelijk was. Desgevraagd stelt de verdachte zich niet te kunnen herinneren daar te zijn geweest; hij weet het niet, het kan zo zijn. Aan de getuige worden vragen gesteld door de leden van de Krijgsraad en de Plv. Auditeur Militair; de verdachte zelf heeft geen vragen te stellen aan de getuige.
Het verhoor van de getuige H.M.
Deze getuige was gedagvaard voor de zitting van 7 januari jl., doch was toen niet ter terechtzitting aanwezig, weshalve door de Krijgsraad het bevel tot zijn medebrenging op de zitting van heden is verleend. De getuige is thans wel ter terechtzitting aanwezig, en legt na opgave van de personalia de belofte af. Deze getuige was ten tijde van 8 december 1982 militair ingedeeld bij de Echo compagnie. Aan de getuige worden vragen gesteld door zowel de leden van de Krijgsraad als de Plv. Auditeur Militair.
Desgevraagd verhaalt de getuige over de bevelstructuur alsook de relatie tussen de Echo compagnie en de zogeheten “groep van zestien”. De getuige verhaalt tevens van de omstandigheden in het Fort op of omstreeks 8 december 1982, alsook zaken en personen die toen door hem zijn waargenomen. Deze getuige had tijdens het Gerechtelijk Vooronderzoek verklaard de verdachte M.Z. op die datum in het Fort te hebben gezien; desgevraagd stelt de verdachte zich niet te kunnen herinneren als hetgeen de getuige verklaart heeft over zijn aanwezigheid aldaar klopt, aangezien er sindsdien een lange tijd is verstreken.
Na afronding van het verhoor van de getuige, wordt hem door de President van de Krijgsraad gevraagd waarom het zover heeft moeten komen dat zijn medebrenging naar de zitting gelast is geworden, waarop de getuige antwoord heden op eigen gelegenheid naar de zitting te zijn gekomen.
Naar aanleiding hiervan stelt de President van de Krijgsraad dat er ten aanzien van deze getuige een bevel tot medebrenging was uitgevaardigd, en wordt de Plv. Auditeur Militair gevraagd waarom hier geen uitvoering aan is gegeven. De Plv. Auditeur Militair stelt hierop dat het bevel tot medebrenging van de getuige ter uitvoering is afgestaan aan de deurwaarder, weshalve het Openbaar Ministerie ervan is uitgegaan dat de getuige zou worden medegebracht naar de zitting van heden.
Het Openbaar Ministerie verneemt volgens de Plv. Auditeur Militair pas op dit moment dat het bevel tot medebrenging niet is uitgevoerd. In antwoord op nadere vragen gesteld door de President van de Krijgsraad omtrent de reden van zijn afwezigheid op de vorige zitting, geeft de getuige aan dat hij indertijd verhinderd was te verschijnen in verband met zijn op handen zijnde vertrek naar het buitenland. Aan betrokkene wordt aangegeven dat hij zulks dan moest hebben gemeld aan de Plv. Auditeur Militair.
De getuige W.C.
De getuige is niet aanwezig ter terechtzitting, hoewel hij blijkens het rapport van de deurwaarder correct is gedagvaard in persoon. De Krijgsraad verleent derhalve akte van niet verschijning en gelast de medebrenging van de getuige op de zitting van 11 maart as.
De President van de Krijgsraad vraagt de Plv. Auditeur Militair zich te beraden welke getuigen het Openbaar Ministerie nog wenst op te roepen in de zaak van deze verdachte. De verdachte wordt daarna aangegeven dat hij getuigen die voor hem ontlastende verklaringen zouden kunnen afleggen, schriftelijk mag opgeven.
Aangezien er niets meer op de rol staat, wordt de zitting omstreeks 18.05 uur gesloten.
mr. Marjory Sanches
Woordvoerder 8 decemberstrafproces
[1] Artikel 302, lid 1 van het Wetboek van Stafvordering luidt: “Indien enig onderzoek door de rechter-commissaris noodzakelijk blijkt, stelt het Hof met schorsing der zaak tot na de afloop daarvan, onder aanduiding van het onderwerp van het onderzoek en, zo nodig , van de wijze waarop dit zal zijn in te stellen, de stukken in handen van de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken bij de kantongerechten.”
Artikel 302, lid 2 van het Wetboek van Strafvordering luidt: “Het onderzoek geldt als een gerechtelijk vooronderzoek en wordt overeenkomstig de bepalingen van de tweede, derde, vierde en vijfde afdeling van de Derde Titel van het Tweede Boek gevoerd. Na afloop van het onderzoek deelt de rechter-commissaris de stukken mede aan de vervolgingsambtenaar.”
Paramaribo, 14 januari 2010
Communiqué no. 30
Krijgsraadzitting 7 januari 2010 in het 8 December strafproces
Op donderdag 7 januari 2010 is het 8 december strafproces voortgezet in de stand waarin het geding was geschorst op 2 december 2009. Voor de zitting van 7 januari zijn 6 verdachten en 15 getuigen op de rol gebracht.
Het onderzoek tegen de verdachte D. B.
Omstreeks 10.15 uur wordt de zitting geopend door de President van de Krijgsraad en de zaak van de verdachte D.B. afgeroepen. De verdachte is niet aanwezig ter terechtzitting, zijn raadsman is dat wel. Gevraagd naar de reden van afwezigheid van zijn cliënt, geeft de raadsman aan dat deze uitlandig is. In de zaak van deze verdachte zijn 5 personen als getuige op de rol gebracht.
De getuigen L.H., O.H., A.H. en R.C.
Genoemde personen zijn op de rol gebracht als getuigen, doch zijn allen buiten Suriname woonachtig. Ten aanzien van de persoon van L.H. stelt de Plaatsvervangend Auditeur Militair dat het vanwege de jaarwisseling niet goed mogelijk was betrokkene in de maand januari ter terechtzitting te doen krijgen.
Het Openbaar Ministerie heeft minstens een maand nodig om getuigen te dagvaarden via een rechtshulpverzoek en alle zaken hier te effectueren. De persoon van L.H. is bereid af te reizen naar Suriname voor het afleggen van de getuigenis, en gevraagd wordt dat daartoe de gelegenheid wordt geboden.
Ten aanzien van de persoon van O.H., wordt gesteld dat betrokkene had toegezegd in december 2009 reeds hier te lande de getuigenis af te zullen leggen, maar dat zulks vanwege persoonlijke omstandigheden geen voortgang heeft kunnen vinden. Zij heeft aangegeven alsnog bereid te zijn af te reizen.
Ten aanzien van de persoon van A.H., wordt gesteld dat het Openbaar Ministerie contact met betrokkene heeft opgenomen, doch dat gebleken is dat hij op generlei wijze prijs stelt dat er contact met hem wordt opgenomen, zodat het Openbaar Ministerie niet weet als hij bereid is ter terechtzitting getuigenis af te leggen.
Met de persoon van R.C. zijn er gesprekken geweest, en betrokkene heeft er in beginsel geen moeite mee gehoord te worden. Echter is hij emotioneel nog niet zo ver om af te reizen naar Suriname om ter terechtzitting een verklaring af te leggen.
Het verhoor van de getuige L.S.
De getuige is aanwezig ter terechtzitting, en wordt na opgave van de personalia onder ede gesteld. Deze getuige is gedurende het Gerechtelijk Vooronderzoek gehoord geworden door de Militaire Politie, en hem worden de toen afgelegde verklaringen voorgehouden ter verificatie van de handtekening.
Deze getuige was ten tijde van 8 december 1982 militair ingedeeld bij de Echo compagnie. Aan de getuige worden vragen gesteld door President van de Krijgsraad, de Plv. Auditeur Militair en de raadsman. Op een aantal van de hem gestelde vragen met betrekking tot hetgeen zich heeft voorgedaan op of omstreeks 8 december 1982, stelt de getuige dat hij zich dat niet meer kan heugen.
In antwoord op een door de raadsman gestelde vraag, geeft de getuige aan dat hij tijdens het Gerechtelijk Vooronderzoek gehoord is geworden door de verbalisanten A. en S. van de Militaire Politie. Door de raadsman wordt aan de getuige gevraagd als hij de tijdstippen van bepaalde gebeurtenissen zoals hij die had genoemd tijdens zijn verhoor bij de Militaire Politie, op eigen initiatief heeft aangegeven, of als deze tijdstippen hem zijn voorgehouden.
De getuige stelt dat hij denkt dat hij daarmee geholpen is geworden door de verbalisanten, waarop de raadsman vraagt als er nog meer zaken zijn waarmee deze getuige door de verbalisanten is geholpen. In reactie daarop stelt de getuige o.a. dat er tijdens het verhoor een zeker spanning heerste, en dat hij door verbalisant A. bedreigd is geworden met fysiek geweld.
Naar aanleiding van het vorengaande vraagt de President van de Krijgsraad de getuige als het tijdstip dat hij eerder had genoemd waarop een bepaalde situatie zich had voorgedaan, door hem op eigen initiatief is genoemd, of als het hem is voorgehouden, waarop de getuige stelt dat hij het tijdstip heeft genoemd.
Betrokkene wordt er door de President van de Krijgsraad op geattendeerd dat hij met deze uitspraak terugkomt op hetgeen hij eerder heeft aangegeven. Ten aanzien van de uitlating gedaan door de getuige dat er een spanning zou zijn geweest gedurende zijn verhoor bij de Militaire Politie, wordt hem door de President van de Krijgsraad gevraagd als hij door deze spanning indertijd andere zaken heeft verklaard dan hij zou willen hebben verklaren, waarop de getuige ontkennend antwoord.
Na afronding van het verhoor van de getuige, wordt de zitting voor enige tijd geschorst opdat de Krijgsraad zich kan beraden omtrent de voortgang van de zaak. Na hervatting van de zitting stelt de President van de Krijgsraad dat het Openbaar Ministerie in de gelegenheid wordt gesteld de in Nederland woonachtige getuigen L.H. en O.H. te dagvaarden voor de zitting van 15 februari as.
Ten aanzien van de getuigen A.H. en R.C. vraagt de Krijgsraad het Openbaar Ministerie om een voorstel te doen. De Plv. Auditeur Militair stelt dat ten aanzien van de 2 laatstgenoemde personen, vast staat dat zij niet bereid zijn af te reizen. Aan het begin van dit proces was door de Krijgsraad gesteld dat indachtig het onmiddellijkheidsbeginsel, getracht zal worden getuigen zoveel als mogelijk ter terechtzitting te horen.[1]
Nu betrokkenen niet bereid zijn ter terechtzitting te verschijnen en de Surinaamse rechtsmacht zich beperkt tot het Surinaams grondgebied, wordt gevraagd dat volstaan wordt met het ter terechtzitting voorlezen van de verklaringen welke zij tijdens het Gerechtelijk Vooronderzoek onder ede hebben afgelegd bij de Rechter-Commissaris.
De Plv. Auditeur Militair vervolgt met te stellen dat het aan te bevelen is dat de mogelijkheid wordt bekeken om na samenspraak met het Hoofd van de vervolging, met name de Procureur-Generaal, het Hof van Justitie en de Krijgsraad, na te gaan als er nog een mogelijkheid is voor de Krijgsraad om betrokken personen te horen.
De raadsman, in de gelegenheid gesteld te reageren, geeft o.a. aan dat - de kwaliteit van het Gerechtelijk Vooronderzoek in het midden gelaten – in de loop van het proces er zoveel zaken en posities zijn geweest, en personen gedurende het Gerechtelijk Vooronderzoek van de verdachtenlijst zijn gehaald.
De raadsman stelt het van belang te achten dat zeker de persoon van A.H. die de positie had om partijen te adviseren, ter terechtzitting wordt gehoord en dat niet wordt volstaan met voorlezing van delen van diens verklaring.
In reactie hierop stelt de Plv. Auditeur Militair dat het Openbaar Ministerie wenst te volstaan met de voorlezing van de verklaringen, doch indien de verdediging persisteert bij het horen van deze getuigen ter terechtzitting, dat moeten worden meegenomen en het Openbaar Ministerie zich zal refereren aan het oordeel van de Krijgsraad.
Na de standpunten van zowel de verdediging als de vervolging gehoord te hebben, wordt de zitting voor enige minuten geschorst, opdat de Krijsraad zich kan beraden. Na hervatting van de zitting wordt door de President gesteld dat gelet op het feit dat de Krijgsraad eerder heeft aangegeven dat in verband met het onmiddellijkheidsbeginsel, getuigen indien mogelijk ter terechtzitting moeten worden gehoord, zij zich zal beraden en zal nagaan als deze mogelijkheid bestaat ten aanzien van de getuigen A.H. en R.C.
De Plv. Auditeur Militair houdt de Krijgsraad thans voor dat het gebleken is dat een persoon die vanaf het politioneel onderzoek door verschillende getuigen is genoemd als iemand die heel bruikbare verklaringen zou kunnen afleggen, contact heeft opgenomen met het Openbaar Ministerie. Derhalve wordt verzocht deze persoon - wiens identiteit schriftelijk aan de Krijgsraad en de raadsman kenbaar zal worden gemaakt - als getuige te doen horen door de Rechter-Commissaris.
In reactie op het verzoek van de Plv. Auditeur Militair bepaalt de Krijgsraad dat het onderzoek tegen de verdachte D.B. voorwaardelijk wordt geschorst, met dien verstande dat de 2 andere getuigen op 15 februari as. gehoord kunnen worden. De zaak van de verdachte D.B. wordt terugverwezen naar de Rechter-Commissaris, en zodra die klaar is met het horen van de getuige wordt dat kenbaar gemaakt, zodat de getuigen L.H. en O.H. alsnog opgeroepen kunnen worden.[2]
Het onderzoek tegen de verdachte A.G.
De verdachte noch zijn raadsman zijn ter terechtzitting aanwezig. De President van de Krijgsraat stelt dat via de Griffie bericht is ontvangen dat de verdachte op gisteren 6 januari om 13.30 uur is opgeroepen. Dit is een dusdanig korte termijn, waardoor de verdachte vanwege uitstedigheid niet ter terechtzitting aanwezig kan zijn.
De Plv. Auditeur Militair, in de gelegenheid gesteld te reageren, merkt op dat op de zitting op welke de verdachte aanwezig was, het moment niet is aangegeven waarop het onderzoek tegen hem zou worden hervat. Aangezien er geen voortzettingbeschikking voorhanden was, heeft het Openbaar Ministerie een voortzettingoproep gedaan. De verdachte is uitstedig en heeft dus een reden waarom hij niet kan verschijnen.
De Plv. Auditeur Militair vervolgt met te stellen dat in de zaak van deze verdachte, 4 getuigen op de rol zijn gebracht, met name de personen van L.S., J.G., A.M. en R.C. De getuigen L.S. en J.G. zijn reeds gehoord, en bestaat er geen behoefte hen weder te horen.
Ten aanzien van de persoon van A.M. die in het buitenland woonachtig is, wordt door het Openbaar Ministerie afgezien van het horen van de getuige. Ten aanzien van de in het buitenland woonachtige persoon van R.C. die niet in Suriname wenst te worden gehoord, zal de mogelijkheid worden bekeken dat deze in Nederland wordt gehoord.
De Plv. Auditeur Militair vervolgt met te stellen dat hoewel noch de verdachte noch diens raadsman aanwezig zijn, gevraagd wordt dat ook de zaak van de verdachte A.G. terugverwezen wordt naar de Rechter-Commissaris, omdat het Openbaar Ministerie ook in deze zaak een getuige heeft weten te achterhalen die bruikbaar is voor de waarheidsvinding.
Naar aanleiding van hetgeen aangedragen door de Plv. Auditeur Militair, doet de President van de Krijgsraad ten eerste een beroep op het Openbaar Ministerie dat in het vervolg een ruimere termijn in acht wordt genomen voor oproepingen.
Ten aanzien van de getuige J.G., wordt gesteld dat betrokkene abusievelijk op de rol is geplaatst. Deze persoon is reeds overleden, en is op een vorige zitting de verklaring die betrokkene tijdens het Gerechtelijk Vooronderzoek onder ede had afgelegd bij de Rechter-Commissaris voorgelezen.[3]
Ten aanzien van het verzoek van het Openbaar Ministerie om een getuige te doen horen door de Rechter-Commissaris, wordt gesteld dat dit verzoek dient te worden gedaan in tegenwoordigheid van de verdachte of diens raadsman.
Aan de Plv. Auditeur Militair wordt aangegeven dat dit verzoek schriftelijk aan de Krijgsraad kan worden gedaan, met een kopie van dat schrijven aan de raadsman, zo niet moet het verzoek op de volgende zitting worden gedaan. De Plv. Auditeur Militair stelt hierop dat het verzoek schriftelijk zal worden gedaan.
Het onderzoek tegen de verdachte R.R.
De verdachte is niet aanwezig ter terechtzitting, zijn raadsman is dat wel. Ten aanzien van deze verdachte is op vorige zittingen door diens raadsman betoogd dat betrokkene er prijs op stelt aanwezig te zijn bij de behandeling van zijn zaak, doch dat hij vanwege zijn persoonlijk ziektebeeld en het daarbij behorende behandelingsschema, in principe slechts des zaterdags daartoe in staat zou zijn.
Op voorstel van de Plv. Auditeur Militair is indertijd door de Krijgsraad bepaald dat de behandelend medicus van de verdachte ter terechtzitting zou worden gedagvaard om aan te geven als – en zo ja onder welke omstandigheden het mogelijk zou zijn dat de verdachte ter terechtzitting aanwezig kon zijn.
Het verhoor van de getuige I.H.
De getuige I.H. is ter terechtzitting aanwezig, en wordt na opgave van de personalia onder ede gesteld. Deze getuige is medisch specialist onder wiens behandeling de verdachte R.R. staat. Desgevraagd geeft de getuige aan dat de conditie van de verdachte zich sinds het jaar 2007 in positieve zin heeft gewijzigd, en dat het buiten zijn behandeldagen eventueel mogelijk zal zijn hem te horen.
Naar aanleiding van vragen gesteld door de Plv. Auditeur Militair geeft de getuige nader inzicht over het ziektebeeld van de verdachte, de behandelingen welke betrokkene ondergaat en de invloed die deze op zijn gestel hebben. Al datgene in overweging nemende, zal het volgens de getuige mogelijk zijn de verdachte op deze locatie te horen voor de duur van maximaal 3 uren.
De Plv. Auditeur Militair houdt de getuige voor informatie te hebben bekomen dat de persoon van de verdachte een fervent trimmer is, en dat hij zulks regelmatig doet. Tevens stelt de Plv. Auditeur Militair schriftelijke informatie te hebben bekomen dat de persoon van de verdachte regelmatig zijn omgeving terroriseert.
Volgens stelling van de Plv. Auditeur Militair zou een persoon die in staat is te trimmen, ook in staat moeten zijn op een aangepaste stoel ter terechtzitting aanwezig te zijn. In reactie hierop stelt de getuige niet op de hoogte te zijn van de gedragingen die de verdachte door de Plv. Auditeur Militair zijn toegeschreven, doch heeft de verdachte wel aangegeven dat hij zich buiten de behandeldagen niet goed voelt.
De getuige stelt dat het de patiënten bekend is dat zij zich in zulke gevallen bij de Spoedeisende Hulp mogen melden, echter heeft zij de verdachte daar nimmer zien verschijnen. De Plv. Auditeur Militair geeft aan dat er ter terechtzitting steeds een basisarts aanwezig is, en vraagt als deze arts mogelijke eventualiteiten de verdachte betreffende zou kunnen opvangen ter terechtzitting.
In reactie hierop wordt door de getuige gesteld dat een basisarts aan wie instructies worden gegeven, zeker hiertoe in staat zou zijn, aangezien de opvang bij de instelling waar de verdachte wordt behandeld, ook op deze wijze geschied.
De raadsman van de verdachte stelt dat de antwoorden van de getuige duidelijk zijn, doch dat hij zich afvraagt wat de relevantie is van de opmerkingen van de Auditeur Militair omtrent gedragingen van de verdachte.
Volgens de raadsman zouden, indien men over informatie beschikt, zaken onderzocht moeten worden, doch behoeven deze niet aan de getuige te worden voorgehouden. De President van de Krijgsraad stelt hierop dat de Krijgsraad om die reden dan ook niet is ingegaan op de opmerkingen van de Auditeur Militair.
Na afstemming met de getuige omtrent het meest gunstige moment voor het ter terechtzitting aanwezig zijn van de verdachte, wordt door de Krijgsraad bepaalt dat de zaak van de verdachte R.R. voortgezet wordt op maandag 15 februari as. om 14.00 uur.
Het onderzoek tegen de verdachte M.Z.
De verdachte is ter terechtzitting aanwezig en geeft desgevraagd aan niet door een raadsman te worden bijgestaan. In de zaak van deze verdachte, zijn 3 getuigen op de rol gebracht.
Het verhoor van de getuige O.F.
De getuige is ter terechtzitting aanwezig en wordt na opgave van de personalia onder ede gesteld. De getuige was ten tijde van 8 december 1982 militair, en werkzaam als lijfwacht van de toenmalige legerfunctionaris Roy Horb, thans wijlen.
De Plv. Auditeur Militair stelt dat deze getuige reeds in de zaak van een andere verdachte ter terechtzitting is gehoord en ook tijdens het Gerechtelijk Vooronderzoek een verklaring heeft afgelegd bij de Rechter-Commissaris.
Echter heeft het Openbaar Ministerie thans de beschikking over opnamen van een televisie programma in welke de getuige een verklaring heeft afgelegd, waarvan de inhoud wezenlijk verschilt van hetgeen hij heeft verklaard bij de Rechter-Commissaris. Het Openbaar Ministerie wenst die opnamen ter terechtzitting te tonen, en naar aanleiding daarvan de nodige vragen te stellen aan de getuige.
De beelden worden thans vertoond op een televisiescherm dat is opgesteld in de zittingszaal. In beeld is slechts het silhouet van een persoon te zien. Deze persoon verhaalt o.a. over plannen die bij hem bekend waren dat personen op zee om het leven zouden worden gebracht, echter is de locatie voor deze handelingen later gewijzigd in het Fort Zeelandia.
Volgens de persoon in beeld waren al de leden van de zogeheten “groep van zestien” indertijd op een bepaald moment aanwezig in het fort, met uitzondering van de persoon van dhr. Abrahams die in het buitenland vertoefde. De persoon in beeld verhaalt verder van schoten die hij zou hebben gehoord en lijken welke hij zou hebben gezien.
Verder wordt door de persoon in beeld aangegeven dat Andre Kamperveen, die een van de personen is die op of omstreeks 8 december 1982 om het leven is gekomen, door hem onder bedreiging van een handgranaat is bewogen tot het opschrijven van een verklaring.
Gesteld wordt door de persoon in beeld dat hij op of omstreeks 8 december 1982 in het Fort Zeelandia zelf op personen heeft geschoten met een automatisch vuurwapen. Hij verkeerde in de veronderstelling dat genoemde personen voornemens waren een coup te plegen, aangezien hem dit was voorgehouden.
Na vertoning van de beelden vraagt de President van de Krijgsraad de getuige als hij degene is die deze zaken in beeld heeft verklaard, waarop bevestigend wordt geantwoord. Aan deze getuige worden vragen gesteld door de President van de Krijgsraad, die hem op gegeven moment confronteert met het gegeven dat hij in het televisieprogramma heeft aangegeven dat wapens indertijd moesten worden ingeleverd bij de persoon van D.B., terwijl hij in een eerdere verklaring had aangegeven dat deze moesten worden ingeleverd bij Roy Horb, thans wijlen. De getuige stelt hierop dat hij zich had vergist, en dat de wapens bij dhr. Horb moesten worden ingeleverd.
Desgevraagd stelt de getuige dat hij de persoon van de verdachte M.Z., niet heeft waargenomen in het Fort Zeelandia op een bepaald moment op of omstreeks 8 december 1982. Geconfronteerd met het gegeven dat hij ook in het televisieprogramma heeft verklaard de gehele groep van zestien te hebben waargenomen met uitzondering van dhr. Abrahams, stelt de getuige dat hij zich heeft vergist.
Betrokkene voert aan dat hij bij het maken van de beeldopnamen onder invloed van alcohol verkeerde. De President van de Krijgsraad houdt de verdachte daarop al de namen van de zogeheten “groep van zestien”, voor, waarbij aan betrokkene bij het noemen van iedere naam, de vraag wordt gesteld als die persoon erbij was. Ten aanzien van 3 personen, stelt de getuige thans dat die er niet bij waren.
De President van de Krijgsraad houdt de verdachte voor dat hij in eerste instantie had verklaard alle leden van de groep van zestien te hebben gezien in het Fort, met uitzondering van de persoon van dhr. Abrahams, en dat hij nu verklaart drie personen van die groep niet te hebben gezien. Op de vraag van de President als hij de waarheid spreekt, antwoord de getuige bevestigend, en stelt hij dat hij zich eerder had vergist.
De President van de Krijgsraad vraagt de getuige als hij terugkomt op eerdere verklaringen als zou hij de persoon van de verdachte M.Z. indertijd wel hebben gezien in het Fort, waarop de getuige wederom antwoord zich indertijd te hebben vergist, aangezien hij niet al de leden van de groep van zestien kende.
De President van de Krijgsraad houdt de getuige daarop een gedeelte uit zijn tijdens het Gerechtelijk Vooronderzoek afgelegde verklaring voor, waaruit blijkt dat door hem gesteld is geworden dat hij al de leden van de groep van zestien heel goed kende. Tevens wordt hem dat deel uit zijn eerder afgelegde verklaring voorgehouden, waarbij hij stelt de persoon van de verdachte M.Z. te hebben gezien in het Fort Zeelandia.
De President van de Krijgsraad houdt de getuige tevens voor dat hij ook in het daarnet vertoonde televisieprogramma heeft verklaard dat hij de voltallige groep van zestien indertijd had gezien, met uitzondering van dhr. Abrahams. De getuige blijft persisteren dat hij zich toen had vergist.
Op daartoe gestelde vragen van de Krijgsraad, bevestigt de getuige dat hij onder invloed van alcohol verkeerde bij het maken van de filmopnamen, maar dat hij geen financiële vergoeding heeft ontvangen van de makers van het televisieprogramma.
Op de vraag van de Plv. Auditeur Militair aan de getuige als hij bedreigd is geworden, antwoord betrokkene ontkennend. Op de vraag van de Plv. Auditeur Militair hoe hij zich zo heeft kunnen vergissen in de persoon van de verdachte M.Z., antwoordt de getuige dat zaken zich jaren geleden hebben voorgedaan.
Op de vraag van de President van de Krijgsraad hoe hij het indertijd heeft ervaren om in opdracht van zijn meerdere mensen te hebben moeten doden, stelt de getuige dat hij dat moeilijk vond. De verdachte zelf heeft geen vragen te stellen aan de getuige.
De getuige B.J.
De getuige is niet ter terechtzitting aanwezig. Blijkens het rapport van de deurwaarder heeft deze getuige telefonisch melding gedaan aan de Militaire Politie van verhindering wegens een sterfgeval in de familie.
In reactie hierop stelt de Plv. Auditeur Militair dat betrokkene hiermee een geldige reden tot afwezigheid heeft, en wordt gevraagd dat hij op een ander moment weder wordt gedagvaard, waarop de President van de Krijgsraad bepaalt dat de getuige voor de zitting van 15 februari as. zal worden opgeroepen.
De getuige H.M.
De getuige is niet ter terechtzitting aanwezig. Blijkens het rapport van de deurwaarder is betrokkene via een huisgenoot opgeroepen. De Plv. Auditeur Militair stelt dat de oproeping op rechtsgeldige wijze heeft plaatsgevonden, en wordt derhalve de medebrenging van betrokkene op de volgende zitting verzocht. De Krijgsraad verleent akte van niet-verschijning, en gelast de medebrenging van de getuige op de zitting van 15 februari as.
De Plv. Auditeur Militair vraagt de Krijgsraad thans dat ook de zaak van de verdachte M.Z. onder voorwaarde wordt terugverwezen naar de Rechter-Commissaris, aangezien het Openbaar Ministerie een aantal getuigen bereid heeft gevonden tot het afleggen van verklaringen die van belang kunnen zijn voor de waarheidsvinding.
Aangezien de verdachte niet wordt bijgestaan door een raadsman, legt de President van de Krijgsraad betrokkene uit wat het verzoek van het Openbaar Ministerie inhoudt, waarop de verdachte stelt daar geen bezwaar tegen te hebben.
Aan het Openbaar Ministerie wordt de instructie verstrekt de identiteit van de getuigen door te geven aan de Krijgsraad, waarna de verdachte hiervan op de hoogte zal worden gesteld. Het onderzoek tegen de verdachte M.Z. wordt daarna geschorst voor terugverwijzing naar de Rechter-Commissaris. De verdere behandeling van de zaak tegen de verdachte M.Z. wordt uitgesteld tot 15 februari as., onder de voorwaarde dat de handelingen van de Rechter-Commissaris in deze tijdig zullen zijn afgerond.
Het onderzoek tegen de verdachte J.N.
De verdachte is niet ter terechtzitting aanwezig, noch blijkt dat zich voor hem een raadsman heeft gesteld. De Plv. Auditeur Militair stelt dat het in een eerdere fase reeds was gebleken dat de verdachte fysiek niet in staat is zich te verplaatsen, weshalve toen was voorgesteld dat zijn behandelend specialist zou worden gevraagd een verklaring te verstrekken omtrent zijn fysieke toestand en eventueel aan te geven op welke wijze deze verdachte gehoord zou kunnen worden.
Blijkens het rapport van de deurwaarder is de behandelend medicus echter tot 11 januari as. uitlandig, reden waarom gevraagd wordt betrokkene op een ander moment te dagvaarden. De President van de Krijgsraad stelt dat aangezien het noodzakelijk is de behandelend medicus te horen omtrent de gezondheidstoestand van de verdachte en de eventuele mogelijkheden tot het horen van betrokkene, de behandelend medicus zal worden gedagvaard voor de zitting van 15 februari as.
Het onderzoek tegen de verdachte L.A.
De verdachte noch zijn raadsman zijn ter terechtzitting aanwezig. Door de President van de Krijgsraad wordt gesteld dat de verdachte een attest heeft doen overleggen, waaruit blijkt dat hij tot 20 januari as. niet in staat is arbeid te verrichten.
De getuigen I.A. en R.C.
De getuigen zijn niet ter terechtzitting aanwezig. Gesteld wordt door de Plv. Auditeur Militair dat nadat een rechtshulpverzoek was ingediend voor het dagvaarden van deze getuigen in Nederland, gebleken is dat de persoon van I.A. niet langer in Nederland woonachtig is, althans is hij daar uitgeschreven.
Het Openbaar Ministerie heeft recent informatie bekomen dat betrokkene zich met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid in Suriname bevindt, en wordt gevraagd dat de vervolging in de gelegenheid wordt gesteld betrokkene te dagvaarden. De President van de Krijgsraad bepaalt dat het Openbaar Ministerie in de gelegenheid zal worden gesteld betrokken getuige te dagvaarden voor de zitting van 15 februari as.
Ten aanzien van de persoon van R.C., stelt de Plv. Auditeur Militair dat deze getuige ook opgebracht is in de zaak tegen de hoofdverdachte D.B., en dat zij toen heeft aangegeven absoluut niet bereid te zijn af te reizen naar Suriname, maar er niet onwelwillend tegenover staat in Nederland te worden gehoord.
De Plv. Auditeur Militair stelt dat de raadsman in een andere zaak die heden ter terechtzitting is behandeld, de mogelijkheid had geopperd na te gaan hoe getuigen die niet bereid zijn af te reizen naar Suriname, toch gehoord kunnen worden. Het Openbaar Ministerie vraagt dat zulks ook kan gelden voor de persoon van R.C. De President van de Krijgsraad stelt dat nagegaan zal worden als de mogelijkheid hiertoe bestaat, en zo ja, hoe dat zal geschieden.
Aangezien er niets meer op de rol staat, wordt de zitting omstreeks 15.35 uur gesloten.
Mr. Marjory Sanches
Woordvoerder 8 decemberstrafproces
Paramaribo, 10 december 2009
Communiqué no. 29
Krijgsraadzitting 2 december 2009 in het 8 December strafproces
Op woensdag 2 december 2009 is het 8 december strafproces voortgezet in de stand waarin het geding was geschorst op 1 december jl. Voor de zitting van 2 december zijn 2 verdachten en 5 getuigen op de rol gebracht.
Het onderzoek tegen de verdachte D. B.
Omstreeks 10.00 uur wordt de zitting geopend door de President van de Krijgsraad en de zaak van de verdachte D.B. afgeroepen. De verdachte is niet aanwezig ter terechtzitting, zijn raadsman is dat wel.
Het verhoor van de getuige P.B..
De eerste op de rol gebrachte getuige P.B. is ter terechtzitting aanwezig en legt na opgave van de personalia de belofte af dat hij naar waarheid zal verklaren. Deze getuige is medicus van beroep, en is tijdens het Gerechtelijk Vooronderzoek gehoord geworden door de Rechter-Commissaris. De toen afgelegde verklaringen worden de getuige voorgehouden ter verificatie van de handtekening.
Aan deze getuige worden vragen gesteld door zowel de President van de Krijgsraad als de Plaatsvervangend Auditeur Militair en de raadsman. De getuige verhaalt onder andere van de omstandigheden bij en in het mortuarium van het Academisch Ziekenhuis kort na 8 december 1982 en de staat waarin de stoffelijke overschotten aldaar verkeerden, waarbij specifiek de aard van de verwondingen op de lichamen wordt beschreven.
Op gegeven moment vraagt de raadsman de getuige als hij indertijd als getuige gehoord is geworden door het Nederlands Juristen Comité, als hij daarbij stukken heeft ondertekend of als het een telefonisch onderhoud was. De getuige stelt daarop indertijd wel gesproken te hebben met een aantal personen, doch niets te hebben ondertekend. Na afronding van het verhoor van de getuige wordt hem door de President van de Krijgsraad gevraagd als hij nog iets wenst te zeggen, waarop de getuige stelt blij te zijn dat hij op zijn manier zijn bijdrage mag leveren.
Het verhoor van de getuige H.D.
De getuige is ter terechtzitting aanwezig en legt na opgave van de personalia de belofte af dat hij naar waarheid zal verklaren. Deze getuige is medicus van beroep, en is tijdens het Gerechtelijk Vooronderzoek gehoord geworden door de Rechter-Commissaris en de regiopolitie van Amsterdam. De toen afgelegde verklaringen worden de getuige voorgehouden ter verificatie van de handtekening.
Aan deze getuige worden vragen gesteld door zowel de President van de Krijgsraad als de Plaatsvervangend Auditeur Militair en de raadsman. Deze getuige was goed bevriend met Bram Behr, die een van de personen is die om het leven is gekomen op of omstreeks 8 december 1982. De getuige verhaalt onder andere van de politieke en maatschappelijke omstandigheden in de periode voor 8 december 1982, en de activiteiten die toen werden ondernomen door personen die democratische structuren in Suriname poogden te herstellen.
Met name verhaalt de getuige van publicaties welke zijn verspreid, brieven die door maatschappelijke organisaties zijn gericht aan de toenmalige autoriteiten en acties die zijn ondernomen door de Moederbond. De getuige geeft tevens aan indertijd van de persoon van Bram Behr te hebben vernomen dat die eerder in het jaar 1982 bedreigd en in detentie mishandeld is geworden door de toenmalige ondercommandant van de Militaire Politie M.Z.
Naar aanleiding van deze uitspraak vraagt de raadsman aan de getuige als hem door Bram Behr was voorgehouden dat de handelingen die de persoon van M.Z. zou hebben gepleegd in opdracht van of in samenspraak met de verdachte D.B. zouden zijn verricht. Hierop antwoordt de getuige dat hij ervan uitgegaan is dat het een militaire kliek was die zich hieraan had schuldig gemaakt.
Volgens zeggen van de getuige heeft Bram Behr hem eerder in het jaar 1982 vanuit detentie heimelijk een schrijven doen toekomen, in welke hij verhaalt heeft van de handelingen van de persoon van M.Z. De getuige stelt dat deze brief niet langer in zijn bezit is, en mogelijk deel kan hebben uitgemaakt van een archief welke indertijd door hem uit voorzorg is begraven in de omgeving van Colakreek. De inhoud van de brief in kwestie is wel gepubliceerd geworden, en de getuige legt een kopie over van een deel van een blad in welke de brief is gepubliceerd.
De getuige verhaalt verder van een recente e-mail wisseling tussen hemzelf en de persoon van R.C. die de zuster van zijn echtgenote is, en die in het verleden een relatie zou hebben gehad met de persoon van de verdachte D.B. Ter terechtzitting leest de verdachte deze per e-mail uitgewisselde communicaties voor.
Uit het voorgelezene blijkt o.a. dat door R.C. wordt gesteld dat zij niet als alibi kan dienen voor de persoon van de verdachte D.B., omdat het volgens haar niet uitmaakt waar laatstgenoemde was op het moment dat personen gedood werden, aangezien volgens R.C. de moorden onder het bevel van D.B. zijn gepleegd. In de e-mail communicatie verhaalt R.C. tevens van de gemoedstoestand van de verdachte D.B. na de gebeurtenissen van 8 december 1982.
Na voorlezing van de e-mail communicatie, overlegt de getuige H.D. deze aan de Krijgsraad. De getuige houdt de Krijgsraad verder voor dat de persoon van R.C. hem op het hart heeft gedrukt datgene dat zij per e-mail aan hem kenbaar heeft gemaakt niet te betrekken in zijn getuigenis.
De getuige betoogt dat hoewel hij belang hecht aan vertrouwelijkheid, het familiebelang niet het enige belang is, doch dat er ook het belang is van de rechtstaat en dat van de nabestaanden, waardoor hij ervoor heeft gekozen om hetgeen R.C. hem deelgenoot van heeft gemaakt, wel aan de Krijgsraad kenbaar te maken. De getuige stelt tevens dat hij vooraf juridisch advies heeft ingewonnen, waarbij hem onder andere is aangegeven dat indien hij bij zijn getuigenis bepaalde zaken buiten beschouwing zou laten, dat onder omstandigheden meineed zou betekenen.
De getuige stelt verder dat hij per schrijven d.d. 16 april 2009 de President van de Krijgsraad en de Auditeur Militair kenbaar heeft gemaakt een correctie te willen plegen op een uitlating die hij had gedaan bij het afleggen van een getuigenverklaring tijdens het Gerechtelijk Vooronderzoek.
De getuige had toen namelijk verklaard dat een bepaalde persoon hem had aangegeven gezien te hebben dat de persoon van M.Z. Bram Behr op of 8 december 1982 thuis had opgehaald, doch dat hij zich naderhand heeft gerealiseerd dat een andere persoon dan de persoon wiens naam hij had genoemd tijdens het Gerechtelijk Vooronderzoek, zulks aan hem kenbaar had gemaakt.
Op gegeven moment leest de President van de Krijgsraad verschillende brieven voor die in de periode voor 8 december 1982 zijn geschreven aan de toenmalige autoriteiten, met name een brief van de Orde van Advocaten waarbij die hun ongenoegen uiten over het feit dat verdachten die door de Rechter-Commissaris in vrijheid waren gesteld weder waren aangehouden, alsook een schrijven ondertekend door een aantal organisaties verenigd in de Associatie voor Democratie, waarin bezorgdheid wordt geuit omtrent de situatie in het land.
Na afronding van het verhoor van de getuige wordt betrokkene door de President van de Krijgsraad gevraagd als hij nog iets wenst te zeggen. De getuige stelt daarop o.a. dat op 8 december 1982 niet slechts moorden zijn gepleegd, doch dat er ook een aanslag gepleegd is geworden op de jeugd, dit vanwege de jonge leeftijd van een aantal van de personen die toen om het leven zijn gebracht.
De getuige vervolgt met te stellen dat het niet alleen gaat om personen, maar ook om de waarden voor welke zij hun leven hebben gegeven. Volgens de getuige is jarenlang de nagedachtenis van deze personen door het slijk gehaald als zouden zij bezig zijn geweest met buitenlandse interventie.
De getuige stelt dat het in casu een moord op 15 helden van de democratie betreft, en zijn de slachtoffers een voorbeeld en niet de daders. Na het betoog van de getuige wordt geapplaudisseerd door een deel van het publiek, waarop de President van de Krijgsraad betrokkenen vermaant door te stellen dat in de rechtszaal geen tekenen van goed- of afkeuring behoren te worden gegeven
Het verhoor van de getuige A.K.
De getuige is aanwezig ter terechtzitting, en wordt na opgave van de personalia de belofte afgenomen. Deze getuige is de toenmalige echtgenote van Robby Sohansing, die een van de personen is de op of omstreeks 8 december 1982 om het leven is gekomen. De getuige is tijdens het Gerechtelijk Vooronderzoek gehoord, en haar worden thans de toen afgelegde verklaringen voorgehouden ter verificatie van de handtekening.
Aan deze getuige worden vragen gesteld door de President van de Krijgsraad. Vanwege verbale uitlatingen gedaan door delen van het publiek, ziet de President van de Krijgsraad aanleiding betrokkenen tot rust te manen. Tijdens het verhoor is de gemoedstoestand van de getuige emotioneel.
Enige tijd na aanvang van het verhoor wordt de zitting geschorst op verzoek van de Plv. Auditeur Militair, en verlaten de leden van de Krijgsraad en de Plv. Auditeur Militair de rechtszaal. Na enige minuten wordt de zitting hervat, en deelt de President van de Krijgsraad de aanwezigen mede dat de Plv. Auditeur Militair tijdens de schorsing het verzoek heeft gedaan dat er een medicus aanwezig is bij het verdere verhoor.
De raadsman geeft de Krijgsraad aan dat vanwege hem moverende redenen die bekend zijn bij de Krijgsraad, hij niet aanwezig zal zijn bij het verdere verhoor van de getuige. Door de President van de Krijgsraad wordt gesteld dat zulks zijn goed recht is, waarop de raadsman de zaal verlaat. Na vertrek van de raadsman en komst van een medicus, wordt het verhoor van de getuige voortgezet.
De getuige verhaalt onder andere van de omstandigheden in haar woning bij het wegvoeren van haar echtgenoot op of omstreeks 8 december 1982, alsook de gebeurtenissen van de dagen daarna en de omstandigheden in het mortuarium van het Academisch Ziekenhuis bij de identificatie van het stoffelijk overschot van haar echtgenoot.
Tijdens het verhoor ziet de President van de Krijgsraad vanwege uitlatingen en de wijze van spreken van de getuige, meermalen aanleiding betrokkene tot kalmte te manen. Na afronding van het verhoor vraagt de President van de Krijgsraad de getuige als deze nog iets wenst te zeggen, waarop betrokkene onder andere stelt te willen bedanken dat het proces is ingezet en dat het recht moet zegevieren en de waarheid naar boven moet komen. De getuige stelt vertrouwen te hebben in het proces, en te hopen dat de daders berecht zullen worden.
Na het verhoor van de getuige wordt door de President van de Krijgsraad aangegeven dat het onderzoek tegen de verdachte wordt voortgezet op 7 januari 2010, en dat zulks door de Griffier aan de raadsman van de verdachte zal worden medegedeeld,
Het onderzoek tegen de verdachte M.Z
De verdachte is ter terechtzitting aanwezig, en geeft desgevraagd aan niet bijgestaan te worden door een raadsman. Betrokken verdachte was ten tijde van 8 december 1982 ondercommandant van de Militaire Politie.
Het verhoor van de getuige O.H.
De getuige is aanwezig ter terechtzitting, en wordt na opgave van de personalia onder ede gesteld. De getuige is tijdens het Gerechtelijk Vooronderzoek gehoord, en wordt thans de toen afgelegde verklaringen voorgehouden ter verificatie van de handtekening. Deze getuige is tevens verdachte van strafbare feiten die zich hebben voorgedaan op of omstreeks 8 december 1982.
De President van de Krijgsraad houdt de getuige voor dat hetgeen hij in de hoedanigheid van getuige mocht verklaren, niet tegen hem kan worden gebruikt als verdachte. Aan deze getuige die ten tijde van 8 december 1982 bij de Militaire Politie was ingedeeld, worden vragen gesteld door de President van de Krijgsraad en de Plv. Auditeur Militair. Op gegeven moment verklaart de getuige de verdachte M.Z. op of omstreeks 8 december 1982 op een bepaalde plek te hebben gezien.
Geconfronteerd met de uitlating van de getuige, stelt de verdachte dat hij niet op die plek aanwezig was. Na afronding van het verhoor van de getuige vaagt de President van de Krijgsraad de getuige als hij nog iets wenst te zeggen, waarop de getuige stelt te hopen dat hetgeen zich heeft afgespeeld in december 1982, zich nooit meer zal herhalen.
Het verhoor van de getuige H.D.
De getuige is aanwezig ter terechtzitting, en legt na opgave van de personalia de belofte af dat hij naar waarheid zal verklaren. De getuige wordt door de President van de Krijgsraad delen van zijn tijdens het Gerechtelijk Vooronderzoek afgelegde verklaring voorgehouden, met name dat Bram Behr, die een van de personen is die op of omstreeks 8 december 1982 om het leven is gekomen, aan de getuige zou hebben medegedeeld dat hij tijdens zijn detentie eerder in het jaar 1982 was bedreigd en mishandeld door de persoon van de verdachte M.Z., en dat zulks ook zou zijn opgetekend in een brief welke de persoon van Bram Behr gedurende zijn detentie heimelijk aan de getuige heeft doen toekomen.
De tekst van deze brief is gepubliceerd in een blad, en ter terechtzitting wordt de gepubliceerde tekst voorgelezen door de President van de Krijgsraad. De voorgelezen tekst geeft onder andere blijk van intimiderende uitlatingen welke de verachte M.Z. zou hebben gedaan tegenover de persoon van Bram Behr na diens arrestatie eerder in het jaar 1982, en de hardhandige bejegening van arrestanten door M.Z. Desgevraagd stelt de verdachte de genoemde uitlatingen niet gedaan te hebben, noch arrestanten bejegend te hebben op de wijze welke in de publicatie is vermeldt.
De getuige houdt de President van de Krijgsraad op gegeven moment voor dat hij in een aan de Krijgraad gericht schrijven, indertijd terug is gekomen op een van de zaken welke hij tijdens het Gerechtelijk Vooronderzoek had verklaard, met name ten aanzien van de identiteit van degene die hem zou hebben aangegeven dat zij de persoon van de verdachte M.Z. had herkend als een van degenen die Bram Behr in zijn woning had opgehaald op of omstreeks 8 december 1982. Tijdens het Gerechtelijk Vooronderzoek had de getuige namelijk verklaard dat de echtgenote van Bram Behr hem dat zou hebben voorgehouden.
De getuige leest het door hem aan de Krijgsraad gerichte schrijven voor, waaruit onder andere blijkt dat hij zich naderhand heeft gerealiseerd dat de toenmalige buurvrouw van Bram Behr degene was die hem had aangegeven dat de persoon van de verdachte M.Z. op of omstreeks 8 december 1982 bij haar aan huis was geweest om te informeren naar het adres van Bram Behr. Desgevraagd ontkent de verdachte zulks te hebben gedaan. Door de President van de Krijgsraad wordt de verdachte voorgehouden dat het adres van de persoon die het voorgaande had verklaard weggelakt zal worden, waarna de verdachte een kopie van het schrijven zal ontvangen van de Griffier van de Krijgsraad.
De President van de Krijgsraad stelt verder dat nu de verdachte heeft ontkent de handelingen te hebben gepleegd die de toenmalige buurvrouw van Bram Behr volgens de getuige schijnt te hebben waargenomen, het Openbaar Ministerie nagaat in hoeverre het mogelijk is die persoon te confronteren met de verdachte.
In reactie hierop stelt de Plv. Auditeur Militair voor dat de zaak van de verdachte wordt verwezen naar de Rechter-Commissaris zodat de persoon die volgens de getuige de verdachte M.Z. indertijd heeft herkend, eerst door die functionaris gehoord kan worden.
De Plv. Auditeur Militair brengt in herinnering dat deze procedure gevolgd is geworden enige tijd geleden toen door de verdediging van een van de verdachten een getuige was aangedragen. De Plv. Auditeur Militair vervolgt met te stellen dat de thans door de getuige H.D. genoemde persoon na gehoord te zijn door de Rechter-Commissaris, ter terechtzitting onder ede kan worden gehoord. Desgevraagd stelt de verdachte geen bezwaar te hebben tegen het verzoek van het Openbaar Ministerie.
Na afronding van het verhoor van de getuige H.D. vraagt de President van de Krijgsraad de verdachte als hij nog iets te zeggen heeft, waarop de verdachte betoogt het dossier gelezen te hebben, en daarin een zeer slechte naam te hebben.
De President van de Krijgsraad onderbreekt het betoog van de verdachte door hem voor te houden dat hij op dit moment slechts kan reageren op zaken die de getuige heeft aangedragen, en dat hij op een ander moment wanneer hij zelf gehoord wordt, alle ruimte krijgt om andere zaken aan de orde te brengen.
Op de vraag van de President van de Krijgsraad aan de getuige als hij nog iets wenst te zeggen, stelt de getuige o.a. dat er grote behoefte bij de nabestaanden bestaat voor verwerking, en dat de blokkade daarvoor is de voordurende leugens en bedrog. De getuige geeft aan dat het noodzakelijk is dat zaken in de openbaarheid komen zodat deze verwerkt kunnen worden.
Na het verhoor van de getuige, wordt het onderzoek tegen de verdachte uitgesteld naar 7 januari 2010, waarna de zitting omstreeks 18.45 uur wordt gesloten.
mr. Marjory Sanches
Woordvoerder 8 decemberstrafproces
Communiqué no. 28
Paramaribo, 10 december 2009
Krijgsraadzitting 1 december 2009 in het 8 December strafproces
Op dinsdag 1 december 2009 is het 8 december strafproces voortgezet in de stand waarin het geding was geschorst op 29 oktober jl. Voor de zitting van 1 december waren 1 verdachte en 6 getuigen op de rol gebracht.
Het onderzoek tegen de verdachte D. B.
Omstreeks 10.15 uur wordt de zitting geopend door de President van de Krijgsraad en de zaak van de verdachte D.B. afgeroepen. De verdachte is niet aanwezig ter terechtzitting, zijn raadsman is dat wel. Gevraagd naar de reden van afwezigheid van de verdachte, stelt de raadsman dat zijn cliënt gepland was voor de dag daarvoor en dat hij daarna geen contact meer met hem heeft gehad.
De President van de Krijgsraad houdt de aanwezigen voor dat op de vorige zitting was bepaald dat de behandeling van de zaak voortgezet zou worden op 30 november en 1 december, doch dat op grond van het door het Openbaar Ministerie aangegeven vliegschema van de buitenlandse getuigen en de ten gevolge daarvan optredende jetlag, besloten is geworden de zittingsdagen op 1 en 2 december te stellen.
Het verhoor van de getuige H.M..
De eerste op de rol gebrachte getuige H.M. is ter terechtzitting aanwezig en wordt na opgave van de personalia onder ede gesteld door de President van de Krijgsraad. Betrokken getuige is de toenmalige echtgenote van Frank Wijngaarde, die een van de personen is die op of omstreeks 8 december 1982 om het leven is gekomen.
De getuige is tijdens het Gerechtelijk Vooronderzoek gehoord geworden door de Rechter-Commissaris en de politie van Amsterdam Amstelland, en haar worden de toen afgelegde verklaringen voorgehouden ter verificatie van de handtekening. Aan deze getuige worden vragen gesteld door zowel de President van de Krijgsraad als de Plaatsvervangend Auditeur Militair en de raadsman.
De getuige verhaalt onder andere van de omstandigheden in het mortuarium van het Academisch Ziekenhuis kort na 8 december 1982, en de staat in welke het stoffelijk overschot van wijlen haar echtgenoot en dat van andere personen aldaar verkeerde.
Op gegeven moment stelt de Plv. Auditeur Militair dat betrokken getuige door het Openbaar Miniserie is benaderd om te getuigen, en vraagt haar als zij door anderen benaderd is geworden om niet te getuigen, of om andere verklaringen af te leggen dan die welke zij tijdens het Gerechtelijk Vooronderzoek heeft afgelegd.
Op het voorgaande antwoordt de getuige ontkennend. De getuige verklaart tevens over een uitlating welke de persoon van E.T. kort na 8 december 1982 in haar woning tegenover haar had gedaan ten aanzien van degenen die verantwoordelijk zouden zijn geweest voor de strafbare feiten welke zouden zijn gepleegd op of omstreeks 8 december 1982.
De raadsman houdt de getuige hierop een deel van de verklaring voor die de persoon van E.T. tijdens het Gerechtelijk Vooronderzoek heeft afgelegd, waarin betrokkene heeft ontkent zelfs naar de woning van de getuige te zijn geweest. In reactie daarop stelt de getuige dat de komst van E.T. naar haar woning is gadegeslagen door huisgenoten, die op dit moment ook ter terechtzitting aanwezig zijn.
Tevens stelt de getuige dat de persoon van E.T. indertijd bij de komst naar haar woning vergezeld was van iemand; de naam van die persoon acht de getuige niet relevant te noemen. De persoon van E.T. is inmiddels overleden. Na afronding van het verhoor van de getuige, wordt haar door de President van de Krijgsraad gevraagd als zij nog iets wenst te zeggen.
De getuige houdt daarop een vooraf op schrift gesteld betoog, waarbij zij onder andere stelt boos te zijn over hetgeen zich heeft voorgedaan op 8 december 1982, doch geen rancune te koesteren. De getuige verhaalt van uitlatingen welke in het verleden tegenover haar persoon en haar kinderen zijn gedaan, en stelt dat zolang de waarheid niet boven water komt, allerlei verhalen de ronde zullen blijven doen en de vader van haar kinderen onterecht als landverrader de geschiedenis in zal gaan.
Het verhoor van de getuige E.S.
De getuige is ter terechtzitting aanwezig en wordt na opgave van de personalia onder ede gesteld. Betrokken getuige is de toenmalige partner van Cyrill Daal, die een van de personen is die op of omstreeks 8 december 1982 om het leven is gekomen. De getuige is tijdens het Gerechtelijk Vooronderzoek gehoord, en haar worden de toen afgelegde verklaringen voorgehouden ter verificatie van de handtekening.
Ook aan deze getuige worden door zowel de President van de Krijgsraad als de Plv. Auditeur Militair en de raadsman vragen gesteld. De getuige verhaalt o.a. van de periode voorafgaand aan de datum van 8 december 1982, alsook de omstandigheden die zich voor hebben gedaan in haar woning op of omstreeks die datum toen gewapende personen op zoek waren naar Cyrill Daal.
Op gegeven moment stelt de Plv. Auditeur Militair dat betrokken getuige door het Openbaar Ministerie is benaderd om te getuigen, en vraagt als zij door anderen benaderd is geworden om niet te getuigen, of om andere verklaringen af te leggen dan die welke zij tijdens het Gerechtelijk Vooronderzoek heeft afgelegd.
Op het voorgaande antwoordt de getuige ontkennend. De Plv. Auditeur Militair stelt de getuige op gegeven moment de vraag als zij haar verklaring aflegt op basis van rancune, of op basis van de uitlating van de toenmalige legerfunctionaris Roy Horb, thans wijlen, die zou hebben verklaard dat de persoon van de verdachte D.B., Cyrill Daal zou hebben vermoord.
In antwoord hierop stelt de getuige slechts datgene dat zij eerder heeft verklaard te bekrachtigen, en niet uit rancune te handelen. De getuige stelt tevens dankbaar te zijn het woord te kunnen richten tot de rechter en alle geloof te hebben dat dit een eerlijk proces is en de schuldigen gestraft zullen worden.
Het verhoor van de getuige S.B.
De getuige is ter terechtzitting aanwezig en wordt na opgave van de personalia onder ede gesteld. De getuige is tijdens het Gerechtelijk Vooronderzoek gehoord, en hem worden de toen afgelegde verklaringen voorgehouden ter verificatie van de handtekening. Betrokken getuige was op 8 december 1982 leidinggevende bij de Surinaamse Televisie Stichting (STVS).
De President van de Krijgsraad houdt de getuige voor dat hij gehoord zal worden in verband met beeldopnamen die op of omstreeks 8 december 1982 zijn gemaakt van de personen van Jozef Slagveer en Andre Kamperveen, die op of omstreeks genoemde datum om het leven zijn gekomen. De beelden worden thans getoond op een scherm welke in de zittingszaal opgesteld is.
De beelden tonen Jozef Slagveer gezeten naast de persoon van de toenmalige legerfunctionaris Roy Horb, thans wijlen, waarbij eerstgenoemde een verklaring voorleest. Tevens tonen de beelden Andre Kamperveen, gezeten naast de persoon van de verdachte D.B., waarbij eerstgenoemde een verklaring voorleest.
Na vertoning van de beelden worden deze getuige vragen gesteld door zowel de Krijgsraad als de Plv. Auditeur Militair en de raadsman. De getuige stelt desgevraagd de vertoonde beelden te herkennen, en aanwezig te zijn geweest toen deze werden vastgelegd door een filmploeg van de STVS in het Fort Zeelandia. De getuige verhaalt van de omstandigheden tijdens die opnamen, en de personen die daarbij aanwezig waren.
De President van de Krijgsraad houdt de getuige daarop delen van de verklaring voor die de getuige H.K. op de zitting van 22 juni 2009 heeft afgelegd. H.K., die ten tijde van 8 december 1982 cameraman bij de STVS was, had verklaard op of omstreeks die datum wel opnamen te hebben gemaakt van de personen van Andre Kamperveen en Jozef Slagveer in aanwezigheid van Roy Horb, doch stelde dat dit niet de beelden waren die ter terechtzitting werden vertoond, aangezien de persoon van Roy Horb indertijd op een andere plek had gezeten dan de plek op welke hij op de beelden te zien was.
Volgens de getuige H.K. had hij trouwens geen opnamen gemaakt van de persoon van de verdachte D.B. De getuige H.K. had verder gesteld er niet zeker van te zijn dat de beelden die ter terechtzitting vertoond waren, uit zijn camera afkomstig waren. De getuige H.K. is toen de verklaring die de getuige S.B. tijdens het Gerechtelijk Vooronderzoek had afgelegd, en die op delen van zijn verklaring afweek voorgehouden, waarop de getuige H.K. toen stelde dat hetgeen S.B. had verklaard niet klopte.
Onder andere is daarbij door H.K. aangegeven dat bij het maken van de opnamen van de zijde van de STVS slechts zijn persoon en de persoon van S.B. aanwezig waren geweest, terwijl op de vertoonde beelden meerdere personen te zien zijn. Geconfronteerd met de door H.K. op een eerdere zitting afgelegde verklaring, persisteert de getuige S.B. thans dat er meerdere personen van de STVS indertijd aanwezig waren bij de opnamen, met name een geluidsman en een belichtingsman, hetgeen gebruikelijk is.
De getuige persisteert verder de vertoonde beelden te herkennen als die welke in zijn aanwezigheid zijn gemaakt op of omstreeks 8 december 1982. Volgens de getuige zijn er na die gelegenheid, door de STVS geen opnamen meer gemaakt op die locatie. Geconfronteerd met het gegeven dat de verklaringen afgelegd door de getuige H.K. op een aantal punten afwijken van zijn verklaringen, stelt de getuige dat de persoon van H.K. zich wellicht vergist, en persisteert hij dat de op de terechtzitting vertoonde opnamen in zijn aanwezigheid zijn gemaakt door de filmploeg van de STVS.
Het verhoor van de getuige V.A..
De getuige is aanwezig ter terechtzitting, en legt na opgave van de personalia de belofte af dat zij naar waarheid zal verklaren. Deze getuige is de toenmalige echtgenote van Sugrim Oemrawsingh, die een van de personen is die op of omstreeks 8 december 1982 om het leven is gekomen. De getuige is tijdens het Gerechtelijk Vooronderzoek gehoord, en haar worden thans de toen afgelegde verklaringen voorgehouden ter verificatie van de handtekening.
Aan deze getuige worden vragen gesteld door zowel de President van de Krijgsraad, de Plv. Auditeur Militair en de raadsman. De getuige verhaalt o.a. van de omstandigheden op of omstreeks 8 december 1982 bij het wegvoeren van haar toenmalige echtgenoot uit de woning en de daaropvolgende pogingen om zijn verblijfplaats te achterhalen.
Na afronding van het verhoor van de getuige, vraagt de President van de Krijgsraad betrokken getuige als zij nog wat wenst te zeggen, waarop de getuige o.a. stelt dat de slachtoffers indertijd zijn vernederd en vermoord, en de schuldigen zich toen machtig voelden. De getuige werpt de vraag op als deze personen ook nu stoer genoeg kunnen zijn om hun geweten te zuiveren, zodat de afschuwelijke gebeurtenissen afgesloten kunnen worden.
Het verhoor van de getuige K.A..
De getuige is aanwezig ter terechtzitting, en legt na opgave van de personalia de belofte af. Deze getuige is de toenmalige echtgenote van John Baboeram, die een van de personen is die op of omstreeks 8 december 1982 om het leven is gekomen. De getuige is tijdens het Gerechtelijk Vooronderzoek gehoord, en haar worden thans de toen afgelegde verklaringen voorgehouden ter verificatie van de handtekening.
Aan deze getuige worden vragen gesteld door zowel de President van de Krijgsraad, de Plv. Auditeur Militair en de raadsman. Ook deze getuige verhaalt van de omstandigheden op of omstreeks 8 december 1982 bij het door gewapende mannen wegvoeren van haar toenmalige echtgenoot uit de woning, en de situatie in de woning daarna. De getuige verwijst verder naar het gegeven dat Suriname partij is bij het BUPO verdrag dat een paragraaf bevat die het individuele klachtrecht regelt.1
Op grond daarvan heeft de getuige indertijd tezamen met andere nabestaanden, een klacht ingediend ter zake de feiten welke zich op of omstreeks 8 december 1982 hebben voorgedaan. De klacht is ontvankelijk verklaard, en uiteindelijk is het behandelend comité tot de conclusie gekomen dat er sprake is geweest van de opzettelijke levensberoving van 15 personen op of omstreeks 8 december 1982.2 Na afronding van het verhoor van de getuige, wordt haar door de President van de Krijgsraad gevraagd als zij nog iets wenst te zeggen, waarop betrokkene ontkennend antwoordt.
De getuige O.H.
Ten aanzien van de op de rol gebrachte getuige O.H., stelt de Plv. Auditeur Militair dat betrokkene de toezegging had gedaan af te reizen naar Suriname voor het afleggen van de getuigenis. Echter hebben familieomstandigheden haar genoodzaakt hiervan af te zien. Desondanks is door O.H. gesteld dat zij in een later stadium alsnog bereid zal zijn ter terechtzitting een verklaring af te leggen.
In reactie op de uitlating van de Plv. Auditeur Militair, stelt de President van de Krijgsraad kennis te hebben genomen van de omstandigheden in kwestie die inderdaad zeer dringend zijn, en wordt aangegeven dat het Openbaar Ministerie de ruimte zal worden geboden om de getuige in een later stadium te horen.
Het onderzoek tegen de verdachte D.B. wordt uitgesteld naar woensdag 2 december 2009, waarna de zitting omstreeks 17.15 uur wordt gesloten.
mr. Marjory Sanches
Woordvoerder 8 decemberstrafproces
Communiqué no. 26
Paramaribo, 6 november 2009
Krijgsraadzitting 30 oktober 2009 in het 8 December strafproces
Op vrijdag 30 oktober 2009 is het 8 december strafproces voortgezet. Voor de zitting van 30 oktober waren acht verdachten op de rol gebracht.
Omstreeks 10.15 uur wordt de zitting geopend door de President van de Krijgsraad en de zaak van de verdachte I.D. afgeroepen. Meteen na het afroepen van de zaak vraagt de raadsman van een van de andere op de rol opgebrachte verdachten, met name de persoon van R.R. het woord. De raadsman stelt dat zijn cliënt R.R. een oproep heeft ontvangen om op 09.30 uur aanwezig te zijn, doch dat hij als laatste op de rol is gebracht.
Vanwege het aantal op de rol gebrachte verdachten en getuigen, zou dat volgens inschatting van de raadsman betekenen dat de zaak van zijn cliënt mogelijk pas na 5 uren wordt behandeld. De raadsman vraagt de Krijgsraad naar aanleiding daarvan om voortaan een tijdstip te bepalen voor iedere separate zaak, en dat niet iedere verdachte en getuige voor hetzelfde tijdstip worden opgeroepen.
Op de vraag van de President van de Krijgsraad als de verdachte R.R. heden ter terechtzitting aanwezig is, wordt door de raadsman ontkennend geantwoord. Volgens de raadsman wenst zijn cliënt echter gebruik te maken van zijn aanwezigheidsrecht en bij de getuigenverhoren aanwezig te zijn. Door de raadsman wordt verder gesteld dat blijkt dat er heden een bepaalde getuige is opgeroepen in de zaak van zijn cliënt, doch dat op een vorige zitting was afgesproken dat vanwege het ziektebeeld van de cliënt, eerst diens behandelend medicus ter terechtzitting zou worden gehoord.
De Plaatsvervangend Auditeur Militair - in de gelegenheid gesteld te reageren - geeft aan dat vóór het reces was aangegeven dat het Openbaar Ministerie voornemens was in het buitenland woonachtige personen als getuige te dagvaarden, en dat na afstemming de datum bepaald is geworden op welke die getuigen ter terechtzitting zouden worden gehoord. Volgens zeggen van de Plv. Auditeur Militair, kunnen andere personen die eerder als getuige waren opgegeven op een ander moment worden gehoord, zonder dat zulks consequenties heeft voor het recht.
Ten aanzien van het aanwezigheidsrecht op welke de verdachte zich beroept, verwijst de Plv. Auditeur Militair naar het gegeven dat tegen deze verdachte verstek is verleend, wat inhoud dat de zaak buiten zijn aanwezigheid kan worden behandeld. Door de verdediging is een medische verklaring van de behandelend arts overgelegd, en vraagt de Plv. Auditeur Militair de aandacht voor de redactie daarvan, aangezien in de verklaring niet de visie van de medicus over het ziektebeeld van de verdachte wordt weergegeven, doch slechts datgene wat de patiënt verklaard heeft, met name is in de verklaring de zinsnede “…volgens de patiënt ..”. gehanteerd.
Volgens de Plv. Auditeur Militair zou indien de verdachte gebruik wenst te maken van zijn aanwezigheidsrecht, het op de weg van de verdachte liggen om met zijn arts te sonderen op welke wijze hij invulling kan geven aan dat aanwezigheidsrecht. Om te voorkomen dat het ziektebeeld werd gehanteerd als reden om de zaak te traineren, is indertijd echter door het Openbaar Ministerie gevraagd dat de behandelend medicus werd gehoord.
Na het betoog van de Plv. Auditeur Militair, stelt de President van de Krijgsraad van de Griffier te hebben vernomen dat de raadsman telefonisch had medegedeeld dat zijn cliënt vanwege zijn ziektebeeld, alleen op de zaterdag gehoord zou kunnen worden. De raadsman bevestigt daarop doorgegeven te hebben dat zijn cliënt niet op een doordeweekse dag gehoord kan worden.
De raadsman vervolgt met te stellen dat blijkens de zittingsrol, de persoon van Samuel M.[1] in een aantal zaken als getuige is opgebracht, en wordt door hem mede namens de raadslieden van de overige verdachten gevraagd dat betrokken getuige in al de zaken in welke hij is opgebracht, simultaan wordt gehoord, wat dus inhoud dat al de verdachten en hun raadslieden tegelijk aanwezig zijn bij het horen van deze getuige.
De zitting wordt voor enige tijd geschorst, opdat de Krijgsraad zich kan beraden over hetgeen door de raadsman is aangedragen. Na hervatting van de zitting stelt de President van de Krijgsraad dat ten aanzien van de verdachte R.R. diens principieel recht om aanwezig te zijn bij de behandeling van zijn zaak, wordt onderkend. Daarnaast is er verstek verleend aan de verdachte, en zou formeel kunnen worden volstaan met het argument dat de zaak buiten zijn aanwezigheid wordt behandeld, daar het op de weg van de verdachte ligt om het verstek te zuiveren.[2]
Gesteld is geworden door de raadsman dat de verdachte niet op een doordeweekse dag gehoord zou kunnen worden, doch alleen op de zaterdag. Daartegenover staat dat er thans een getuige aanwezig is ter terechtzitting, die in het buitenland woonachtig is. De President stelt dat de Krijgsraad thans heeft besloten over te gaan tot het horen van deze getuige in aanwezigheid van de verdediging. Echter zal, alvorens meerdere getuigen worden gehoord in deze zaak, de behandelend medicus van de verdachte worden gedagvaard om de Krijgsraad kenbaar te maken als en wanneer de verdachte ter terechtzitting zak kunnen verschijnen.
Ten aanzien van het verzoek van de raadslieden om het horen van de getuige Samuel M. in al de zaken simultaan te doen geschieden, stelt de President van de Krijgsraad dat zulks vanuit het oogpunt van proceseconomie dan wel efficiënt lijkt, doch dat gelet op de inhoudelijke kant van de zaak en de objectiviteit, de Krijgsraad het opportuun acht om de behandeling gescheiden te houden. Wel zal met medewerking van de verschillende raadslieden, de volgorde waarop de verdachten op de rol zijn gebracht gewijzigd worden, zodat de raadslieden die slechts in 1 zaak bijstand verlenen, eerder aan bod komen.
Het onderzoek tegen de verdachte I.D.
Aangezien de zaak van de verdachte reeds afgeroepen was geworden, wordt de behandeling daarvan aangevangen. De verdachte is ter terechtzitting aanwezig, evenals zijn raadsman. In de zaak van deze verdachte is 1 getuige opgebracht.
Het verhoor van de getuige Samuel M.
De getuige is ter terechtzitting aanwezig en wordt na opgave van de personalia onder ede gesteld. Aan deze getuige worden vragen gesteld door zowel de President van de Krijgsraad als de Plv. Auditeur Militair en de raadsman. Na afronding van het verhoor van de getuige stelt de Plv. Auditeur Militair dat het Openbaar Ministerie doende is in het buitenland woonachtige personen als getuige te dagvaarden, en dat voor de volgende zitting getracht zal worden de persoon van R. C. te dagvaarden.
Mocht hij niet bereid zijn af te reizen naar Suriname om ter terechtzitting te getuigen, zal gevraagd worden de zaak op stukken af te doen. De President van de Krijgsraad stelt dat het Openbaar Ministerie de gelegenheid zal worden geboden de getuige op te roepen, en wordt diens dagvaarding bevolen voor 1 december as. om 13.00 uur.
Het onderzoek tegen de verdachte S.D.
De verdachte is ter terechtzitting aanwezig, evenals zijn raadsvrouwe. In de zaak van deze verdachte is 1 getuige op de rol gebracht.
Het verhoor van de getuige Samuel M.
De getuige is ter terechtzitting aanwezig en wordt na opgave van de personalia onder ede gesteld. Aan deze getuige worden vragen gesteld door de President van de Krijgsraad. De getuige verklaart onder andere over handelingen welke de verdachte zou hebben verricht op of omstreeks 8 december 1982. De verdachte, in de gelegenheid gesteld te reageren op de verklaring van de getuige, ontkent zelfs ook maar aanwezig te zijn geweest op een bepaalde plek, en dus niets te weten van de gedragingen welke hem door de getuige worden toegeschreven.
De verdachte stelt dat het in dit geval zijn woord tegen dat van de getuige is, en dat hij het niet eerlijk vindt. Volgens de verdachte heeft de getuige valse beschuldigingen tegen hem geuit, doch zal hij zelf ook getuigen aandragen. De President van de Krijgsraad geeft de verdachte aan dat hij daartoe de gelegenheid zal krijgen. De getuige op zijn beurt stelt geen reden te hebben de verdachte te belasten.
Aan deze getuige worden vervolgens door zowel de President van de Krijgsraad als de overige leden van de Krijgsraad, de Plv. Auditeur Militair en de raadsvrouwe, vragen gesteld. Gedurende zijn verhoor doet de getuige een oproep aan een ieder die zaken heeft waargenomen dan wel betrokken is geweest bij de feiten die zich op of omstreeks 8 december 1982 hebben voorgedaan, om open kaart te spelen aangezien deze kwestie al veel te lang heeft voortgeduurd en zowel nabestaanden als de gemeenschap hier last van ondervinden.
De raadsvrouwe van de verdachte vindt in de uitlating van de getuige reden hem te vragen als het hem niet bevreemd dat hij hier thans in de hoedanigheid van getuige een oproep doet, terwijl hij zonder enige consequenties kan verklaren welke handelingen hij heeft verricht. In reactie stelt de getuige dat hij indertijd als een van de hoofdverdachten was aangemerkt, doch om technische reden van de lijst is afgevoerd. Volgens de getuige heeft hij zich indertijd tevergeefs ingezet om weder de status van verdachte te krijgen, omdat hij zich voor de rechter wenste te verantwoorden ten aanzien van de zaken waarvan hij beschuldigd werd.
Tijdens de behandeling van deze zaak, merkt de raadsvrouwe tegen de President van de Krijgsraad op zich gestoord te voelen door verbale uitlatingen van afkeuring afkomstig uit het publiek. Door de President wordt gesteld dat dit niet waargenomen is geworden door de Krijgsraad, doch worden de aanwezigen aangemaand zich te onthouden van blijken van afkeuring. Na afronding van het verhoor van de getuige, stelt de Plv. Auditeur Militair dat het Openbaar Ministerie ook in de zaak van deze verdachte nog doende is na te gaan welke in het buitenland woonachtige personen als getuige te dagvaarden. Het onderzoek tegen de verdachte S.D. wordt uitgesteld naar 1 december as.
Het onderzoek tegen de verdachte R. R.
De verdachte is niet ter terechtzitting aanwezig, zijn raadsman is dat wel. In de zaak van deze verdachte is 1 getuige op de rol gebracht.
Het verhoor van de getuige Samuel M.
De getuige is ter terechtzitting aanwezig. Hem wordt door de President van de Krijgsraad medegedeeld dat de verdachte vanwege gezondheidsredenen niet ter terechtzitting aanwezig is, doch dat diens raadsman zijn belangen zal behartigen. Aan de getuige worden vragen gesteld door zowel de President van de Krijgsraad als de Plv. Auditeur Militair en de raadsman.
Het onderzoek tegen de verdachte E.G.
De verdachte zowel zijn raadsman zijn ter terechtzitting aanwezig. In de zaak van deze verdachte is 1 getuige op de rol gebracht.
Het verhoor van de getuige Samuel M.
De getuige is ter terechtzitting aanwezig en wordt na opgave van de personalia onder ede gesteld. Aan de getuige worden vragen gesteld door de President van de Krijgsraad en de raadsman, de Plv. Auditeur Militair heeft geen vragen te stellen aan deze getuige. Desgevraagd geeft de Plv. Auditeur Militair aan dat het Openbaar Ministerie nagaat in hoeverre de in het buitenland woonachtige persoon van J.T. bereid zal zijn ter terechtzitting te verschijnen om als getuige gehoord te worden. Ook de zaak van deze verdachte wordt uitgesteld naar 1 december om 13.00 uur.
Het onderzoek tegen de verdachte B.B.
De verdachte alsook zijn raadsman zijn ter terechtzitting aanwezig. In de zaak van deze verdachte is 1 getuige op de rol gebracht.
Het verhoor van de getuige Samuel M.
De getuige is ter terechtzitting aanwezig en wordt na opgave van de personalia onder ede gesteld. Aan de getuige worden vragen gesteld door zowel de President van de Krijgsraad als de Plv. Auditeur Militair. Na afronding van het verhoor van de getuige vraagt de President van de Krijgsraad als het Openbaar Ministerie nog getuigen zal doen dagvaarden. De zitting wordt voor enige ogenblikken geschorst, zodat de Plv. Auditeur Militair dit kan nagaan.
Na hervatting van de zitting stelt de Plv. Auditeur Militair dat thans al de getuigen a charge in de zaak tegen deze verdachte zijn gehoord. De President van de Krijgsraad houdt de verdachte voor dat er thans kan worden overgegaan tot het horen van de getuigen a decharge, en dat hij hierover met zijn raadsman moet overleggen, waarna zulks moet worden doorgegeven aan de Krijgsraad.
Het onderzoek tegen de verdachte M.Z.
De verdachte is ter terechtzitting aanwezig en geeft desgevraagd aan niet bijgestaan te worden door een raadsman. In de zaak van deze verdachte zijn 2 getuigen op de rol gebracht.
Het verhoor van de getuige Samuel M.
De getuige is ter terechtzitting aanwezig en wordt na opgave van de personalia onder ede gesteld. Aan de getuige worden vragen gesteld door de President van de Krijgsraad. De Plv. Auditeur Militair noch de verdachte hebben vragen te stellen aan de getuige. Na afronding van het verhoor van de getuige, vraagt de President van de Krijgsraad als het Openbaar Ministerie nog getuigen zal doen dagvaarden in deze zaak. De Plv. Auditeur Militair stelt dat het Openbaar Ministerie nog 3 getuigen zal dagvaarden, en geeft hun namen op aan de President van de Krijgsraad.
Tevens stelt de Plv. Auditeur Militair dat heden per abuis de naam van de persoon van A.M.- H. op de rol is gebracht in de zaak van deze verdachte, en dat betrokkene niet is gedagvaard. Gesteld wordt door de President dat de naam van de persoon van A. M. – H. dan kan worden doorgehaald op de lijst. De verdachte wordt aangezegd om op 1 december weder aanwezig te zijn voor de voortzetting van zijn zaak, waarbij hem tevens door de President van de Krijgsraad wordt medegedeeld dat hij zich op ieder moment in het geding mag laten bijstaan door een raadsman.
Het onderzoek tegen de verdachte L.A.
De verdachte zowel zijn raadsman zijn ter terechtzitting aanwezig. In de zaak van deze verdachte is 1 getuige op de rol gebracht.
Het verhoor van de getuige Soepardi M.
De getuige is ter terechtzitting aanwezig en wordt na opgave van de personalia onder ede gesteld. Aan de getuige wordt door de President van de Krijgsraad voorgehouden dat indien hij zaken niet begrijpt, hij dat aan dient te geven, zodat deze in andere bewoordingen kunnen worden gesteld. De President houdt de getuige voor dat hij hier staat om de waarheid te verklaren, en spreekt de hoop uit dat betrokkene hieraan zal meewerken. Aan deze getuige worden vragen gesteld door de President van de Krijgsraad.
De verdachte wordt op gegeven moment geconfronteerd met een uitlating van de getuige als zou hij op of omstreeks 8 december 1982 op een bepaalde plek aanwezig zijn geweest, waarop de verdachte stelt dat zulks niet op waarheid berust. Tijdens het verhoor van de getuige ziet de President van de Krijgsraad aanleiding het publiek te vermanen zich te onthouden van blijken van afkeuring. Aan de getuige worden vragen gesteld door de overige leden van de Krijgsraad en de raadsman, de Plv. Auditeur Militair heeft geen vragen te stellen aan deze getuige.
Na afronding van het verhoor van de getuige stelt de Plv. Auditeur Militair desgevraagd dat het Openbaar Ministerie in deze zaak nog de persoon van J.A. uit het buitenland wenst te dagvaarden. Indien betrokkene niet ter terechtzitting aanwezig zal zijn, zal worden nagegaan hoe gebruik kan worden gemaakt van zijn tijdens het Gerechtelijk Vooronderzoek afgelegde verklaring.
Ten aanzien van de in het buitenland woonachtig zijnde persoon van R.C. wiens dagvaarding op een vorige zitting was aangegeven, stelt de Plv. Auditeur Militair dat betrokkene heeft aangegeven dat zij niet bereid is ter terechtzitting aanwezig te zijn, doch wel bereid is mee te werken aan een eventueel verhoor in het land van verblijf.
Het onderzoek tegen de verdachte I.T.
De verdachte alsook zijn raadsman zijn ter terechtzitting aanwezig. In de zaak van deze verdachte zijn drie getuigen op de rol gebracht.
Het verhoor van de getuige M.R.- H.
De getuige is ter terechtzitting aanwezig, en wordt na opgave van de personalia onder ede gesteld. Aan de getuige worden vragen gesteld door de President van de Krijgsraad. Geconfronteerd met de uitlatingen van de getuige betreffende handelingen welke omstreeks 8 december 1982 zouden zijn gepleegd door de verdachte, betiteld laatstgenoemde deze als fantasie.
Op gegeven moment vaagt de getuige aan de verdachte als hij thans ook onder ede staat, waarop wordt geantwoord door de verdachte dat zulks niet hoeft, en dat hij nooit liegt.[3] Aan de getuige worden tevens vragen gesteld door de raadsman, de Plv. Auditeur Militair heeft geen vragen te stellen aan deze getuige. Zowel de getuige als de verdachte persisteren bij hun verklaringen.
Het verhoor van de getuige J.R.
De getuige is ter terechtzitting aanwezig, en wordt na opgave van de personalia onder ede gesteld. Aan deze getuige worden vragen gesteld door de President van de Krijgsraad. De getuige verklaart onder andere van hetgeen zij heeft vernomen van derden over handelingen welke de verdachte zou hebben gepleegd omstreeks 8 december 1982. Geconfronteerd met de uitlatingen van de getuige, betitelt de verdachte deze als fantasie, en stelt dat problemen worden opgelost door naar de feiten te kijken en niet met emoties.
De getuige op haar beurt heet de verdachte te liegen, waarop de President van de Krijgsraad deze getuige vermaant. Aan de getuige worden vragen gesteld door zowel de overige leden van de Krijgsraad als de Plv. Auditeur Militair. Bij afronding van het verhoor stelt de verdachte de getuige vrede toe te wensen, de getuige op haar beurt stelt te wensen dat de verdachte zijn geweten raadpleegt, waarop de verdachte stelt zulks immer te doen.
Door de Plv. Auditeur Militair wordt gesteld dat in deze zaak nog getracht zal worden de in het buitenland woonachtige persoon van A.M. – H. als getuige te doen dagvaarden. Betrokkene is heden per abuis op de rol gebracht als getuige. De President van de Krijgsraad geeft aan dat de zaak tegen de verdachte wordt uitgesteld naar 1 december om 13.00 uur, te welker moment zal worden nagegaan als de persoon van A.M. – H. ter terechtzitting aanwezig is. Hierna wordt de zitting omstreeks 15.25 uur gesloten.
mr. Marjory Sanches
Woordvoerder 8 decemberstrafproces
Communiqué no. 25
Paramaribo, 12 augustus 2009
Krijgsraadzitting 29 oktober 2009 in het 8 December strafproces
Op donderdag 29 oktober 2009 is het 8 december strafproces voortgezet in de stand waarin het geding voor het reces was geschorst. Voor de zitting van 29 oktober waren drie verdachten op de rol gebracht.
Het onderzoek tegen de verdachte D. B.
Omstreeks 10.00 uur wordt de zitting geopend door de President van de Krijgsraad en de zaak van de verdachte D.B. afgeroepen. De verdachte is niet aanwezig ter terechtzitting, zijn raadsman is dat wel. Gevraagd naar de reden van afwezigheid van de verdachte, stelt de raadsman te hebben begrepen dat zijn cliënt griep heeft. In de zaak van deze verdachte zijn 6 getuigen op de rol gebracht.
Het verhoor van de getuige M.R.- H.
De eerste op de rol opgebrachte getuige M.R. – H. is ter terechtzitting aanwezig en wordt na opgave van de personalia onder ede gesteld door de President van de Krijgsraad. Aan deze getuige worden zowel door de President van de Krijgsraad als de Plaatsvervangend Auditeur Militair en de raadsman, vragen gesteld.
Door de raadsman wordt op gegeven moment aan de getuige passages voorgehouden uit verklaringen die gedurende het Gerechtelijk Vooronderzoek zijn afgelegd door derden, welke afwijken van hetgeen de getuige ter terechtzitting heeft verklaard. De getuige persisteert desondanks bij haar ter terechtzitting afgelegde verklaring.
Het verhoor van de getuige J.R.
De getuige is ter terechtzitting aanwezig en wordt na opgave van de personalia onder ede gesteld. Ook aan deze getuige worden door zowel de President van de Krijgsraad als de Plv. Auditeur Militair en de raadsman vragen gesteld. Op gegeven moment verklaart de getuige te bezitten over een beschreven kaart welke indertijd zou zijn verzonden naar haar broer Lesley Rahman, die een van de personen is die op of omstreeks 8 december 1982 om het leven is gekomen, alsook over een artikel uit een Nederlands blad in welke de situatie in het mortuarium van het Academisch Ziekenhuis kort na 8 december 1982 wordt beschreven.
Ten aanzien van beide zaken, wordt door de Krijgsraad gevraagd dat betrokkene deze te zijner tijd overlegt aan het Openbaar Ministerie, zodat deze als stukken van overtuiging kunnen worden overgelegd aan de Krijgsraad. Door de raadsman wordt op gegeven moment aan de getuige passages voorgehouden uit verklaringen die gedurende het Gerechtelijk Vooronderzoek zijn afgelegd door derden, welke afwijken van hetgeen de getuige ter terechtzitting heeft verklaard. De getuige persisteert ten aanzien van bepaalde zaken bij haar verklaring.
Het verhoor van de getuige N.R.
De getuige is ter terechtzitting aanwezig en wordt gevraagd naar de personalia. Vanwege het feit dat de getuige heeft gesteld de Hindoe godsdienst te belijden, wordt haar door de President van de Krijgsraad voorgehouden dat van haar de belofte zal worden afgenomen, doch stelt de getuige te prefereren de eed af te leggen, hetwelk ook geschiedt.[1]
Gedurende het verhoor overlegt de getuige aan de Krijgsraad kopieën van documenten, waaronder brieven aan de toenmalige autoriteiten afkomstig van haar broer Surindre Rambocus die een van de personen is die op of omstreeks 8 december 1982 om het leven is gekomen. De overgelegde documenten worden ter terechtzitting voorgelezen door de President van de Krijgsraad. Uit de documenten blijkt onder andere van herhaalde aanhoudingen en detentie van de persoon van Surindre Rambocus in de jaren 1980 en 1981, alsook van instructies aan betrokkene om het land te verlaten omdat hij als staatsgevaarlijk werd beschouwd.
Tevens wordt een kopie overgelegd van het schrijven van de advocaten van de persoon van Surindre Rambocus aan de autoriteiten, in welke wordt verwezen naar de naleving van de condities welke zouden zijn gesteld voor het vertrek van betrokkene uit het land. De getuige legt tevens een kopie over van het laatste woord dat de persoon van Surindre Rambocus op 3 december 1982 als verdachte heeft uitgesproken ten overstaan van de Krijgsraad, welk document thans door de President van de Krijgsraad wordt voorgelezen.[2]
Tevens legt de getuige een aantal foto’s ter inzage over van de begrafenis van Surindre Rambocus in december 1982. Aan de getuige worden door zowel de President van de Krijgraad als de Plv. Auditeur Militair en de raadsman vragen gesteld. Gedurende het verhoor van deze getuige ziet de President vanwege verbale uitlatingen van delen van het publiek, aanleiding tot rust aan te manen.
Het verhoor van de getuige Soepardi M. [3]
De getuige is ter terechtzitting aanwezig en wordt gevraagd naar de personalia. Vanwege het feit dat de getuige heeft gesteld de Moslim godsdienst te belijden, wordt hem door de president van de Krijgsraad gevraagd als hij de eed of de belofte wenst af te leggen, en stelt de getuige te prefereren de eed af te leggen, hetwelk ook geschiedt.
Aan deze getuige worden door de President van de Krijgsraad vragen gesteld. Gedurende het verhoor van deze getuige ziet de President van de Krijgsraad op gegeven moment aanleiding de getuige eraan te herinneren dat hij onder ede staat. Vanwege de wijze van antwoorden op de aan hem gestelde vragen, ziet de President van de Krijgsraad gedurende het verhoor van deze getuige, tevens aanleiding betrokkene te vragen als hij thans bevreesd is te spreken, waarop de getuige ontkennend antwoord.
Op een bepaalde door de President van de Krijgsraad gestelde vraag, antwoord de getuige dat hij daar niet op wenst te reageren, waarop hem door de President van de Krijgsraad wordt voorgehouden dat hij als getuige verplicht is tot antwoorden, hetwelk uiteindelijk geschiedt.
Aan deze getuige worden tevens door zowel de overige leden van de Krijgsraad als de Plv. Auditeur Militair en de raadsman vragen gesteld. De raadsman houdt de getuige op gegeven moment voor dat zijn tijdens het Gerechtelijk Vooronderzoek in de hoedanigheid van verdachte afgelegde verklaring, thans ter terechtzitting als leidraad wordt gebruikt bij zijn verhoor.
Het verhoor van de getuige Samuel M.
De getuige is ter terechtzitting aanwezig, en wordt na opgave van de personalia onder ede gesteld. Betrokkene wordt door de President van de Krijgsraad voorgehouden dat de verklaring uit het dossier welke betrokkene tijdens het Gerechtelijk Vooronderzoek heeft afgelegd bij de Rechter-Commissaris, niet ondertekend is, waarop de getuige stelt dat hij indertijd geweigerd heeft de verklaring te ondertekenen, omdat hem was aangegeven dat hij er geen kopie van zou ontvangen. Aan deze getuige worden vragen gesteld door zowel de Krijgsraad als de Plv. Auditeur Militair en de raadsman.
Tijdens zijn verhoor stelt deze getuige, die bij aanvang van het Gerechtelijk Vooronderzoek als verdachte was aangemerkt, op welke wijze hij op gegeven moment vernomen had dat hij niet langer als verdachte werd beschouwd. Volgens de getuige heeft hij indertijd inspanningen verricht om te trachten wederom de status van verdachte te verkrijgen, omdat hij de rechter een oordeel wilde doen vellen over de beschuldigingen welke tegen hem waren geuit betreffende zijn betrokkenheid bij de feiten van 8 december 1982.
De getuige L.S.
Door de Plv. Auditeur Militair wordt gesteld dat deze getuige, wiens medebrenging op een vorige zitting was bevolen, in tegenstelling tot de overige getuigen die heden op de rol zijn gebracht, hier te lande woonachtig is. Indachtig het late uur, doet de Plv. Auditeur Militair derhalve het verzoek dat betrokken getuige op een ander moment wordt gehoord. De getuige wordt voor de Krijgsraad geleid, en door de President van de Krijgsraad gevraagd hoe hij staat tegenover het door de Plv. Auditeur Militair gedane verzoek. De getuige antwoord daar positief tegenover te staan.
Gevraagd naar de reden van zijn afwezigheid op vorige zittingen, geeft de getuige aan dat hij niet kon komen, omdat hij in zijn levensonderhoud moet voorzien door te werken, en dat zulks ook het geval was op de zittingsdag voor welke hij was opgeroepen. Aan de getuige wordt door de President van de Krijgsraad aangegeven dat in zo een geval opgave mag worden gedaan ter vergoeding van gederfde inkomsten.
Gesteld wordt door de President van de Krijgsraad dat de zaak tegen de verdachte D.B. wordt uitgesteld naar 30 november en 1 december 2009, waarbij eveneens in het buitenland woonachtige getuigen zullen worden gehoord. Vooralsnog is niet bekend welke personen zullen worden gedagvaard als getuige, aangezien dit nog moet worden aangegeven door het Openbaar Ministerie.
Het onderzoek tegen de verdachte E.B.
De verdachte is niet ter terechtzitting aanwezig, zijn raadsman is dat wel. De President van de Krijgsraad stelt het schrijven van de raadsman in welke de afwezigheid van de verdachte gemeld is geworden, te hebben ontvangen. Desgevraagd stelt de raadsman geen bezwaar te hebben tegen het horen van de getuige bij afwezigheid van zijn cliënt. In de zaak van deze verdachte is 1 getuige op de rol gebracht.
Het verhoor van de getuige N.R.
De getuige is ter terechtzitting aanwezig, en wordt na opgave van de personalia onder ede gesteld. Aan deze getuige worden zowel door de President van de Krijgsraad als de Plv. Auditeur Militair en de raadsman, vragen gesteld.
Op gegeven moment houdt de raadsman de getuige voor dat zij heeft verklaard van een betrouwbare bron te hebben vernomen welke handelingen de verdachte op of omstreeks 8 december 1982 zou hebben gepleegd bij het wegvoeren van een van de latere slachtoffers, met name haar broer, doch dat zij niet in staat is aan te geven wie die betrouwbare bron is geweest.
In reactie hierop stelt de getuige dat vanwege de hoedanigheid van die bron, die militair was en gestationeerd was op de plek van waaruit het latere slachtoffer zou zijn weggevoerd - zij geen reden heeft te twijfelen aan de juistheid van hetgeen aan haar is aangegeven over de handelingen welke de verdachte toen zou hebben gepleegd.
Op de vraag van de President van de Krijgsraad aan de raadsman als zijn cliënt hetgeen erkent dat volgens de getuige aan haar is aangegeven over door deze verdachte gepleegde handelingen op of omstreeks 8 december 1982, stelt de raadsman dat zijn cliënt dit vanaf het begin heeft ontkent. Na het verhoor van de getuige, wordt ook de zaak van deze verdachte uitgesteld naar 30 november en 1 december as.
Het onderzoek tegen de verdachte A.G.
De verdachte zowel zijn raadsman zijn ter terechtzitting aanwezig. In de zaak van deze verdachte is 1 getuige op de rol gebracht.
Het verhoor van de getuige Samuel M.
De getuige is ter terechtzitting aanwezig, en wordt na opgave van de personalia onder ede gesteld. Aan deze getuige worden door zowel de President van de Krijgsraad als de Plv. Auditeur Militair vragen gesteld. De raadsman heeft geen vragen te stellen aan de getuige. Na afronding van het verhoor van de getuige, stelt de raadsman dat op een vorige zitting was opgegeven welke getuige a charge nog zou worden gehoord, en vraagt hoe het daarmee staat.
De Plv. Auditeur Militair geeft aan dat het Openbaar Ministerie bezig is geweest en nog bezig is getuigen die zij denkt nodig te hebben, uit te nodigen. Ook de getuige R.C. die in het buitenland woonachtig is, is gedagvaard, doch heeft betrokkene aangegeven dat hij er geen goed gevoel bij heeft af te reizen naar Suriname.
Het Openbaar Ministerie is nog steeds bezig in het buitenland woonachtige getuigen uit te nodigen, en gehoopt wordt dat nu een eerste groep daartoe bereid is geweest, na hun terugkeer het onveiligheidgevoel bij anderen, met name de getuige R.C. kan worden weggenomen, en deze ter terechtzitting aanwezig zal willen zijn. De Plv. Auditeur Militair stelt dat indien dat niet gebeurt, de juridische mogelijkheid bestaat dat de verklaring welke betrokkene tijdens het Gerechtelijk Vooronderzoek heeft afgelegd, ter terechtzitting wordt voorgelezen.
De President van de Krijgsraad stelt dat het resultaat van de inspanningen van het Openbaar Ministerie zal worden afgewacht, en wordt het onderzoek tegen de verdachte uitgesteld tot 30 november en 1 december as., waarna de zitting omstreeks 22.35 uur wordt gesloten.
mr. Marjory Sanches
Woordvoerder 8 decemberstrafproces
Communiqué no. 24
Paramaribo, 12 augustus 2009
Krijgsraadzitting 7 augustus 2009 in het 8 December strafproces
Op vrijdag 7 augustus 2009 is het 8 december strafproces voortgezet in de stand waarin het geding was geschorst op 13 juli jl. Voor de zitting van 7 augustus waren een zestal verdachten en elf verschillende personen als getuigen op de rol opgebracht.
Het onderzoek tegen de verdachte M.Z.
Omstreeks 10.05 uur wordt de zitting geopend door de President van de Krijgsraad en de zaak van de verdachte M.Z. afgeroepen. Betrokkene is niet ter terechtzitting aanwezig, noch heeft zich voor hem een raadsman gesteld. Uit het rapport van de deurwaarder dat ter terechtzitting aan de Krijgsraad wordt overgelegd blijkt dat het woonadres van de verdachte op drie verschillende data is aangedaan,doch op geen van die data iemand is aangetroffen, waarop de oproep aan de plaatselijke Districts-Commissaris is overhandigd.
De Plaatsvervangend Auditeur Militair stelt dat nadat de voortzetting van het onderzoek aan de verdachte M.Z. is medegedeeld, ingevolge de strafvordering getracht is hem in persoon of via een huisgenoot te dagvaarden. Ook is tevergeefs gepoogd hem via de door hem aan de Militaire Politie opgegeven telefoonnummers te kontakten.
Toen ook dit niet lukte is het gerechtelijk schrijven betreffende de voortzetting van zijn zaak aan de Districts-Commissaris overhandigd. Weshalve wordt geconstateerd dat er sprake is van een rechtsgeldige wijze van het berichten van de verdachte waardoor wordt gevraagd dat de in deze zaak ter terechtzitting opgeroepen getuigen gehoord worden.
De President van de Krijgsraad stelt dat nu de verdachte geen advocaat heeft, de Krijgsraad zich over het voorgaande zal beraden, en wordt de zitting daartoe voor enige tijd geschorst. Bij hervatting van de zitting stelt de President van de Krijgsraad dat de Auditeur Militair zich heeft beroepen op hetgeen gesteld is in artikel 517, lid 3 van het Wetboek van Strafvordering, hetwelk bepaalt dat sprake is van rechtsgeldige dagvaarding, indien het stuk is afgestaan aan het hoofd van het plaatselijk bestuur.
Door de Auditeur Militair is gesteld dat er sprake is van rechtsgeldigheid, nu de verdachte is gedagvaard door de uitreiking van het stuk aan de Districts-Commissaris. Echter gaat het in deze niet om een dagvaarding, doch om een beschikking inhoudende een oproeping voor de voortzetting van het onderzoek, en is niet artikel 517 maar artikel 519 van het Wetboek van Strafvordering van toepassing.
Artikel 519 van het Wetboek van Strafvordering stelt dat een oproeping kan geschieden bij gewone of aangetekende brief over de post, per telegram of door uitreiking van het stuk op andere wijze, doch aan betrokkene in persoon of op andere voldoende wijze.
De President van de Krijgsraad stelt dat in casu, temeer daar betrokken verdachte geen raadsman heeft, de Krijgsraad van oordeel is dat de oproeping niet in persoon heeft plaatsgevonden, en wordt nogmaals oproeping op rechtsgeldige wijze gelast. In de zaak van deze verdachte zijn een drietal personen op de rol gebracht als getuige, echter is slechts een hunner ter terechtzitting aanwezig.
Deze getuige O.F. wordt door de President van de Krijgsraad geïnformeerd dat er een andere oproeping van de verdachte zal volgen, en dat de getuige derhalve heden niet gehoord zal kunnen worden in de zaak tegen deze verdachte. De getuige wordt aangegeven dat hij een nieuw oproep zal ontvangen om in deze zaak te getuigen.
Aangezien de persoon van O.F. ook als getuige is opgebracht in andere zaken welke heden voor de Krijgsraad zullen dienen, wordt betrokkene wederom geleid naar het voor getuigen bestemde vertrek. Ten aanzien van de persoon van H.M. die eveneens als getuige in deze zaak is opgebracht, blijkt dat betrokkene melding heeft gedaan van afwezigheid wegens ziekte. De Krijgsraad besluit dat ook deze getuige op een nader te bepalen datum wederom zal worden opgeroepen.
De persoon van B.J. die eveneens als getuige is opgebracht, is niet ter terechtzitting aanwezig, en ook diens hernieuwde oproeping wordt in het vooruitzicht gesteld. Door de President van de Krijgsraad wordt aangegeven dat de getuigen schriftelijk zullen worden opgeroepen nadat de Krijgsraad beschikt over het nieuwe werkrooster dat na het reces zal gelden voor de rechterlijke macht.
Het onderzoek tegen de verdachte R.R.
De verdachte is niet ter terechtzitting aanwezig, zijn raadsman is dat wel. De raadsman houdt de Krijgsraad voor dat hij schriftelijk had aangegeven dat het verstek dat eerder aan de verdachte was verleend, heden gezuiverd zou worden. Eerder was vernomen dat het onderzoek tegen de verdachte om 12.30 uur zou aanvangen, doch is gisterenmiddag bericht ontvangen van een eerder tijdstip. De raadsman stelt dat zoals hij reeds eerder in een raadkamerprocedure had aangegeven, zijn cliënt ernstig ziek is.
De raadsman overlegt een verklaring van de medisch specialist onder wiens behandeling de verdachte staat, en licht toe dat de verdachte vanwege diens ziektebeeld, drie maal in de week een 4 á 5 uur durende behandeling dient te ondergaan, en dat het na zo een behandeling enige tijd duurt voordat betrokkene weer kan functioneren, terwijl er ook na de behandeling lichamelijke effecten mogelijk zijn. Gezien het tijdstip op welke de behandeling de avond daarvoor was beëindigd, kon de verdachte heden op het nieuw aangegeven tijdstip niet ter terechtzitting aanwezig zijn, reden waarom gevraagd wordt dat het onderzoek tegen hem wordt aangehouden totdat hij wel aanwezig kan zijn.
De Plv. Auditeur Militair, in de gelegenheid gesteld te reageren, stelt dat vaststaat dat er verstek is verleend aan de verdachte, en zijn raadsman thans aangeeft dat betrokkene om medische redenen niet aanwezig kan zijn om dat verstek te zuiveren. De Plv. Auditeur Militair betoogd dat het verstek op elk moment in het onderzoek gezuiverd kan worden door de verdachte.[1]
Door de Plv. Auditeur Militair wordt geconstateerd dat de verdachte heden niet aanwezig is ten gevolge van een ziektebeeld, waarbij aangegeven is dat betrokkene driemaal in de week een zelfde behandeling moet ondergaan, waarna ook nog eens na effecten kunnen optreden waardoor hij niet aanwezig zal kunnen zijn.
Op grond van het voorgaande vraagt de Plv. Auditeur Militair dat aangezien eerder verstek tegen de verdachte verleend is, de behandeling van de zaak wordt voortgezet en dat de raadsman in samenspraak met de behandelende medicus nagaat waneer de verdachte wel aanwezig zal kunnen zijn. Voor het overige wordt gerefereerd aan het oordeel van de Krijgsraad.
De raadsman, in de gelegenheid gesteld te reageren, stelt dat de verdachte een aanwezigheidsrecht heeft, en dat zijn cliënt zich daarop wenst te beroepen. Het feit dat de raadsman ter terechtzitting aanwezig is, wil volgens hem niet zeggen dat de belangen van de cliënt helemaal goed worden behartigd. De raadsman stelt dat zijn cliënt aanwezig wil zijn bij de getuigenverhoren, zodat hij ook zelf vragen kan stellen aan de getuigen.
Derhalve wordt nogmaals gevraagd dat de voortzetting van het onderzoek tegen de verdachte wordt aangehouden totdat hij aanwezig kan zijn, zulks ook op grond van het “fair trial” beginsel dat is vastgelegd in het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens.[2] De Plv. Auditeur Militair, in de gelegenheid gesteld te reageren, herhaalt dat het thans op de weg ligt van de verdediging om aan te geven wanneer de verdachte aanwezig zal kunnen zijn ter terechtzitting, en voor het overige wordt gerefereerd naar het oordeel van de Krijgsraad.
Na de standpunten van zowel de verdediging als de vervolging gehoord te hebben wordt de zitting geschorst, opdat de Krijgsraad zich omtrent het onderwerpelijke kan beraden. Na hervatting van de zitting, vraagt de President van de Krijgsraad de raadsman op welke weekdag zijn cliënt gehoord kan worden, uitgaande van zijn behandelschema. De raadsman stelt dat in principe de zaterdag een geschikte dag zou zijn, doch dit met de verdachte en diens behandelend specialist zal worden nagegaan.
De President van de Krijgsraad vervolgt met te stellen dat de raadsman zich schriftelijk heeft verontschuldigd voor het feit dat hij op de zitting van 13 juli jl. zonder bericht vooraf niet ter terechtzitting aanwezig was. Tevens is door de raadsman schriftelijk aangegeven dat heden het verstek dat verleend is tegen zijn cliënt, zou worden gezuiverd, doch dat het laatste niet zal kunnen plaatsvinden.[3]
De Krijgsraad acht het verzoek tot aanhouding van de voortzetting van het onderzoek tegen de verdachte redelijk en billijk. De verdachte heeft er recht op het onderzoek bij te wonen, dit is onderdeel van het fair trial beginsel, doch is het vanwege het behandelschema van de verdachte moeilijk een dag vast te stellen waarvan met grote waarschijnlijkheid kan worden aangenomen dat hij ter terechtzitting aanwezig kan zijn.
Derhalve wordt de raadsman geïnstrueerd dat met de verdachte en diens behandelend specialist wordt overlegd en wordt gerapporteerd naar de Krijgsraad, zodat er rekening kan worden gehouden bij het vaststellen van data voor de voortzetting van de zaak. In de zaak van deze verdachte zijn een drietal getuigen op de rol gebracht. De getuigen O.F. en E.V. worden thans tezamen voor de Krijgsraad geleid. Ten aanzien van de getuige E.V. was diens medebrenging bevolen, aangezien betrokkene op de vorige zitting afwezig was.
Gevraagd naar de reden van zijn afwezigheid, stelt de getuige dat hij geen oproep had ontvangen om aanwezig te zijn. In reactie hierop stelt de Plv. Auditeur Militair versteld te staan van de uitspraak van betrokkene, aangezien deze in persoon of via een huisgenoot is opgeroepen. Dit is een rechtsgeldige manier van oproepen waarvan een rapport is opgemaakt en overgelegd aan de Krijgsraad, waarna op grond van dit rapport is ingestemd met het verzoek tot medebrenging.
Thans wordt door de Plv. Auditeur Militair aan de Krijgsraad gevraagd om de medebrenging van betrokkene te handhaven. De getuige E.V. zegt de President van de Krijgsraad desgevraagd toe aanwezig te zullen zijn indien hij weder wordt opgeroepen, waarop hem wordt aangegeven dat indien zulks niet het geval mocht zijn, er wederom medebrenging zal worden bevolen. De getuigen worden thans geïnformeerd dat de verdachte wegens ziekte afwezig is, en dat aan hen een hernieuwde oproeping zal worden gedaan om ter terechtzitting aanwezig te zijn.
De Plv. Auditeur Militair vraagt de Krijgraad thans dat de medisch specialist onder wiens behandeling de verdachte R.R. staat, voor de volgende zitting wordt gedagvaard, zodat betrokkene inzicht kan geven in het ziektebeeld van de verdachte en vernomen kan worden hoe deze het best zou kunnen worden verhoord, nu beweerd is dat hij een bepaald ziektebeeld vertoont als gevolg waarvan hij drie dagen per week moet worden behandeld, en dat is gesteld dat hij na iedere behandeling een dag nodig heeft om te herstellen waardoor de verdachte dus zes dagen van de week niet beschikbaar zou kunnen zijn.
De raadsman merkt op dat het in casu niet om een bewering gaat, doch dat het ziektebeeld vaststaat en er geen bezwaar is tegen het horen van de specialist. De President van de Krijgsraad stelt dat de Krijgsraad van oordeel is dat er sprake is van een vrij ernstig ziektebeeld, en het voor haar ook van belang is om te weten hoe en op welke manier deze ernstig zieke verdachte gehoord kan worden. Derhalve wordt bevolen dat de medisch specialist onder wiens behandeling de verdachte R.R. staat, zal worden gedagvaard.
Het onderzoek tegen de verdachte J.N.
De verdachte is niet ter terechtzitting aanwezig, noch heeft zich voor hem een raadsman gesteld. Blijkens het rapport van de deurwaarder is betrokken verdachte in persoon opgeroepen. De Plv. Auditeur Militair stelt dat gebleken is dat de verdachte J.N. indertijd tijdens het Gerechtelijk Vooronderzoek in zijn woning is gehoord door de Rechter Commissaris in aanwezigheid van de Griffier.
Gebleken is dat deze verdachte een ziektebeeld heeft dat met zich meebrengt dat hij moeite heeft zich te verplaatsen. Het gegeven dat er geen medische verklaring is overgelegd, zal niet in het nadeel van de verdachte mogen gelden. Aangezien zijn situatie bekend is, wordt voorgesteld dat tezamen met een arts wordt nagegaan hoe en op welke wijze deze verdachte gehoord kan worden en aanwezig kan zijn bij de behandeling van zijn zaak.
De President van de Krijgsraad stelt dat de Krijgsraad akkoord gaat met de visie van het Openbaar Ministerie. In de zaak van deze verdachte zijn de personen van O.F. en F.A. als getuigen opgebracht. Betrokkenen worden geleid voor de Krijgsraad, en wordt aan hen aangegeven dat de verdachte wegens ziekte afwezig is. Aan deze getuigen wordt medegedeeld dat zij een nieuwe oproeping voor het afleggen van de getuigenis tegemoet mogen zien.
Het onderzoek tegen de verdachte Wim C. [4]
De verdachte is niet ter terechtzitting aanwezig, noch heeft zich voor hem een raadsman gesteld. De Plv. Auditeur Militair houdt de Krijgsraad voor dat hem ter zake vanmorgen een mededeling is gedaan door de Militaire Politie, en gevraagd wordt dat betrokken functionaris van de Militaire Politie die mededeling zelf overbrengt aan de Krijgsraad.
De Krijgsraad gaat hier akkoord mee, waarop de Kapitein D. van de Militaire Politie voor de Krijgsraad wordt geleid. Betrokkene geeft desgevraagd aan dat de verdachte hedenmorgen tegen 08.30 uur telefonisch aan een functionaris van de Militaire Politie heeft aangegeven zich onwel te gevoelen, en dus niet ter terechtzitting aanwezig kan zijn.
De Plv. Auditeur Militair stelt dat nu de verdachte heeft aangegeven wegens ziekte niet aanwezig te kunnen zijn, zal worden gerefereerd naar het oordeel van de Krijgsraad. In deze zaak zijn de personen van A.P. en N.M. als getuigen opgebracht, en worden beide tezamen voor de Krijgsraad geleid.
De President van de Krijgsraad houdt de getuigen voor dat de verdachte heeft aangegeven wegens ziekte niet aanwezig te kunnen zijn, en dat derhalve heden niet zal worden overgegaan tot het horen van de getuigen. De getuigen wordt een hernieuwde oproeping in het vooruitzicht gesteld wanneer het werkschema van de Rechterlijke Macht voor het komend zittingsjaar bekend zal zijn.
Het onderzoek tegen de verdachte E.R.
De verdachte alsook zijn raadsman zijn ter terechtzitting aanwezig. De President van de Krijgsraad stelt dat alvorens overgegaan zal worden tot het horen van de verdachte, een vraag aan de Auditeur Militair zal worden gesteld ten aanzien van stukken die in het geding zouden worden gebracht.
De President stelt dat in het rapport dat is uitgegeven door het Nederlands Juristen Comité zaken ten aanzien van deze verdachte zijn vermeld. Dat rapport zou zijn gebaseerd op en aantal getuigenverklaringen, en door de Auditeur Militair zou nagegaan worden als die verklaringen in het geding konden worden gebracht.
De Plv. Auditeur Militair stelt dat uit het rapport van bovenbedoeld comité blijkt dat de verlangde verklaringen zouden zijn afgelegd bij de voormalig Vice-President van het Gerechtshof te Den Haag, en dat betrokkene heeft aangegeven dat de verklaringen bij hem en Mr. Kapteyn zijn afgestaan. Vanwege het Openbaar Ministerie is er een rechtshulpverzoek gedaan, waarbij gevraagd wordt naar deze verklaringen.
De Plv. Auditeur Militair overlegt thans een kopie van het rechtshulpverzoek. De President van de Krijgsraad geeft aan dat uit de kopie blijkt dat vanuit het Openbaar Ministerie via de Minister van Justitie en Politie, gevraagd is over te gaan tot uitvoering van het rechtshulpverzoek d.d. 6 augustus 2009, en dat de Minister dit rechtshulpverzoek ingevolge de “Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Suriname betreffende de uitlevering en rechtshulp in strafzaken”, heeft doorgeleid naar zijn Nederlandse ambtgenoot.
Vermeld is dat het zou gaan om verklaringen die waren afgelegd ten overstaan van Mr. H. Pos, voormalig Vice-President van het Gerechtshof in den Haag, en Mr. P.J.G. Kapteyn, toenmalig lid van de Raad van State.
De raadsman, in de gelegenheid gesteld te reageren, stelt dat de verdediging eerder tot tweemaal toe gevraagd heeft de onderliggende stukken in het geding te brengen. Op de vorige zitting was volgens de raadsman, het Openbaar Ministerie niet in staat daar goed over in te lichten. Thans blijkt dat het rechtshulpverzoek pas gisteren is weggegaan, wat volgens de raadsman betekent dat het Openbaar Ministerie een maand lang niets heeft gedaan, hetwelk als een kwalijke zaak wordt aangeduid. De raadsman vervolgt met te stellen dat het rapport dateert van 1983.
Het Gerechtelijk Vooronderzoek tegen zijn cliënt is in het jaar 2000 is aangevangen en toen al bleek dat de stukken niet in het geding waren gebracht. De raadsman stelt dat er sprake is van een dusdanig vertraging van het proces tegen zijn cliënt, dat hij zich daar niet mee kan verenigen, en zich zal verzetten tegen uitstel van de zaak en vraagt dat wordt overgegaan tot het verhoor van de verdachte.
De raadsman vervolgt met aan te geven dat het Openbaar Ministerie op vorige zittingen het verzoek heeft gedaan om te rekwireren voor alle verdachten tegelijk, nadat de zaak van de hoofdverdachte zou zijn afgerond. De raadsman geeft aan zich toen reeds te hebben verzet daartegen, en zich nu ten aanzien van deze cliënt wederom te zullen verzetten.
De Plv. Auditeur Militair, in de gelegenheid gesteld te reageren, stelt dat ten aanzien van het rechtshulpverzoek, de Krijgsraad het Openbaar Ministerie heeft geïnstrueerd aan te geven welke inspanningen zijn verricht. Het resultaat is dat het rechtshulpverzoek is verzonden. Alle andere conclusies van de raadsman zijn volgens de Plv. Auditeur Militair voor rekening en verantwoording van de raadsman, en het Openbaar Ministerie heeft geen behoefte daarop te reageren.
Het Openbaar Ministerie heeft er geen bezwaar tegen dat wordt overgegaan tot het verhoor van de verdachte, doch ten aanzien van de opmerking die de raadsman heeft geplaatst over het requisitoir, wordt gesteld dat dit een schot voor de boeg is, waardoor het Openbaar Ministerie geen reden heeft om daarop te reageren.
De Krijgsraad stelt dat nu de raadsman het verzoek heeft gedaan dat zijn cliënt wordt gehoord en het Openbaar Ministerie zich daar niet tegen heeft verzet, tot het verhoor van de verdachte zal worden overgegaan. Echter zal het onderzoek niet worden afgesloten; indien er rapporten worden overgelegd en daaruit blijkt dat de verdachte wederom moet worden gehoord om hetgeen hij verklaard heeft daartegen af te zetten, zal dat gebeuren.
Gedurende zijn verhoor houdt de verdachte de Krijgsraad onder andere voor dat hij indertijd via de media te weten is gekomen dat hij als verdachte was geïdentificeerd. Hij heeft toen zelf navraag gedaan, en vernam van de politiefunctionaris P., thans wijlen, dat het vooronderzoek reeds had uitgewezen dat hij niets met deze zaak te maken had.
Desondanks is de verdachte door de politiefunctionaris voorgehouden dat er toch een verklaring van hem zou worden afgenomen, en dat dit stuk zou worden geantidateerd. De Krijgsraad houdt de verdachte thans voor dat de datum op het proces verbaal in welke zijn verklaring is vervat, 24 november 2000 is, waarop de verdachte stelt dat de verklaring op een andere datum van hem is afgenomen door de politiefunctionaris P.
De President van de Krijgsraad gaat er toe over om een gedeelte uit het rapport van het Nederlands Juristen Comité te citeren. Uit het citaat blijkt dat bepaalde handelingen gepleegd op of omstreeks 8 december 1982 worden toegeschreven aan een persoon wiens achternaam op twee letters afwijkt van de achternaam van de verdachte. Op gegeven moment geeft de verdachte aan dat hetgeen indertijd door de autoriteiten werd aangegeven over de toedracht van de dood van 15 personen op of omstreeks 8 december 1982, bij hem als ongeloofwaardig was overgekomen.
De verdachte stelt thans ter overstaan van alle aanwezigen aan te willen geven dat hij indertijd uit het leger is gestapt uit solidariteit met zijn collega’s die zouden worden ontslagen, alsook uit solidariteit met de nabestaanden en de totale gemeenschap. De President van de Krijgsraad houdt de verdachte op gegeven moment hetgeen hem ten laste is gelegd voor, waarop de verdachte ontkent zich hieraan schuldig te hebben gemaakt.
Aan deze verdachte worden tevens vragen gesteld door de Plv. Auditeur Militair. Op gegeven moment ziet de raadsman van de verdachte aanleiding op te merken dat bij hem de indruk ontstaat dat de verdachte door de Auditeur Militair als getuige wordt gehoord. De Plv. Auditeur Militair stelt een bedoeling te hebben met zijn vraagstelling, en vraagt de Krijgsraad er op toe te zien dat de raadsman zijn beurt afwacht alvorens te spreken.
De President van de Krijgsraad houdt de raadsman voor dat hij met spreken behoort te wachten totdat hem het woord is gegeven. Wanneer hem na enige tijd het woord wordt gegeven, stelt de raadsman dat de vraagstelling van het Openbaar Ministerie erop gericht lijkt te zijn de verdachte te horen als getuige. De raadsman stelt dat het Openbaar Ministerie zijn cliënt beschuldigd heeft van strafbare feiten, en dat het Openbaar Ministerie dan met vragen dient te komen die met die beschuldiging te maken hebben.
In reactie hierop stelt de Plv. Auditeur Militair dat het Openbaar Ministerie haar werk doet, en zich niet laat voorschrijven hoe dat gedaan moet worden. De raadsman op zijn beurt stelt te waken voor een richtig strafproces, waarbij hij ook de rol heeft het Openbaar Ministerie te controleren. Indien dat wordt ervaren als het doen voorschrijven van de les, dan is dat de opvatting van het Openbaar Ministerie. De raadsman vervolgt met te stellen dat er beschuldigingen zijn ingebracht tegen zijn cliënt, en dat de vervolging vanaf het jaar 2000 is ingesteld.
De cliënt vraagt sindsdien om het bewijs, doch blijft dat uit. De President van de Krijgsraad houdt de raadsman voor dat hij thans bezig is met bewijswaardering, welke aan de orde dient te komen bij het pleidooi. Gesteld wordt dat het Openbaar Ministerie bezig is met het verhoren van de verdachte, maar dat daarbij ook enige algemene vragen mogen worden gesteld, en wordt bij deze de discussie tussen de vervolging en de verdediging gesloten.
Na afronding van het verhoor van de verdachte, wordt betrokkene door de President van de Krijgsraad voorgehouden dat het onderzoek tegen hem nog niet gesloten zal worden. Bekeken zal worden waar de beschuldigingen tegen de verdachte op gebaseerd zijn, weshalve het resultaat van het rechtshulpverzoek zal worden afgewacht en wordt de verdachte gevraagd geduld te betrachten omdat het recht zijn beloop moet hebben. De raadsman van de verdachte stelt hierop dat het strafproces wordt beheerst door bepaalde beginselen, waaronder het beginsel van rechtszekerheid.De raadsman vervolgt met te stellen dat het Openbaar Ministerie gedurende 17 á 18 jaar op de hoogte was van strafbare feiten, niets heeft gedaan, en in plaats daarvan de nabestaanden zijn opgekomen.[5] De raadsman stelt dat in het jaar 2005 reeds aan de toenmalig Auditeur Militair gevraagd is om de verklaringen op welke het rapport van het Nederlands Juristen Comité zou zijn gebaseerd, en was reeds tijdens het Gerechtelijk Vooronderzoek door de Rechter Commissaris gevraagd om die verklaringen.
Volgens de raadsman moet het Openbaar Ministerie vervolgen, maar moet zij dat op vlotte wijze doen. De raadsman stelt zich te verzetten tegen het rechtshulpverzoek in deze fase, en is van mening dat dit eerder moest zijn gedaan. De raadsman vervolgt met te stellen dat toen zijn cliënt werd gedagvaard, de verdediging de Krijgsraad schriftelijk heeft verzocht om de processen verbaal van al de getuigenverklaringen die vanaf aanvang van het proces op 30 november 2007 zijn afgelegd.
In reactie hierop had de Krijgsraad aangegeven dat de zaken van de verschillende verdachten afzonderlijk worden behandeld, en dat derhalve geen processen verbaal van verklaringen die in de zaken van de andere verdachten zijn afgelegd, konden worden afgestaan. De raadsman werpt de vraag op waarom dan wel moet worden gewacht met het requisitoir, totdat de zaak van de hoofdverdachte afgerond is, nu de zaken toch afzonderlijk behandeld worden, en vraagt dat de zaak van zijn cliënt voor wijzen kan staan, wat betekent dat overgegaan wordt tot het requisitoir en pleidooi.
De Plv. Auditeur Militair, in de gelegenheid gesteld te reageren, stelt geen kennis te dragen van het verzoek van de verdediging aan de toenmalig Auditeur Militair in het jaar 2005 om de verklaringen op welke het rapport van het Nederlands Juristen Comité is gebaseerd in het geding te doen brengen, maar dat het uitgangspunt dat de raadsman op zijn woord mag worden geloofd kan gelden voor deze stelling.
De Plv. Auditeur Militair stelt verder dat de raadsman zelf had aangegeven te willen beschikken over de verklaringen die ten aanzien van zijn cliënt zouden zijn afgelegd, en dat dus het rechtshulpverzoek moet worden afgewacht. De verdachten zijn separaat gedagvaard, maar uit de hele tenlastelegging staat vast dat de feiten niet alleen zijn begaan. De zaak is voorgebracht bij de Krijgsraad, en wanneer het in staat van wijze is, zal worden overgegaan tot requisitoir en pleidooi, weshalve wordt gevraagd om voorbij te gaan aan de stellingen van de raadsman.
De raadsman, in de gelegenheid gesteld te reageren, stelt dat artikel 259 van het Wetboek van Strafvordering aangeeft dat het onderzoek onafgebroken moet worden verricht, en de zaak niet teveel stagnatie mag ondervinden. De raadsman betoogt daarop het belang van de rechtszekerheid voor zowel de verdachte als de nabestaanden. Op gegeven moment wordt betrokkene door de President van de Krijgsraad aangegeven dat hij zich behoort te beperken tot zijn cliënt.
De Plv. Auditeur Militair op zijn beurt, stelt dat artikel 259 van het Wetboek van Strafvordering aangeeft dat het onderzoek zoveel als mogelijk onafgebroken dient te geschieden, en dat gezien de omvang van de zaak en het aantal verdachten, niet gesteld kan worden dat er geen rekening wordt gehouden met deze en andere verdachten, ook daar de behandeling van de zaak ter terechtzitting vaak genoeg plaatsvindt tot na de reguliere overheidswerktijden. Derhalve wordt gevraagd dat voorbij wordt gegaan aan het verzoek van de raadman, en de zaak wordt voortgezet binnen de mogelijkheden en de tijd die daarvoor nodig is.
De zitting wordt voor enige tijd geschorst, opdat de Krijgsraad zich kan beraden over het voorgaande. Na hervatting van de zitting, stelt de President van de Krijgsraad dat de raadsman het verzoek heeft gedaan dat de zaak in stand van wijzen wordt gebracht, vanwege het feit dat de behandeling lang duurt. De raadsman heeft een beroep gedaan op artikel 259 van het Wetboek van Strafvordering, welke stelt dat het onderzoek zoveel als mogelijk onafgebroken moet worden voortgezet.
De Krijgsraad is van oordeel dat aan die vereiste voldaan is geworden. Verder is het zo dat de raadsman zelf heeft gevraagd dat de getuigenverklaringen op welke het rapport van het Nederlands Juristen Comité zou zijn gebaseerd in het geding worden gebracht. Het rechtshulpverzoek daartoe is ingediend, en hoewel de Krijgsraad van mening is dat zulks eerder zou kunnen zijn gebeurd, zal het resultaat worden afgewacht. De President van de Krijgsraad vraagt de Plv. Auditeur Militair dat het Openbaar Ministerie wijst op het spoedeisende karakter van het rechtshulpverzoek.
De President van de Krijgsraad vervolgt met te stellen dat de verdachte feiten ten laste zijn gelegd die tezamen en in vereniging zijn gepleegd, waadoor het niet mogelijk zal zijn deze zaak eruit te lichten om deze voor wijze te brengen. Ongeacht het belang van deze en andere verdachten op rechtszekerheid, moet het recht zijn beloop hebben. Derhalve wordt de zaak van de verdachte aangehouden, en zal hem schriftelijk worden aangegeven wanneer deze wordt voortgezet.
Het onderzoek tegen de verdachte R.E.
De verdachte is ter terechtzitting aanwezig, en geeft desgevraagd aan niet bijgestaan te worden door een raadsman. In de zaak van deze verdachte zijn een viertal getuigen opgebracht, waarvan drie ter terechtzitting aanwezig zijn. De eerste getuige A.P. wordt na opgave van de personalia onder ede gesteld, waarna hem vragen worden gesteld door de President van de Krijgsraad.
Op gegeven moment wordt de verdachte door de President van de Krijgsraad geconfronteerd met een uitlating van de getuige, waarop de verdachte opmerkt dat hij reeds veroordeeld is door de politiek, op welke uitspraak de President van de Krijgsraad betrokkene voorhoudt dat hij thans niet wordt verhoord, doch dat hem een concrete vraag is gesteld. Aan de getuige worden tevens vragen gesteld door de Plv. Auditeur Militair, de verdachte heeft geen vragen te stellen aan de getuige.
Ook de persoon van M.J. is als getuige opgebracht, en na opgave van de personalia wordt van hem de belofte afgenomen dat hij naar waarheid zal verklaren. Betrokken getuige was op 8 december 1982 Onderbrandmeester bij het Korps Brandweer Suriname.
De Plv. Auditeur Militair stelt dat de vervolging tijdens het Gerechtelijk Vooronderzoek de hand heeft kunnen leggen op een bandje waarin is opgenomen portofonisch contact tussen brandweerlieden gevoerd op 8 december 1982, en wordt gevraagd dat dit geluidsmateriaal thans ter terechtzitting wordt afgespeeld zodat daaromtrent vragen aan de getuige kunnen worden gesteld.
Desgevraagd stelt de verdachte geen bezwaar te hebben tegen het afspelen van het bandje, en wordt hiertoe toestemming verleend door de Krijgsraad. Het geluidsmateriaal wordt thans afgespeeld op apparatuur die in de rechtszaal is opgesteld. Uit de op het geluidsmateriaal vastgelegde communicatie blijkt onder andere van de omstandigheden op verschillende plekken waar branden woedden op 8 december 1982, en de aanstalten die toen door de brandweer zijn gemaakt om tot blussen van die branden over te gaan.
Gedurende de op het geluidsmateriaal vastgelegde communicatie wordt onder andere tevens gewag gemaakt van handelingen welke zouden zijn gepleegd door de verdachte op de locatie van een der brandden die op 8 december 1982 hebben gewoed. Na het afspelen van het geluidsmateriaal worden aan de getuige vragen gesteld door de Krijgsraad.
De verdachte, in de gelegenheid gesteld te reageren op hetgeen de getuige heeft verklaard, stelt dat hetgeen waarover de getuige heeft gesproken, niet is aangegeven in zijn dagvaarding, waarop de President van de Krijgsraad betrokkene aangeeft dat de zaken hem ter terechtzitting worden voorgehouden waar het onmiddellijkheidsbeginsel geldt, en hij daarop mag reageren, waarop de verdachte stelt zich niet te zullen wagen aan uitspraken. Aan de getuige worden tevens vragen gesteld door de Plv. Auditeur Militair, de verdachte heeft geen vragen te stellen aan deze getuige.
In deze zaak is tevens de persoon van I.C. als getuige opgebracht, en na opgave van de personalia, wordt van hem de belofte afgenomen dat hij naar waarheid zal verklaren. Betrokken getuige was op 8 december 1982 in dienst van het Korps Brandweer Suriname, en in die hoedanigheid aanwezig bij een van de branden die op die datum hebben gewoed.
Aan de getuige worden door zowel de Krijgsraad als de Plv. Auditeur Militair vragen gesteld omtrent de omstandigheden bij die brand, en handelingen welke toen zouden zijn gepleegd door de verdachte. De verdachte heeft geen vragen te stellen aan deze getuige. Na afronding van het verhoor van de getuige houdt de President van de Krijgsraad de verdachte voor dat de persoon van H.M. die eveneens als getuige was opgebracht in deze zaak, wegens ziekte afwezig is, en opnieuw zal worden opgeroepen.
Tevens doet de President van de Krijgsraad opgave van de personen die bij de voortzetting van de zaak zullen worden opgeroepen als getuige. De verdachte wordt aangegeven dat hij een schriftelijke oproep tegemoet mag zien voor voortzetting van de zaak, nadat de Krijgsraad zal beschikken over het werkschema van de Rechterlijke Macht na het reces. Aangezien er niets meer op de rol staat, wordt de zitting omstreeks 15.05 uur gesloten.
mr. Marjory Sanches
Woordvoerder 8 decemberstrafproces
[1] Indien een verdachte – daartoe gedagvaard – niet ter terechtzitting aanwezig is, kan aan hem verstek worden verleend, waarna het onderzoek buiten zijn aanwezigheid wordt voortgezet. Wanneer de verdachte gedurende het onderzoek ter terechtzitting verschijnt, wordt het verstek vervallen verklaard, en kan gelast worden dat bepaalde handelingen van onderzoek opnieuw plaatsvinden of dat het onderzoek opnieuw zal worden aangevangen.
[2] In artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens wordt gesteld welke standaarden dienen te gelden bij rechtsprocessen, opdat de verdachte een eerlijk proces (a fair trial) ten deel kan vallen.
[3] Eerder verleend verstek wordt gezuiverd door aanwezigheid van de verdachte ter terechtzitting
[4] Vanwege het feit dat een andere verdachte in het 8 december strafproces ook de initialen W.C. heeft, is om verwarring te voorkomen, de voornaam van de verdachte die heden op de rol is opgebracht vermeld in dit verslag.
[5] In het jaar 2000 hebben nabestaanden van de personen die op of omstreeks 8 december 1982 om het leven zijn gekomen, een beklagschrift ter zake het uitblijven van de vervolging ingediend bij het Hof van Justitie, zulks op grond van artikel 4 van het Wetboek van Strafvordering. Het Hof van Justitie heeft naar aanleiding van dat beklag, het Openbaar Ministerie gelast strafvervolging in te stellen.
Communiqué no. 23
Paramaribo, 29 juli 2009
Krijgsraadzitting 24 juli 2009 in het 8 December strafproces
Op vrijdag 24 juli 2009 is het 8 december strafproces voortgezet in de stand waarin het geding was geschorst op 22 juni jl. Voor de zitting van 24 juli waren twee verdachten en zeven getuigen op de rol gebracht.
Het onderzoek tegen de verdachte D. B.
Omstreeks 10.00 uur wordt de zitting geopend door de President van de Krijgsraad en de zaak van de verdachte D.B. afgeroepen. Noch de verdachte, noch diens raadsman zijn ter terechtzitting aanwezig, evenwel heeft de raadsman zich doen vertegenwoordigen door een kantoorgenoot.
Desgevraagd geeft die raadsvrouwe aan dat de raadsman van de verdachte D.B. vanwege andere verplichtingen niet ter terechtzitting van de Krijgsraad kan verschijnen, waardoor hij gevraagd heeft om voor hem waar te nemen. Op de vraag van de President van de Krijgsraad betreffende de reden van afwezigheid van de verdachte, geeft de raadsvrouwe aan dat niet te kunnen opgeven, omdat die reden niet is ontvangen van de cliënt.
Alvorens een aanvang wordt gemaakt met de getuigenverhoren, verwijst de President van de Krijgsraad naar het gegeven dat op 22 juni jl. het onderzoek tegen de verdachte D.B. was geschorst, omdat er toen een nader Gerechtelijk Vooronderzoek was gelast. Bij dat Gerechtelijk Vooronderzoek is de persoon van P.v.H. als getuige gehoord door de Rechter Commissaris.
Het Gerechtelijk Vooronderzoek is afgesloten op 3 juli jl., en de schorsing van het onderzoek is op 5 juli daaropvolgend opgeheven. De President van de Krijgsraad biedt thans de Auditeur Militair de gelegenheid informatie te verschaffen over het verloop van het Gerechtelijk Vooronderzoek. De Plaatsvervangend Auditeur Militair stelt daarop dat op verzoek van de verdediging, de persoon van P.v.H. als getuige gehoord is geworden door de Rechter Commissaris, en dat het Openbaar Ministerie daarbij vertegenwoordigd was.
Nu de getuige door de verdediging naar voren is gebracht, vraagt de Plv. Auditeur Militair dat de verdediging als eerst reageert op de verrichtingen aldaar, waarna de visie van het Openbaar Ministerie zal worden gegeven. Dit verzoek wordt gehonoreerd, en krijgt de verdediging van D.B. de gelegenheid zich uit te laten.
De raadsvrouwe, daartoe in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over het Gerechtelijk Vooronderzoek, stelt zich ten aanzien daarvan te zullen refereren aan het oordeel van de Krijgsraad. De Plv. Auditeur Militair op zijn beurt, stelt dat de vervolging met aandacht heeft geluisterd naar hetgeen de getuige a decharge tijdens het Gerechtelijk Vooronderzoek naar voren heeft gebracht.
Thans ziet het Openbaar Ministerie geen aanleiding om commentaar te geven op al hetgeen de getuige toen naar voren heeft gebracht. Indien relevant, zal deze getuigenverklaring bij het requisitoir aan de orde komen, en wordt voor het overige gerefereerd naar het oordeel van de Krijgsraad.
De President van de Krijgsraad informeert daarop als de verdediging beschikt over de verklaring die de getuige heeft afgelegd, waarop de raadsvrouwe bevestigend antwoord. Betrokkene kan evenwel niet aangeven op welke wijze die verklaring in handen van de verdediging is gekomen.
De Plv. Auditeur Militair houdt de Krijgsraad voor dat tijdens het Gerechtelijk Vooronderzoek, door de verdediging is gevraagd om over een exemplaar van hetgeen daar verhandeld werd te mogen beschikken. De Rechter Commissaris heeft positief gereageerd op dit verzoek, en zowel de verdediging als het Openbaar Ministerie een exemplaar van de verklaring door de getuige afgelegd ter hand gesteld.
Na zowel de verdediging als de vervolging gehoord te hebben ten aanzien van het vorengaande, beslist de Krijgsraad dat thans overgegaan zal worden tot verhoor van de getuige A. P. De getuige is ter terechtzitting aanwezig, en na opgave van zijn personalia wordt van betrokkene de eed afgenomen dat hij naar waarheid zal verklaren. Aan de getuige worden vragen gesteld door de Krijgsraad, de Plv. Auditeur Militair en de raadsvrouwe.
Op gegeven moment wordt de getuige een passage uit zijn tijdens het vooronderzoek afgelegde verklaring voorgehouden door de President van de Krijgsraad, welke passage vermeld dat de getuige bepaalde personen op een bepaald moment op een bepaalde plek had gezien. De getuige stelt daarop dat hij tijdens vorige verhoren reeds had aangegeven dat hij niet had verklaard dat hij die personen wel had gezien, doch juist dat hij hen niet had gezien. Op de vraag van de President van de Krijgsraad aan de getuige als hij dan dat gedeelte uit het proces-verbaal van het eerder van hem afgenomen verhoor herroept, antwoord de getuige bevestigend.
De Plv. Auditeur Militair houdt de getuige op gegeven moment voor dat hij thans getuigt in een zaak welke de hele samenleving bezig houdt, en vraagt hem hoe hij het ervaart dat alle ogen op hem gericht zijn. De getuige antwoord niet graag in het middelpunt van de concentratie te staan, en geeft aan te hopen dat dit gauw voorbij zal zijn.
In het verlengde daarvan vraagt de Plv. Auditeur Militair de getuige als hij zich vrij voelt tot verklaren, op welke vraag de getuige bevestigend antwoord. Op de vraag van de Plv. Auditeur Militair als de getuige zich gedwongen voelt tot verklaren, antwoord betrokkene ontkennend. Op de vraag van de Plv. Auditeur Militair als de getuige het gevoel heeft dat hetgeen hij hier verklaart consequenties kan hebben, antwoord de getuige eveneens ontkennend.
Op een bepaald moment ziet de Plv. Auditeur Militair in de wijze van antwoorden van de getuige op aan hem gestelde vragen omtrent hetgeen hij zou hebben waargenomen, aanleiding betrokkene erop te wijzen dat er een concreet antwoord van hem verwacht wordt. Hierop antwoord de getuige dat de vraag welke de Plv. Auditeur Militair heeft gesteld, reeds aan hem gesteld is door de Krijgsraad, en hij daar reeds op geantwoord heeft.
Naar aanleiding van het voorgaande instrueert de President van de Krijgsraad de getuige dat hij behoort te antwoorden op vragen gesteld door de Plv. Auditeur Militair, ook al zouden die vragen hem reeds gesteld zijn door de Krijgsraad en zou hij daar reeds op hebben geantwoord. De President van de Krijgsraad benadrukt dat de Plv. Auditeur Militair zijn werk doet, en maant tot kalmte. Na afronding van het verhoor van de getuige, wordt hem toestemming verleend zich te verwijderen.
In deze zaak is tevens de persoon van H. J. als getuige opgebracht. Betrokkene is ter terechtzitting aanwezig en na opgave van de personalia wordt van hem de eed afgenomen, waarna overgegaan wordt tot zijn verhoor. Aan deze getuige worden door zowel de Krijgsraad als de Plv. Auditeur Militair als de raadsvrouwe vragen gesteld.
Op de rol is tevens de persoon van R. K. als getuige opgebracht, echter is betrokkene niet gedagvaard. De Plv. Auditeur Militair, in de gelegenheid gesteld te reageren, geeft aan dat betrokkene inmiddels overleden is. De Plv. Auditeur Militair overlegt een overlijdensakte waaruit blijkt dat de persoon van R.K. op 30 januari 2009 is overleden, en vraagt dat de verklaring die betrokkene tijdens het vooronderzoek heeft afgelegd, ter terechtzitting wordt voorgelezen.
De raadsvrouwe, in de gelegenheid gesteld te reageren, geeft aan zich voor wat betreft de inhoud van de verklaring te refereren aan het oordeel van de Krijgsraad. De President van de Krijgsraad gaat daarop over tot voorlezing van de verklaring welke de persoon van R.K., die op 8 december 1982 Algehele Commandant van de Brandweerkazerne was, tijdens het Gerechtelijk Vooronderzoek heeft afgelegd bij de politie.
Na voorlezing stelt de Plv. Auditeur Militair desgevraagd geen op- of aanmerkingen te hebben over de verklaring. De raadsvrouwe op haar beurt stelt dat nu de getuige niet meer in leven is, zijn verklaring als processtuk moet dienen en ervan uitgegaan wordt dat betrokkene datgene wat is voorgelezen, heeft verklaard. Verder zal de verdediging geen opmerkingen daaromtrent plaatsen.
De President van de Krijgsraad stelt dat naar aanleiding van de verklaring, de Krijgsraad thans het moment aanwezig acht om te melden dat er zich in het dossier een referte proces-verbaal bevindt in welke de inhoud is gerelateerd van een cassettebandje dat beluisterd is door ambtenaren van politie. Dat cassettebandje was indertijd beschikbaar gesteld door de communicatiedienst van het Korps Politie Suriname, en bevat op 8 december 1982 gevoerde communicatie tussen de brandweerkazerne en leden van de brandweer.
De President van de Krijgsraad gaat er thans toe over het proces-verbaal voor te lezen in welke de communicatie opgenomen op het cassettebandje op schrift is gesteld. Uit het proces-verbaal blijkt dat in de communicatie de omstandigheden op verschillende plekken op of omstreeks 8 december 1982 wordt besproken. Met name blijkt van aanstalten gemaakt door de brandweer om branden te blussen bij o.a. het Moederbondgebouw en het radiostation ABC.
Tevens blijkt uit de op schrift gestelde inhoud van de communicatie o.a. van de rol die bepaalde personen zouden hebben vervuld bij het weerhouden van de brandweer om over te gaan tot bluswerkzaamheden. Na voorlezing van het proces-verbaal geeft de Plv. Auditeur Militair aan bekend te zijn met de aanwezigheid van het communicatiemateriaal, en stelt dat zulks desgewenst kan worden afgestaan indien het ter terechtzitting moet worden beluisterd.
De raadsvrouwe stelt een kopie van het proces-verbaal op prijs te stellen, doch vooralsnog in het kader van de tenlastelegging, de relevantie van het proces-verbaal niet in te zien.[1] De President van de Krijgsraad vraagt om een kopie van het cassettebandje in kwestie, waarop de Plv. Auditeur Militair aangeeft dat de Krijgsraad daar reeds over beschikt. Zulks zal nagetrokken worden.
In deze zaak is tevens de persoon van L.S. op de rol gebracht als getuige. Betrokkene is niet ter terechtzitting aanwezig, waarop de Plv. Auditeur Militair diens medebrenging op de volgende zitting vraagt. De Krijgsraad gaat daar akkoord mee, en gelast de medebrenging van de persoon van L.S. op de zitting van 14 augustus as.
In deze zaak is tevens de persoon van H.K. als getuige opgebracht. Betrokkene is ter terechtzitting aanwezig, en wordt na opgave van zijn personalia onder ede gesteld. Door de Plv. Auditeur Militair wordt aangegeven dat er in deze zaak beeldmateriaal is overgelegd, en wordt door hem gevraagd dat dit beeldmateriaal thans getoond kan worden.
Het beeldmateriaal betreft volgens de Plv. Auditeur Militair, de persoon van de verdachte D.B. De getuige H.K., die op 8 december 1982 cameraman bij de STVS was, had naar zeggen van de Plv. Auditeur Militair, eerder bij proces-verbaal het een en ander over de verdachte verklaard. Desgevraagd stelt de verdediging geen commentaar op het voorgaande te hebben, waarna de Krijgsraad akkoord gaat met de vertoning van de beelden in kwestie.
De beelden worden thans vertoond op een scherm welke geplaatst is in de rechtszaal. Het betreffen beelden van de personen van Andre Kamperveen en Jozef Slagveer die om het leven zijn gekomen op of omstreeks 8 december 1982. Op delen van het beeldmateriaal zijn de persoon van Andre Kamperveen en de verdachte D.B. gezamenlijk te zien.
Op delen van het beeldmateriaal zijn de persoon van Jozef Slagveer en de voormalige legerfunctionaris Roy Horb - thans wijlen - gezamenlijk te zien. Na vertoning van de beelden, erkent de getuige op die bewuste datum van 8 december 1982 filmopnamen te hebben gemaakt van de personen van Andre Kamperveen en Jozef Slagveer, doch niet van de verdachte D.B. in aanwezigheid van de persoon van Andre Kamperveen.
Dit beeldmateriaal was de getuige op een vorige zittingsdag reeds getoond gedurende de behandeling van de zaak tegen een andere verdachte, in welke zaak hij eveneens als getuige was opgeroepen. Thans stelt de getuige dat hij die beelden op die bewuste zitting voor het eerst zag, en daarom toen twijfelde als hij de opnamen al dan niet had gemaakt. Volgens de getuige weet hij thans echter zeker dat hij de persoon van Andre Kamperveen niet heeft gefilmd in aanwezigheid van de verdachte D.B. De getuige plaatst de opmerking dat tegenwoordig manipulaties met de computer kunnen worden verricht.
De getuige heeft tijdens zijn verhoor een stuk papier bij zich, en geeft desgevraagd aan de President van de Krijgsraad aan dat hij daarop de camera opstelling zoals die toen was bij het maken van de beeldopnamen, uit zijn geheugen had vastgelegd.
Op gegeven moment leest de President van de Krijgsraad de getuige een passage voor uit de verklaring welke door hem afgelegd is tijdens het vooronderzoek, naar aanleiding waarvan de getuige beweerd zulks nooit te hebben verklaard. Op de opmerking van de President van de Krijgsraad dat de handtekening van de getuige onder die verklaring staat, merkt betrokkene op dat zaken ingevoegd kunnen worden.
De President van de Krijgsraad gaat ertoe over een passage uit het rapport van de speciale VN rapporteur Amos Wako voor te lezen. Dat rapport is mede gebaseerd op verklaringen die de speciale rapporteur indertijd omtrent de gebeurtenissen van 8 december 1982 heeft afgenomen van personen die onbekend wensten te blijven.
Uit de passage welke de President voorleest, blijkt dat een verklaring is afgelegd over de fysieke toestand van de personen van Andre Kamperveen en Jozef Slagveer op of omstreeks 8 december 1982, en wordt aan de getuige gevraagd als hij zulks heeft kunnen waarnemen toen hij op die datum beeldopnamen maakte van die personen. De getuige antwoord daar ontkennend op.
Op de vraag van de raadsvrouwe aan de getuige als hij de beelden die ter terechtzitting vertoond zijn, op een eerder moment vóór de terechtzitting had gezien, antwoord de getuige ontkennend. Volgens de getuige heeft hij tijdens het vooronderzoek wel beelden gezien bij de politie, doch waren dat andere beelden dan die welke ter terechtzitting zijn vertoond.
Vanwege het feit dat hetgeen de getuige ter terechtzitting verklaart over de omstandigheden waaronder de filmopnamen zijn gemaakt, afwijkt van zowel hetgeen eerder door hem is verklaard tijdens het vooronderzoek, als hetgeen dat door een andere getuige tijdens het Gerechtelijk Vooronderzoek was verklaard over die omstandigheden; alsook het feit dat de getuige meent dat er nog andere beeldopnamen van de personen van Andre Kamperveen en Jozef Slagveer zouden bestaan, beslist de President van de Krijgsraad dat op de eerstvolgende zitting de verbalisant die tijdens het vooronderzoek de getuige heeft gehoord en aan hem beelden heeft vertoont, op de volgende zitting gehoord zal worden. Tevens wordt gesteld dat betrokken verbalisant op die zitting het bandje met de beelden welke toen getoond zijn aan de getuige, mede zal moeten nemen.
Het onderzoek tegen de verdachte D.B. wordt uitgesteld naar 14 augustus jl., op welke datum volgens mededeling van de President van de Krijgsraad, de laatste zitting voor het reces zal plaatsvinden.
Het onderzoek tegen de verdachte E.G.
Bij het afroepen van de zaak van de verdachte E.G., blijkt dat betrokkene niet ter terechtzitting aanwezig is. De raadsvrouwe die waarneemt voor de raadsman van E.G., geeft als reden voor afwezigheid van de verdachte op dat betrokkene in een ziekeninrichting is opgenomen. Deze verdachte was op de zitting van 22 juni jl. eveneens afwezig wegens ziekte. De raadsman van de verdachte had toen het verzoek gedaan dat gewacht werd met de getuigenverhoren, totdat de verdachte ter terechtzitting aanwezig kon zijn.
De President van de Krijgsraad stelt thans dat op 22 juni uitdrukkelijk aan de verdediging is aangegeven dat er een medische verklaring behoorde te worden overgelegd, en dat die nog niet is ontvangen. De raadsvrouwe stelt dat de verdediging nog niet over die medische verklaring beschikt. De raadsvrouwe vervolgt met te stellen dat in een eerder stadium was aangegeven door de verdediging dat de verdachte aanwezig zou willen zijn bij de getuigenverhoren.
De Plv. Auditeur Militair – in de gelegenheid gesteld te reageren - stelt dat ziekte een kwestie is waar rekening mee moet worden gehouden, doch dat op enig moment een medische verklaring zal moeten worden overgelegd waaruit blijkt dat de verdachte niet ter terechtzitting aanwezig kan zijn. Het staat volgens de Plv. Auditeur Militair vast dat de verdachte het recht heeft aanwezig te zijn bij de behandeling van de zaak. Als de verdediging in dit geval op haar woord kan worden geloofd, wil de vervolging de verdachte dat recht niet ontzeggen. Voor het overige zal de vervolging zich refereren aan het oordeel van de Krijgsraad.
De President van de Krijgsraad stelt dat de verdediging nog eenmaal uitstel zal worden verleend, en dat indien op de volgende zitting geen medische verklaring is overgelegd, de getuigenverhoren op die datum zullen worden voortgezet. De Krijgsraad vraagt uitdrukkelijk dat de verdediging de bescheiden overlegt zodra zij die in haar bezit heeft.
In de zaak van de verdachte E.G. zijn de personen van A.G. en I.D. opgebracht als getuigen. De persoon van A.G. is aanwezig ter terechtzitting, en wordt door de Krijgsraad geïnformeerd over de afwezigheid wegens ziekte van de verdachte, waarbij aangegeven wordt dat nog eenmaal uitstel is verleend. De getuige wordt derhalve aangezegd op 14 augustus wederom aanwezig te zijn ter terechtzitting. De persoon van I.D. is niet ter terechtzitting aanwezig, ondanks hij in persoon is gedagvaard, weshalve de Plv. Auditeur Militair diens medebrenging vraagt. De Krijgsraad verleent akte van niet-verschijning, en gelast de medebrenging van de getuige I.D. op 14 augustus as., waarna de zitting omstreeks 15.25 uur wordt gesloten.
mr. Marjory Sanches
Woordvoerder 8 decemberstrafproces
[1] De strafbare feiten welke ten laste zijn gelegd zijn “moord” dan wel “uitlokking tot moord”. Uit het proces-verbaal blijkt niet dat zaken welke onder die strafbare feiten zouden kunnen vallen aan de orde zijn gekomen bij de op 8 december 1982 gevoerde communicatie tussen de brandweerkazerne en brandweerlieden.
Communiqué no. 22
Paramaribo, 22 juli 2009
Krijgsraadzitting 13 juli 2009 in het 8 December strafproces
Op maandag 13 juli 2009 is het 8 december strafproces voortgezet in de stand waarin het geding was geschorst op 12 juni jl. Voor de zitting van 13 juli waren een viertal verdachten en zes getuigen op de rol gebracht.
Het onderzoek tegen de verdachte A.G.
Omstreeks 10.10 uur wordt de zitting geopend door de President van de Krijgsraad en de zaak van de verdachte A. G. afgeroepen. Zowel de verdachte als diens raadsman zijn ter terechtzitting aanwezig.
Zoals voorgeschreven door het Wetboek van Strafvordering wordt de verdachte door de President van de Krijgsraad vermaand oplettend te zijn, en wordt hem voorgehouden dat hij niet verplicht is te antwoorden op de hem gestelde vragen.
Bij de behandeling van de zaak tegen de verdachte A.G. op 12 juni jl., was door de Plaatsvervangend Auditeur Militair gevraagd dat de getuigenverklaring welke tijdens het voorbereidend onderzoek was afgelegd door de persoon van J.G. die inmiddels overleden is, ter terechtzitting werd voorgelezen.
De raadsman van de verdachte heeft zich tegen dit verzoek verzet, door te stellen dat een bij de politie afgelegde verklaring niet als bewijs mag worden gebruikt. Toen dit procesincident op de zitting van 12 juni werd voorgedragen is door de President van de Krijgsraad gesteld dat de Krijgsraad zich over deze kwestie zou beraden alvorens een besluit te nemen.
Door de President van de Krijgsraad wordt thans gesteld dat twee bepalingen van belang zijn, met name hetgeen gesteld in artikel 284 en artikel 294 van het Wetboek van Strafvordering. Artikel 284, lid 1 van het Wetboek van Strafvordering stelt o.a. dat indien een getuige is overleden, de verklaring die hij tijdens het Gerechtelijk Vooronderzoek na beëdiging heeft afgelegd, mits ter terechtzitting voorgelezen, als aldaar afgelegd kan worden beschouwd. [1]
Artikel 294, lid 1 van het Wetboek van Strafvordering stelt dat processen-verbaal, verslagen van deskundigen en andere stukken op last van de President worden voorgelezen wanneer deze of een der andere rechters of de vervolgingsambtenaar dit verlangt.
Artikel 294, lid 4 stelt dat de voorlezing van stukken kan worden vervangen door een mondelinge samenvatting daarvan, tenzij de vervolgingsambtenaar of de verdachte zich daartegen verzet. Aangezien de verdediging zich heeft verzet, zal niet worden volstaan met een korte samenvatting van de verklaring die de persoon van J.G., thans wijlen, indertijd heeft afgelegd, maar zal deze integraal worden voorgelezen, daar de wet dit toestaat.
De President van de Krijsraad gaat er toe over de verklaring door J.G. afgelegd tijdens het Gerechtelijk Vooronderzoek, voor te lezen. Na de voorlezing, stelt de Plv. Auditeur Militair desgevraagd geen op- of aanmerkingen te hebben. De raadsman echter stelt dat de verklaring dan wel is voorgelezen zoals gevraagd was door de Plv. Auditeur Militair, maar dat het bezwaar welke door hem is opgeworpen, gericht was tegen het toelaten van de verklaring als bewijs.
De raadsman vraagt wederom aan de Krijgsraad als deze verklaring als bewijs zal worden gebezigd. Alvorens in te gaan op de opmerking van de raadsman, stelt de Krijgsraad de verdachte in de gelegenheid te reageren op de voorgelezen verklaring. De verdachte stelt daarop dat de persoon van J.G. hem wel bekend is, doch dat hetgeen betrokkene over hem heeft verklaard, niet op waarheid berust.
Hierna wordt het woord wederom gegeven aan de Plv. Auditeur Militair, die stelt de door de raadsman gemaakte opmerking niet te begrijpen, aangezien de verklaring van J.G. vervat is in een proces-verbaal welke is opgemaakt op de bij wet voorgeschreven wijze door een daartoe bevoegde ambtenaar.
De Plv. Auditeur Militair stelt dat artikel 325 van het Wetboek van Strafvordering aangeeft wat de wettige bewijsmiddelen zijn, en hij derhalve niet inziet waarom het proces-verbaal niet als bewijsmiddel zou mogen worden gebruikt.[2] De waardering van dat bewijsmiddel, is – zo stelt de Plv. Auditeur Militair - een bevoegdheid van de Krijgsraad.
De raadsman op zijn beurt stelt dat de Krijgsraad eerder verwezen heeft naar het wetsartikel dat betrekking heeft op een verklaring van een persoon die is komen te overlijden, indien die verklaring onder ede was afgelegd. In reactie daarop stelt de Plv. Auditeur Militair dat door hem op de vorige zitting jurisprudentie was overgelegd, waaruit blijkt dat verklaringen afgelegd bij de politie, als wettig bewijsmiddel kunnen worden gebruikt.
In het desbetreffende arrest van de Hoge Raad der Nederlanden, d.d. 29 oktober 1991, met als vindplaats NJ 1992, # 199, ging het om een getuige die tijdens het vooronderzoek bij de politie een verklaring had afgelegd, doch weigerde ter terechtzitting te verschijnen om aldaar getuigenis af te leggen.
Betrokkene was gedetineerd, en was niet onder de indruk van een eventuele gijzeling door het Gerecht in reactie op zijn weigering een verklaring af te leggen, aangezien hij immers toch al rechtens van zijn vrijheid was beroofd.[3] Naar aanleiding van die casus is door de Hoge Raad beslist dat verklaringen afgelegd bij de politie als bewijsmiddel kunnen worden gebruikt. Thans is er volgens de Plv. Auditeur Militair geen sprake van een weigerachtige getuige, doch van getuige die is overleden.
Na de standpunten van het Openbaar Ministerie en de verdediging gehoord te hebben, wordt de zitting geschorst, opdat de Krijgsraad zich kan beraden over het onderwerpelijke. Na hervatting van de zitting wordt door de President van de Krijgsraad gesteld dat ten aanzien van het verzoek van de Plv. Auditeur Militair om de verklaring welke tijdens het vooronderzoek door J.G. was afgelegd ter terechtzitting voor te doen lezen, reeds een beslissing is genomen en uitgevoerd.
Voor wat betreft het al dan niet gebruiken van deze verklaring als bewijsmiddel, wordt gesteld dat het verweer van de raadsman prematuur is, omdat het hanteren van het bewijsmiddel of de waardering van het bewijs, nog niet aan de orde is. Derhalve adviseert de Krijgsraad de raadsman het verweer later aan de orde te brengen.
In de zaak van de verdachte A.G. is de persoon van L.S. opgebracht als getuige. Betrokkene is ter terechtzitting aanwezig, en na opgave van zijn personalia wordt van hem de eed afgenomen. Tevens wordt de getuige zijn tijdens het Gerechtelijk Vooronderzoek afgelegde verklaring voorgehouden ter verificatie van zijn handtekening, waarop betrokkene aangeeft dat de handtekening onder de verklaring op de zijne lijkt. Door de President van de Krijgsraad wordt de getuige om verduidelijking van zijn uitspraak gevraagd, waarop deze stelt dat het document welke hem thans is voorgelegd, een kopie is van het origineel.
In reactie daarop deelt de President van de Krijgsraad de getuige mede dat ook de originele verklaringen in het dossier aanwezig zijn. De getuige wordt vervolgens vragen gesteld door de President en overige leden van de Krijgsraad, alsook de Plv. Auditeur Militair. Noch de raadsman, noch de verdachte hebben enige vragen te stellen aan deze getuige. Na afronding van het verhoor van de getuige, wordt gesteld door de President van de Krijgsraad dat er in deze zaak nog 2 getuigen a charge zijn, doch dat die in het buitenland woonachtig zijn, en wordt de Plv. Auditeur Militair gevraagd zich daarover uit te laten.
De Plv. Auditeur Militair stelt dat voor wat betreft de in het buitenland woonachtige getuigen, eerder het voorstel was gedaan een ruime termijn in acht te nemen, zodat de mogelijkheid bekeken kon worden om in eerste instantie die getuigen hier in Suriname te krijgen. Ten dien einde is indertijd een datum in de maand oktober voorgesteld, en wordt aangegeven dat deze datum ook voor deze 2 getuigen a charge zou gelden.
De President van de Krijgsraad stelt daarop dat het Openbaar Ministerie had gevraagd dat de in het buitenland woonachtige getuigen voor een zitting op 23 oktober as. worden gedagvaard, doch dat nog zal worden nagegaan als dat zo zal zijn. Gevraagd wordt dat indien de verdediging nog getuigen a decharge heeft, zulks vóór die datum wordt opgegeven. In reactie daarop stelt de raadsman begrip te hebben voor dat verzoek, doch dit niet te kunnen toezeggen.
Pas als alle getuigen a charge zijn gehoord kan op basis van hetgeen die hebben verklaard, door de verdediging worden nagegaan welke getuigen a decharge zullen worden opgeroepen. De President van de Krijgsraad stelt daarop dat er hieromtrent geen verplichting rust op de verdediging, doch indien zulks reeds bekend is, het niet ongebruikelijk is dat het wordt aangegeven. De raadsman geeft aan het voorgaande in overweging te zullen nemen.
Het onderzoek tegen de verdachte A.G. wordt thans uitgesteld tot een nader te bepalen datum.
Het onderzoek tegen de verdachte W.C.
De verdachte W.C. en zijn raadsman zijn beiden ter terechtzitting aanwezig. In de zaak van deze verdachte, is 1 getuige a decharge gedagvaard. Die getuige R.C. is ter terechtzitting aanwezig, en geeft desgevraagd aan de broer van de verdachte te zijn. Aangezien de wet stelt dat bepaalde bloed- en aanverwanten van de verdachte zich kunnen verschonen van het afleggen van getuigenis, wordt de getuige voorgehouden dat hij een beroep mag doen op het verschoningsrecht, doch ook afstand hiervan mag doen.
De getuige doe afstand doet van het verschoningsrecht, waarop na zijn beëdiging, een aanvang gemaakt wordt met zijn verhoor. Aangezien het een getuige betreft die is opgeroepen zijdens de verdediging, krijg de raadman als eerste de gelegenheid de getuige te ondervragen, zulks conform hetgeen voorgeschreven door het Wetboek van Strafvordering. Daarna worden door zowel de Krijgsraad en de Plv. Auditeur Militair, vragen gesteld aan de getuige.
Aangezien de verdediging geen andere getuigen a decharge in deze zaak heeft, wordt na het verhoor van de getuige een aanvang gemaakt met het verhoor van de verdachte W.C. Voorafgaand aan de aanvang van het verhoor, wordt de verdachte er door de President van de Krijgsraad op geattendeerd oplettend te zijn, en wordt hem tevens voorgehouden dat hij niet verplicht is te antwoorden op de hem gestelde vragen. Tijdens het verhoor beroept de verdachte zich ten aanzien van twee aan hem door de Krijgsraad gestelde vragen, op zijn zwijgrecht.
Tijdens het verhoor van deze verdachte, ziet de President van de Krijgsraad aanleiding het publiek in de zittingszaal te vermanen zich te onthouden van verbale uitlatingen. Door de President van de Krijgsraad wordt de verdachte bij afronding van het verhoor, formeel gevraagd als hij hetgeen hem is ten laste gelegd, ontkend dan wel bekend. Daarbij wordt de in de dagvaarding gestelde tenlastelegging voorgehouden aan betrokkene. De verdachte ontkent ten stelligste zich schuldig te hebben gemaakt aan hetgeen hem ten laste is gelegd.
Door de President van de Krijgsraad wordt gesteld dat de zaak van de verdachte thans voor requisitoir en pleidooi zou kunnen staan, doch dat er een hoofdverdachte in deze zaak is.[4] De tenlastelegging van deze verdachte is gekoppeld aan die van de hoofdverdachte, aangezien ten laste is gelegd dat de strafbare feiten tezamen en in vereniging zouden zijn gepleegd. In reactie hierop stelt de raadsman thans in staat te zijn tot het voeren van het pleidooi.
Door de Plv. Auditeur Militair wordt gesteld dat de zaak tegen de verdachte W. C. niet een afzonderlijke zaak is. Hem wordt verweten zich met medeverdachten schuldig te hebben gemaakt aan de in de ten laste legging vermelde strafbare feiten. Indien de zaken van de andere verdachten nog niet voor requisitoir en pleidooi staan, kan daartoe niet worden overgegaan in de zaak van deze verdachte, aangezien de zaken onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn, ook al worden zij om proceseconomische redenen afzonderlijk behandeld.
In reactie op hetgeen gesteld door de Plv. Auditeur Militair, betoogt de raadsman dat zijn cliënt al ruim acht jaar de status van verdachte heeft, en dat deze het recht heeft te weten waar hij aan toe is. De raadsman stelt tevens niet gemerkt te hebben dat de zaak van zijn cliënt gevoegd wordt behandeld, en is er geen zicht op wanneer de Plv. Auditeur Militair zal rekwireren ten aanzien van de hoofdverdachte. Derhalve wordt gevraagd dat de Krijgsraad bepaalt dat kan worden gerekwireerd in de zaak van de verdachte W. C.
In reactie hierop stelt de Plv. Auditeur Militair dat hoewel de zaken niet gevoegd worden behandeld, er toch sprake is van een en dezelfde zaak. Door de Plv. Auditeur Militair wordt gesteld dat hoewel een ieder behoefte heeft aan een uitkomst in deze zaak, men zich moet voorstellen hoe het zou zijn als de Krijsraad zou komen tot een conclusie in deze zaak, voordat de procedure ten aanzien van de andere verdachten is afgerond.
Door de Plv. Auditeur Militair wordt de vraag opgeworpen hoe het zou zijn voor de overige verdachten, om te vernemen dat het standpunt in deze zaak reeds is ingenomen, voordat het onderzoek in hun zaak is afgerond. De Plv. Auditeur Militair stelt dat het in tegenstelling tot wat door de raadsman is aangedragen, niet zo is dat er geen zicht is op het requisitoir in de zaak van de hoofdverdachte.
De procedure is namelijk dat na afronding van de getuigenverhoren en het verhoor van de verdachte, het requisitoir wordt gevoerd. Thans is men in de zaak van de hoofdverdachte bezig met de getuigenverhoren. Uit juridische en proceseconomische overwegingen wordt derhalve door de Plv. Auditeur Militair gevraagd aan de Krijgsraad dat het requisitoir in de zaak van deze verdachte wordt aangehouden, totdat het moment daarvoor is aangebroken in de zaak van de overige verdachten.
Na het betoog van de Plv. Auditeur Militair richt de verdachte zich tot de Krijgsraad, waarbij hij vraagt dat zijn positie, motieven en handelingen worden overwogen ten opzichte van hetgeen hem is ten laste gelegd. Tijdens zijn betoog herhaalt de verdachte dat hij zich niet schuldig heeft gemaakt aan strafbare feiten, doch dat hij hiervan wordt verdacht slechts op grond van het feit dat hij zich geassocieerd heeft met bepaalde personen.
De verdachte stelt dat het hebben van een bepaalde politieke overtuiging of het participeren in een regering na 8 december 1982 geen strafbaar feit is, doch een recht, en dat hij steeds heeft gehandeld naar zijn geweten. De verdachte laat zich eveneens uit over de verklaring welke op de zitting van 12 juni jl. in zijn zaak is afgelegd door de getuige E.B., en stelt o.a. dat hij indertijd slechts op grond van de verklaring welke deze getuige tijdens het vooronderzoek had afgelegd, als verdachte is bestempeld.
De Krijgsraad stelt daarop dat het als verdachte aanmerken van een persoon ter beoordeling is van het Openbaar Ministerie, en dat het aan de Krijgsraad is om daar uiteindelijk een oordeel over te vellen. Aan de verdachte wordt medegedeeld dat het onderzoek in zijn zaak niet wordt afgesloten, omdat hij mogelijk naar aanleiding van andere verhoren, nader verhoord zal worden.
De zitting wordt thans geschorst, opdat de Krijgsraad zich kan beraden over het verzoek van de raadsman dat in deze zaak wordt overgegaan tot het requisitoir. Bij hervatting van de zitting stelt de President van de Krijgsraad dat de Krijgsraad er begrip voor heeft dat ieder verdachte recht heeft op een uitkomst in zijn zaak.
Echter kan de Krijgsraad in deze fase het verzoek niet honoreren, omdat hetgeen de verdachte ten laste is gelegd, niet een afzonderlijk feit is en de zaken van de hoofdverdachte en de overige verdachten ook dienen te worden behandeld. De Krijgsraad stelt dat derhalve de zaak van deze verdachte thans niet verder zal worden behandeld, en dat hem kenbaar zal worden gemaakt wanneer overgegaan zal worden tot het requisitoir.
Het onderzoek tegen de verdachte E. R.
De verdachte E.R. en zijn raadsman zijn beiden ter terechtzitting aanwezig. De verdachte wordt door de President van de Krijgsraad vermaand oplettend te zijn, en hem wordt voorgehouden dat hij niet verplicht is te antwoorden op de hem gestelde vragen. In de zaak van deze verdachte is de persoon van S.B. als getuige op de rol gebracht. De getuige is ter terechtzitting aanwezig, en na opgave van zijn personalia wordt van hem de belofte afgenomen dat hij naar waarheid zal verklaren.
Door de Krijgsraad worden aan deze getuige vragen gesteld, waarna de President van de Krijgsraad zich richt tot de verdachte, en hem een passage voorhoudt uit het rapport van het Nederlands Juristen Comité dat handelt over hetgeen zich zou hebben voorgedaan op of omstreeks 8 december 1982, en in welke onder andere wordt verwezen naar handelingen die zouden zijn gepleegd door de verdachte E. R.
De President van de Krijgsraad stelt dat op de vorige zitting was aangegeven dat in het rapport van het Nederlands Juristen Comité is vermeld dat deze is gebaseerd op getuigenverklaringen die zouden zijn gedeponeerd bij het Gerechtshof in Den Haag, Nederland. Naar aanleiding van dit gegeven was door de Krijgsraad gevraagd aan het Openbaar Ministerie om na te gaan als deze getuigenverklaringen in het geding konden worden gebracht.
Thans stelt de Plv. Auditeur Militair dat het Openbaar Ministerie niet beschikt over deze getuigenverklaringen, en deze dus niet kan overleggen, waarop door de President van de Krijgsraad wordt aangegeven dat de vraag is als het Openbaar Ministerie kan nagaan als over deze verklaringen kan worden beschikt.
De President van de Krijgsraad stelt dat verwezen wordt naar het rapport dat zou zijn gebaseerd op meer dan 10 schriftelijke verklaringen die belastend zijn, en zouden zijn afgelegd bij de Vice-President van het Gerechtshof in Den Haag. Gevraagd wordt door de Krijgsraad, dat zulks wordt nagetrokken door het Openbaar Ministerie.
Hierna wordt het verhoor van de getuige S.B. voortgezet, en worden aan betrokkene vragen gesteld door de Krijgsraad en de Plv. Auditeur Militair. Noch de raadsman, noch de verdachte hebben enige vragen te stellen aan de getuige. Desgevraagd stelt de raadsman geen getuigen a decharge te zullen aandragen.
Door de President van de Krijgsraad wordt gesteld dat desondanks niet zal worden overgegaan tot het verhoor van de verdachte. Dit vanwege het late uur, alsook vanwege het feit dat het wenselijk wordt geacht te beschikken over de getuigenverklaringen op welke het rapport van het Nederlands Juristen Comité zou zijn gebaseerd. Derhalve wordt de behandeling van de zaak tegen de verdachte E. R. uitgesteld.
De raadsman werpt thans op dat de Krijgsraad op de zitting van 12 juni jl.,het Openbaar Ministerie had gelast stukken boven water te krijgen, en dat het hem niet duidelijk is wat het Openbaar Ministerie in de afgelopen maand daartoe gedaan heeft.
De raadsman stelt dat zijn cliënt reeds 8 jaar verdachte is, dat er een Gerechtelijk Vooronderzoek heeft plaatsgevonden, doch dat er geen onderzoek is gedaan naar een document op welke de beschuldiging tegen zijn cliënt is gebaseerd. Derhalve wordt door de raadsman gevraagd dat door de Krijgraad wordt beslist dat zaak “voor wijze” kan staan, hetwelk inhoud dat wordt overgegaan tot het requisitoir en pleidooi.
Naar aanleiding van het voorgaande wordt thans het proces-verbaal van de zitting van 12 juni jl. opgeslagen, en blijkt daaruit dat toen beslist is geworden dat de Auditeur Militair op 13 juli uitsluitsel zou geven over het verzoek van de Krijgsraad om te beschikken over de getuigenverklaringen op welke het rapport van het Nederlands Juristen Comité zou zijn gebaseerd. Aan de Auditeur Militair wordt door de President van de Krijgsraad gevraagd thans dat uitsluitsel te verstrekken.
Door de Plv. Auditeur Militair wordt daarop gesteld dat het Openbar Ministerie naar aanleiding van het verzoek van de Krijgsraad, is nagegaan wat er is aan materiaal, waarbij terug is gegaan naar het moederdossier. Al datgene dat te maken heeft met deze zaak is opgeslagen op een veilige plaats. De betreffende getuigenverklaringen zijn niet aangetroffen. Het Openbaar Ministerie zal thans langs de formele weg moeten nagaan als de verklaringen op de bewuste plek aanwezig zijn.
Na de standpunten van zowel de verdediging als het Openbaar Ministerie gehoord te hebben, wordt door de President van de Krijgsraad gesteld dat het verzoek van de raadsman niet kan worden gehonoreerd, alhoewel de verdachte er recht op heeft te weten hoe het verder zal gaan in zijn zaak. Het onderzoek tegen de verdachte wordt uitgesteld tot 7 augustus as.
De President van de Krijgsraad geeft aan dat het Openbaar Ministerie op uiterlijk deze datum de Krijgsraad zal behoren te berichten als de getuigenverklaringen kunnen worden achterhaald bij het Gerechtshof te Den Haag of elders, aangezien ook met de gerechtvaardigde belangen van de verdachte rekening moet worden gehouden.
Het onderzoek tegen de verdachte R. R.
Noch de verdachte R.R., noch diens raadsman zijn ter terechtzitting aanwezig. Door een wel ter terechtzitting aanwezige raadsman wordt waargenomen voor de afwezige raadsman. Hij geeft aan dat betrokken raadsman twee weken geleden om strikt persoonlijke redenen naar het buitenland is afgereisd, doch op 24 juli wederom hier te lande zal zijn.
De Plv. Auditeur Militair - in de gelegenheid gesteld te reageren - stelt dat het Openbaar Ministerie zich ten aanzien van dit gegeven zal refereren aan de beslissing van de Krijgsraad. De Plv. Auditeur Militair stelt verder dat de verdachte op de bij wet voorgeschreven wijze is gedagvaard, en derhalve wordt verzocht dat tegen hem verstek wordt verleend, welke kan worden gezuiverd wanneer de verdachte aanwezig is.
De raadsman die de Krijgsraad kort daarvoor ter terechtzitting had ingelicht omtrent de omstandigheden van de raadsman van de verdachte R. R. , stelt geen bezwaar te hebben tegen hetgeen is verzocht door het Openbaar Ministerie, doch vraagt dat de Krijgsraad de verdediging op de volgende zitting in de gelegenheid stelt tot het voeren van preliminaire verweren. De zitting wordt geschorst, opdat de Krijgsraad zich kan beraden over het voorgaande.
Na hervatting van de zitting wordt door de President van de Krijgsraad gesteld dat gebleken is dat de verdachte conform de wet is gedagvaard in persoon, doch zonder verontschuldigbare reden niet is verschenen. Volgens de Krijgsraad is het in de rechtspraak gebruik dat indien een raadsman uitlandig is - zeker als die uitlandigheid 2 weken voor de zitting is ontstaan - dat tijdig kenbaar wordt gemaakt.
De President van de Krijgsraad vraagt daarop aan de raadsman die haar heeft ingelicht over de omstandigheden van de raadsman van de verdachte R. R. , om zijn kantoorgenoot op de hoogte te brengen van het fatsoen welke geldt binnen de rechtspraak. De President vervolgt met te stellen dat deze handelswijze ook hoogst onbehoorlijk is tegenover de getuigen die in de zaak van deze verdachte zijn opgeroepen, en die al enige uren aanwezig zijn in het Gerechtsgebouw.
Door de Krijgsraad wordt verstek verleend tegen de verdachte R.R., waarna de aanwezige getuigen O.F. en V.T. tezamen voor de Krijgsraad worden gebracht. Door de President van de Krijgsraad wordt aan de getuigen voorgehouden dat net is vernomen van de waarnemer van de raadsman van de verdachte R.R., dat deze raadsman in het buitenland is, en dat de zaak tegen de verdachte derhalve wordt uitgesteld naar 7 augustus as. De President van de Krijgsraad vraagt de getuigen begrip voor deze situatie, en stelt dat het gaat om omstandigheden waar de Krijgsraad niets aan kan doen.
In de zaak van deze verdachte was ook de persoon van E.V. opgebracht als getuige. Hoewel betrokkene correct is gedagvaard, is hij niet ter terechtzitting aanwezig, en wordt door de Plv. Auditeur Militair zijn medebrenging verzocht. De Krijgsraad verleent akte van niet-verschijning, en gelast de medebrenging van de getuige, waarna de zitting omstreeks 17.30 uur wordt gesloten.
mr. Marjory Sanches
Woordvoerder 8 decemberstrafproces
[1] Tijdens het Gerechtelijk Vooronderzoek worden verklaringen onder ede slechts bij de Rechter-Commissaris afgelegd, verklaringen bij de politie worden niet onder ede afgelegd.
[2] Artikel 325 van het Wetboek van Strafvordering duidt als wettige bewijsmiddelen aan de eigen waarneming van de rechter, de verklaring van de verdachte, de getuige en de deskundige, alsook schriftelijke bescheiden.
[3] Een getuige die zonder wettige grond weigert op de hem gestelde vragen te antwoorden, kan in opdracht van de rechter worden geijzeld, wat betekent dat hij tijdelijk van zijn vrijheid wordt beroofd.
[4] Nadat de getuigen en de verdachte zijn gehoord, kan de vervolgingsambtenaar het woord voeren en legt hij zijn vordering na voorlezing aan de rechter over. De vordering omschrijft de straf - indien oplegging daarvan wordt geëist - en vermeld in dat geval tevens welk strafbaar feit zou zijn begaan. Het voordragen van die vordering door de vervolgingsambtenaar, wordt het requisitoir genoemd. Het antwoord van de verdachte of diens raadsman op het requisitoir, wordt pleidooi genoemd.
Communiqué no. 21
Paramaribo, 25 juni 2009
Krijgsraadzitting 22 juni 2009 in het 8 December strafproces
Op maandag 22 juni 2009 is het 8 december strafproces hervat in de stand waarin het geding was geschorst op 29 mei jl. Voor de zitting van 22 juni waren een vijftal verdachten en twaalf getuigen op de rol opgebracht.
Het onderzoek tegen de verdachte D.B.
Omstreeks 10.10 uur wordt de zitting geopend door de President van de Krijgsraad. Nadat de zaak van de verdachte D. B.. is afgeroepen, blijkt dat betrokken verdachte niet aanwezig is, zijn raadsman is dat wel. Op de vraag van de President van de Krijgsraad naar de reden van de afwezigheid van de verdachte, wordt door zijn raadsman gesteld dat hij vanwege zijn eigen drukke werkzaamheden, geen contact heeft gehad met zijn cliënt.
Door de President van de Krijgsraad wordt thans kenbaar gemaakt dat er de dag daarvoor een spoedschrijven van de raadsman is ontvangen, in welke is aangegeven dat zich bij hem een persoon heeft aangemeld, die een ooggetuigenverslag wenst te doen in verband met een inval in Suriname in december 1982. Betrokkene heeft informatie over de aankoop van wapens en personen. Deze persoon is woonachtig in Nederland, maar vertoeft tot 5 juli as. in Suriname. De raadsman vraagt dat deze persoon in het belang van de waarheidsvinding, als getuige wordt gehoord door de Rechter-Commissaris. In reactie op het verzoek van de raadsman, stelt de Plaatsvervangend Auditeur Militair dat men bezig is met waarheidsvinding, en dat het Openbaar Ministerie geen moeite heeft met een getuige die daartoe kan bijdragen. In casu zal het Openbaar Ministerie zich refereren aan het oordeel van de Krijgsraad.
Na de standpunten van de verdediging en het Openbaar Ministerie gehoord te hebben, wordt de zitting geschorst opdat de Krijgsraad zich over het onderwerpelijke kan beraden. Na enige tijd wordt de zitting hervat, en door de President van de Krijgsraad aangegeven dat de Krijgsraad besloten heeft op een later moment in de zitting haar bevinding omtrent het verzoek van de raadsman kenbaar te maken.
Na deze mededeling wordt een aanvang gemaakt met de getuigenverhoren. In de zaak van deze verdachte zijn een zestal personen als getuige op de rol opgebracht, te weten B.J, P.T, H.V, H.A, R.S en R.L. Betrokkenen zijn naar mededeling van de deurwaarder, allen ter terechtzitting aanwezig.
Het verhoor van de getuige B.J.
Zoals voorgeschreven door het Wetboek van Strafvordering, wordt de getuige naar zijn personalia gevraagd, waarna van hem de belofte wordt afgenomen dat hij naar waarheid zal verklaren. Aan deze getuige worden door zowel de Krijgsraad als de Plv. Auditeur Militair en de raadsman, vragen gesteld. Op gegeven moment protesteert de Plv. Auditeur Militair tegen de wijze van vraagstelling door de raadsman, die hij als suggestief classificeert.
Op een ander moment wordt door de raadsman aan de getuige voorgehouden dat hij in het kader van het Gerechtelijk Vooronderzoek in de maand mei van het jaar 2002 als getuige door de Rechter Commissaris is gehoord. De raadsman citeert daarna uit een door een functionaris van de Militaire Politie opgemaakt proces-verbaal, gedateerd op 29 april 2002, waarin wordt gerelateerd wat een informant zou hebben verklaard aan die bewuste functionaris. Aan de getuige wordt gevraagd, als hij die bewuste informant is. De getuige stelt daarop dat hij geen informant is.
Hoewel de informant in het relaas niet bij naam wordt genoemd, blijkt na voorlezing van delen van het relaas dat de zaken welke die informant zou hebben verklaard, opmerkelijke overeenkomsten vertonen met zaken welke de getuige B. J. verklaard heeft ter terechtzitting. De getuige stelt in reactie op hetgeen hem wordt voorgehouden, dat hij in het jaar 2002 benaderd is door de functionaris van de Militaire Politie, die hem vroeg als hij op 8 december 1982 op een bepaalde plek aanwezig was, en kennis droeg van zaken die zich hadden afgespeeld. De getuige heeft daar bevestigend op geantwoord, waarna hem door de functionaris van de Militaire Politie gevraagd is als hij bereid zou zijn mee te werken aan een verhoor. Ook daarop heeft de getuige bevestigend geantwoord.
Enkele dagen na dat onderhoud is de getuige door de functionaris van de Militaire Politie opgehaald en gebracht naar de Rechter Commissaris, alwaar hij een verklaring heeft afgelegd. De getuige benadrukt dat hij vóór het afleggen van de verklaring bij de Rechter Commissaris, geen verklaring heeft afgelegd bij de functionaris van de Militaire Politie over hetgeen hem bekend is van de gebeurtenissen rondom 8 december 1982. Dat kennelijk zaken die hij in mei 2002 aan de Rechter Commissaris heeft verklaard, zijn gerelateerd in een proces verbaal van de Militaire Politie dat gedateerd is op 29 april 2002, kan volgens de getuige gelegen hebben aan het feit dat op die bewuste datum een begin is gemaakt met het proces verbaal, doch dat dit is afgerond op een latere datum.
Nadat het verhoor van de getuige is afgerond, wordt hem toestemming verleend de zaal te verlaten, met de stipulatie dat hij beschikbaar moet blijven voor een mogelijke confrontatie met een andere nog te horen getuige. Uitdrukkelijk wordt door de President van de Krijgsraad gesteld dat deze reeds gehoorde getuige, in het Gerechtsgebouw moet worden afgezonderd van de nog te horen getuigen.[1]
Het verhoor van de getuigen P. T., H.A. en R.S.
De getuige P. T. wordt voor de Krijgsraad geleid, waarna hij, zoals voorgeschreven door het Wetboek van Strafvordering, naar zijn personalia wordt gevraagd en van hem de belofte wordt afgenomen dat hij naar waarheid zal verklaren. Aan deze getuige worden zowel door de Krijgsraad als de Plv. Auditeur Militair vragen gesteld. Op een vorige zitting had deze getuige tevens aangegeven dat hij tijdens het Gerechtelijk Vooronderzoek bij de Militaire Politie gehoord is geworden door uitsluitend de verbalisant H. A. Echter stond in het proces-verbaal in welke de verklaring van de getuige was opgetekend, aangegeven dat betrokken getuige door de verbalisanten H. A. en R. S. is gehoord.
Teneinde de getuige P. T. te confronteren met de personen van H. A. en R.S, zijn de twee laatstgenoemden heden ter terechtzitting als getuigen gedagvaard door de Krijgsraad. De getuige H. A. wordt voor de Krijgsraad geleid, naar zijn personalia gevraagd, waarna hij onder ede wordt gesteld. De getuige H. A. geeft desgevraagd in aanwezigheid van de getuige P. T. aan dat diens verhoor indertijd is geschied door hemzelf en zijn collega R. S. tezamen, en dat aan de getuige door beide verbalisanten vragen zijn gesteld. In reactie hierop stelt de getuige P. T. tot twee maal toe dat de persoon van H. A. liegt, waarop P. T. wordt geïnstrueerd door de President van de Krijgsraad, dat hij zijn mening in andere bewoordingen zou moeten aangeven.
Op gegeven moment wordt aan H. A. door de raadsman gevraagd, welk belang de getuige P. T. zou hebben om te beweren dat H. A. zou liegen. Daarop antwoordt H. A. dat hij dat belang niet kan aangeven, daar dit bij de getuige P. T. ligt. Na de confrontatie tussen deze getuigen, wordt H. A. toestemming verleend te vertrekken, waarop de persoon van R. S. voor de Krijgsraad wordt geleid, naar zijn personalia wordt gevraagd, en van hem de belofte wordt afgenomen dat hij naar waarheid zal verklaren. De getuige R. S. verklaart dat de getuige P. T. tijdens het Gerechtelijk Vooronderzoek door zowel de persoon van H. A. als door hemzelf, vragen zijn gesteld. De getuige P. T. blijft bij zijn verklaring dat de persoon van R. S., hem indertijd geen enkele vraag heeft gesteld. Na de confrontatie tussen deze getuigen wordt hen door de Krijgsraad toestemming verleend te vertrekken.
Het verhoor van de getuige H. V.
De getuige wordt naar zijn personalia gevraagd en onder ede gesteld, waarna hem door zowel de Krijgsraad als de Plv. Auditeur Militair en de raadsman, vragen worden gesteld. Na het verhoor van de getuige, wordt hem aangegeven dat hij beschikbaar moet blijven voor een mogelijke confrontatie met een andere getuige.
Het verhoor van de getuige R. L.
De getuige wordt naar zijn personalia gevraagd en onder ede gesteld, waarna hem door zowel de Krijgsraad als de Plv. Auditeur Militair en de raadsman, vragen worden gesteld. Gedurende het verhoor van deze getuige, wordt de eerder gehoorde getuige H. V. voor de Krijgsraad geleid voor een confrontatie met de getuige R. L., aangezien hun verklaringen op een bepaald punt significant verschillen; met name ten aanzien van het tijdstip waarop de verdachte D. B. op een of meerdere locaties aanwezig zou zijn.
Ook de eerder gehoorde getuige B.J. wordt wederom voor de Krijgsraad geleid, en herhaalt wat hij eerder had aangegeven over het tijdstip op welke hij de verdachte op een bepaalde plek zou hebben gezien. Door de Krijgsraad en de Plv. Auditeur Militair worden aan deze getuigen nadere vragen gesteld. Na de confrontatie van de getuigen, wordt hen alle drie toestemming gegeven te vertrekken.
Beslissing Krijgsraad op verzoek raadsman
Nadat de getuigen die heden zijn opgeroepen in de zaak tegen de verdachte D. B. zijn gehoord, geeft de Krijgsraad haar beslissing op het eerder gedane verzoek van de raadsman om een bepaalde persoon als getuige te doen horen door de Rechter Commissaris. Door de President van de Krijgsraad wordt aangegeven dat de Krijgsraad heeft besloten te gelasten dat de betreffende getuige in het belang van de waarheidsvinding wordt gehoord door de Rechter Commissaris, en wel op een datum vóór 5 juli 2009. Ingevolge artikel 302 van het Wetboek van Strafvordering, wordt bepaald dat de zaak tegen de verdachte D. B. geschorst wordt tot de datum op welke het verhoor van de getuige door de Rechter Commissaris zal hebben plaatsgevonden.[2] De behandeling van de zaak tegen de verdachte zal worden voortgezet op 24 juli as.
Het onderzoek tegen de verdachte B. B.
De verdachte zowel zijn raadsman zijn ter terechtzitting aanwezig. In de zaak tegen de verdachte is de persoon van S. M. als getuige op de rol opgebracht, echter is betrokkene in het buitenland woonachtig. Desgevraagd stelt de Plv. Auditeur Militair dat het Openbaar Ministerie een aantal personen die in het buitenland woonachtig zijn, heeft opgebracht als getuigen. Thans wordt het verzoek gedaan dat deze personen op 23 oktober 2009 ter terechtzitting worden gehoord. De President van de Krijgsraad stelt dat de Krijgsraad akkoord gaat met het verzoek van de Auditeur Militair.
Gesteld wordt dat de wettelijke termijn voor het dagvaarden van getuigen die in Nederland woonachtig zijn, drie maanden is, en wordt de verdachte aangezegd op 23 oktober wederom ter terechtzitting aanwezig te zijn voor de voortzetting van het onderzoek tegen zijn persoon. Tevens wordt de raadsman aangegeven dat indien de verdediging voornemens is in het buitenland woonachtige personen als getuigen a decharge te dagvaarden, zulks zo spoedig mogelijk behoort te worden doorgegeven, zodat deze ook door de Auditeur Militair opgenomen kunnen worden in het verzoek[3].
Het onderzoek tegen de verdachte I. T.
De verdachte zowel zijn raadsman zijn ter terechtzitting aanwezig. In de zaak tegen deze verdachte zijn een drietal personen als getuige op de rol opgebracht, te weten H. K., J. R. en M. R.
Het verhoor van de getuige H.K.
De getuige is ter terechtzitting aanwezig, en wordt na opgave van zijn personalia onder ede gesteld. Door de Krijgsraad wordt aangegeven dat het Openbaar Ministerie gevraagd is beeldmateriaal te achterhalen, welke thans ter terechtzitting zal worden vertoond. Aangezien het in casu opnamen betreft van twee van de personen die op of omstreeks 8 december 1982 om het leven zijn gekomen, worden de in de zaal aanwezige nabestaanden door de President van de Krijgsraad om begrip gevraagd voor de vertoning van deze beelden.
De beelden worden daarna op een in de zittingszaal geplaatst scherm vertoond. Na de vertoning wordt de getuige H K. - die indertijd deze beelden zou hebben opgenomen – door de Krijgsraad, de Plv. Auditeur Militair en de raadsman, vragen gesteld omtrent de omstandigheden rondom hetgeen is vastgelegd op het beeld. Na afronding van het verhoor van deze getuige wordt gesteld dat de 2 andere personen die op de lijst zijn opgebracht als getuige, met name
J. R. en M. R., in het buitenland woonachtig zijn. Ten aanzien hiervan stelt de Plv. Auditeur Militair dat het Openbaar Ministerie ook deze personen zal dagvaarden voor de zitting van 23 oktober 2009. Door de raadsman wordt gesteld dat de verdediging geen behoefte heeft aan het horen van de getuigen, en zou kunnen worden overgegaan tot het requisitoir en pleidooi.[4] Daarop wordt door de President van de Krijgsraad gesteld dat in het kader van de waarheidsvinding, het Openbaar Ministerie de gelegenheid zal worden geboden de getuigen op te roepen.
Het onderzoek tegen de verdachte E. G.
De verdachte is niet ter terechtzitting aanwezig, zijn raadsman wel. In de zaak van deze verdachte, zijn de een drietal personen opgebracht als getuige, met name A. G., I. D. en S. M. Door de raadsman wordt aangegeven dat zijn cliënt vanwege medische redenen in het ziekenhuis is opgenomen. Gevraagd wordt dat gewacht wordt met het getuigenverhoor totdat de verdachte hersteld is en ter terechtzitting aanwezig kan zijn. In reactie hierop wordt gesteld door de President van de Krijgsraad, dat zulks moet worden aangegeven met overlegging van een medische verklaring.
Desgevraagd onderschrijft de Plv. Auditeur Militair dat de medische verklaring wordt geproduceerd. Indien daaruit mocht blijken dat de verdachte op enig moment aanwezig zal kunnen zijn bij de getuigenverhoren, behoort hij daartoe in de gelegenheid te worden gesteld. Indien echter niet blijkt wanneer de verdachte aanwezig zal kunnen zijn, zou in de visie van de Plv. Auditeur Militair, uit proceseconomische redenen moeten worden bekeken voort te gaan met de getuigenverhoren. Door de President van de Krijgsraad wordt gesteld dat vanwege het recht van de verdachte om aanwezig te zijn bij het tegen hem gerichte onderzoek, thans niet zal worden overgegaan tot het horen van de getuigen.
De getuigen A.G. en I.D. zijn ter terechtzitting aanwezig, de persoon van S. M. is in het buitenland woonachtig. De twee aanwezige getuigen worden gezamenlijk voor de Krijgsraad gebracht, en wordt hun voorgehouden waarom zij heden niet zullen worden gehoord. Hen wordt aangegeven dat de zaak wordt uitgesteld tot 24 juli as, doch dat hen tijdig zal worden aangegeven indien deze datum niet haalbaar is. De raadsman wordt door de Krijgsraad geïnstrueerd tijdig door te geven als de datum van 24 juli haalbaar zal zijn voor de verdachte om aanwezig te zijn ter terechtzitting.
Aangezien er niets meer op de rol staat, wordt de zitting omstreeks 19.20 uur gesloten.
mr. Marjory Sanches
Woordvoerder 8 decemberstrafproces
[1] Ter voorkoming van beïnvloeding van een nog niet gehoorde getuige door een reeds gehoorde getuige, worden zodanige maatregelen getroffen om te voorkomen dat deze zich met elkaar kunnen onderhouden.
[2] Artikel 302 van het Wetboek van Strafvordering stelt dat indien enig onderzoek door de Rechter Commissaris noodzakelijk blijkt, de rechter met schorsing van de zaak tot de afloop van dat onderzoek, de stukken in handen stelt van een Rechter Commissaris belast met de behandeling van strafzaken. Het door de Rechter Commissaris verrichte onderzoek geldt als een Gerechtelijk Vooronderzoek.
[3] Een getuige a charge is een getuige die het Openbaar Ministerie denkt te kunnen gebruiken voor het bewijzen van het ten laste gelegde feit. Tegenover een getuige a charge staat een getuige a decharge, die ontlastende verklaringen zou kunnen afleggen.
[4] Nadat de getuigen en de verdachte zijn gehoord, kan de vervolgingsambtenaar het woord voeren en legt hij zijn vordering na voorlezing aan de rechter over. De vordering omschrijft de straf - indien oplegging daarvan wordt geëist - en vermeld in dat geval tevens welk strafbaar feit zou zijn begaan. Het voordragen van die vordering door de vervolgingsambtenaar, wordt het requisitoir genoemd. Het antwoord van de verdachte of diens raadsman op het requisitoir, wordt pleidooi genoemd.
Communiqué no. 20
Paramaribo, 18 juni 2009
Krijgsraadzitting 12 juni 2009 in het 8 December strafproces
Op vrijdag 12 juni 2009 is het 8 december strafproces hervat in de stand waarin het geding was geschorst op 6 april jl. Voor de zitting van 12 juni waren een vijftal verdachten en achttien getuigen op de rol opgebracht.
Het onderzoek tegen de verdachte A.G.
Omstreeks 10.00 uur wordt de zitting geopend door de President van de Krijgsraad. Nadat de zaak van de verdachte A. G. is afgeroepen, blijken zowel de verdachte als diens raadsman aanwezig te zijn.
In de zaak van deze verdachte zijn een viertal personen op de rol opgebracht als getuige. Ten aanzien van de persoon van L. S. , blijkt uit het rapport van de deurwaarder dat betrokkene niet langer woonachtig is op het bij de Justitie van hem bekende adres, waardoor het niet mogelijk was hem te dagvaarden. Door de Plaatsvervangend Auditeur Militair wordt naar aanleiding hiervan gesteld dat het vaker voorkomt dat personen bij verhuizing, nalaten de Burgerlijke Stand van hun nieuwe adres op de hoogte te stellen. Vanuit de vervolging zal getracht worden het huidige adres van betrokkene te achterhalen, zodat hij alsnog als getuige kan worden gedagvaard. Naar aanleiding van het vorengaande, beveelt de Krijgsraad de hernieuwde dagvaardig van de persoon van L. S. op 13 juli as.
De tweede op de rol opgebrachte getuige P. A. is wel ter terechtzitting aanwezig. Zoals voorgeschreven door het Wetboek van Strafvordering, wordt de getuige door de President van de Krijgsraad naar zijn personalia gevraagd, waarna hij onder ede wordt gesteld. Aan de getuige worden door zowel de Krijgsraad als de Plv. Auditeur Militair vragen gesteld; de raadsman en de verdachte hebben geen vragen te stellen aan deze getuige. Hierna wordt het verhoor aangevangen van de derde op de rol opgebrachte getuige A. P. Ook deze getuige doet opgave van zijn personalia, en wordt daarna onder ede gesteld. Ook aan deze getuige worden door zowel de Krijgsraad als de Plv. Auditeur Militair vragen gesteld; noch de raadsman noch de verdachte hebben vragen te stellen aan deze getuige. Ten aanzien van de persoon van R. C. die eveneens op de rol is opgebracht als getuige, blijkt ter terechtzitting dat diens dagvaarding niet heeft kunnen plaatsvinden, aangezien hij in het buitenland woonachtig is. Door de Plv. Auditeur Militair wordt naar aanleiding hiervan gesteld dat het Openbaar Ministerie zal nagaan hoe betrokkene op enig moment kan worden gehoord.
Ten aanzien van de persoon van J. G. wiens dagvaarding als getuige eerder was gelast, wordt door de President van de Krijgsraad aangegeven dat er een rapport van de deurwaarder is ontvangen waaraan een verklaring van de Burgerlijke Stand is gevoegd, waaruit blijkt dat betrokkene in het jaar 2008 in Frankrijk is komen te overlijden. Naar aanleiding hiervan vraagt de Plv. Auditeur Militair dat de verklaring die J. G. tijdens het Gerechtelijk vooronderzoek heeft afgelegd, thans ter terechtzitting wordt voorgelezen.
De raadsman van de verdachte stelt bezwaar hiertegen te hebben, aangezien niet bekend is als de persoon van J. G. tijdens het Gerechtelijk Vooronderzoek onder ede is gehoord door de Rechter-Commissaris, en een bij de politie afgelegde verklaring niet als bewijs zou kunnen dienen.
Naar aanleiding van het voorgaande wordt de zitting geschorst. Na de schorsing wordt de Plv. Auditeur Militair de gelegenheid geboden te reageren op het verweer van de raadsman. Door de Plv. Auditeur Militair wordt gesteld dat hoewel de raadsman heeft beweerd dat een bij de politie afgelegde verklaring niet mag worden gebruikt voor bewijs, dit verweer niet gestoeld is op de wet. Immers geeft artikel 325 van het Wetboek van Strafvordering expliciet aan de wettige bewijsmiddelen, en is daarin vermeld dat processen verbaal een wettig bewijsmiddel zijn. De verklaring van de persoon van J. G. is tijdens het vooronderzoek afgenomen en afgesloten op ambtseed door een daartoe bevoegde ambtenaar, en is derhalve een bewijsmiddel in de zin van de wet.[1] Tevens verwijst de Plv. Auditeur Militair naar jurisprudentie, met als vindplaats NJ 1992, # 199 in welke wordt gesteld dat gebruik mag worden gemaakt van getuigenverklaringen afgelegd bij de politie.[2] De feitelijke situatie is dat de persoon van
J. G. het tijdelijke met het eeuwige heeft verwisseld, doch betekent dit volgens de Plv. Auditeur Militair niet dat hetgeen hij eerder heeft verklaard, niet mag worden gebruikt voor bewijs aangezien zowel in de wet als in de jurisprudentie ondubbelzinnig wordt aangegeven dat zulke verklaringen wel voor bewijs mogen worden gebruikt
In reactie hierop stelt de raadsman dat de Plv. Auditeur Militair weliswaar de wet en jurisprudentie heeft geciteerd, doch dat dan de vraag kan worden gesteld wat voor nut het dan zou hebben om personen die reeds bij de politie een verklaring hebben afgelegd, alsnog een verklaring te doen afleggen ter terechtzitting. Er zou dan in feite gewoon kunnen worden aangevangen met het verhoor van de verdachte, omdat er dan geen getuigen nodig zijn. De raadsman stelt dat er een verschil behoort te zijn tussen een verklaring welke is afgelegd bij de politie en die welke is afgelegd bij de Rechter Commissaris, omdat anders het onderscheid niet zou behoeven te worden gemaakt.[3] Naar aanleiding van het onderwerpelijke wordt door de President van de Krijgsraad gesteld dat de Krijgsraad zich zal buigen over deze kwestie, en op de zitting van 13 juli as. haar beslissing hierover kenbaar zal maken.
Aangehaald wordt dat eerder de dagvaarding was gelast van de persoon van S. M., waarop door de Plv. Auditeur Militair wordt gesteld dat betrokkene in het buitenland woonachtig is, en wordt gevraagd dat het Openbaar Ministerie de ruimte krijgt na te gaan hoe deze persoon kan worden gehoord.
Door de Krijgsraad wordt bepaald dat het onderzoek tegen de verdachte A. G. wordt uitgesteld naar maandag 13 juli as. op welke datum het Openbaar Ministerie rapport zal uitbrengen over het als getuige dagvaarden van de personen van R. C. en S. M.
Het onderzoek tegen de verdachte E. B.
De verdachte en zijn raadslieden zijn ter terechtzitting aanwezig. Door de Plv. Auditeur Militair wordt gesteld dat beide in deze zaak als getuige opgebrachte personen, met name N. R. en J. T. woonachtig zijn in het buitenland. Getracht is geworden om in contact te treden met de persoon van N. R., doch is dat niet gelukt. Door Plv. Auditeur Militair wordt derhalve gevraagd dat het Openbaar Ministerie een termijn wordt gegund om betrokken personen alsnog te dagvaarden. Door de raadsman van de verdachte wordt daarop gesteld dat de verdediging daar in principe geen bezwaar tegen zou hebben, echter zijn de eerder door betrokken personen afgelegde verklaringen aanwezig in het strafdossier, en vraagt de verdediging zich af als het niet mogelijk is af te zien van deze getuigen, daar niet veel relevantie wordt gezien in de verklaringen. Gevraagd wordt dat indien mogelijk, gelijk wordt aangevangen met het verhoor van de verdachte, ook indachtig het late uur.
In reactie hierop wordt door de Auditeur Militair gesteld dat in de zaak tegen de vorige verdachte reeds gesteld was dat het mogelijk is gebruik te maken van tijdens het vooronderzoek afgelegde verklaringen. Hier wordt dan ook niet afwijzend tegenover gestaan, doch acht de vervolging het toch wenselijk betrokken personen ter terechtzitting te dagvaarden, of op zijn minst een poging hiertoe te wagen. Volgens de Plv. Auditeur Militair is namelijk gebleken dat ter terechtzitting nuances worden aangebracht in verklaringen die tijdens het vooronderzoek zijn afgelegd. Om deze reden wordt uitstel gevraagd om te trachten betrokken personen alsnog te dagvaarden als getuigen. Mocht zulks niet lukken, dan kan de zaak worden voortgezet op grond van de stukken uit het procesdossier.
De raadsman van de verdachte, in de gelegenheid gesteld te reageren, geeft aan dat het bezwaar van de verdediging meer gericht is op de dagvaarding, waarbij de vraag wordt opgeworpen welk bewijs deze getuigen kunnen leveren.[4] Uit de verklaringen die betrokkenen eerder hebben afgelegd blijkt volgens de raadsman namelijk dat er niet veel bewijs is dat zij zouden kunnen leveren tegen de verdachte.
Naar aanleiding van het voorgaande wordt de zitting voor enige ogenblikken geschorst zodat de Krijgsraad zich kan beraden. Na de schorsing wordt door de President van de Krijgsraad gesteld dat vanwege het onmiddellijkheidsbeginsel,[5] de Auditeur Militair tenminste eenmaal de gelegenheid moet krijgen om genoemde personen als getuige te dagvaarden. Echter onderkent de Krijgsraad dat het voor de verdachte lastig is ter terechtzitting geconfronteerd te worden met het feit dat er geen getuigen aanwezig zijn. Derhalve wordt beslist dat het onderzoek tegen de verdachte wordt geschorst, en aan hem bericht zal worden verstrekt wanneer er zicht is op het horen van de getuigen.
Het onderzoek tegen de verdachte W. C.
De verdachte en zijn raadsman zijn ter terechtzitting aanwezig, en de zaak tegen de verdachte wordt voorgedragen door de Plv. Auditeur Militair.[6] In de zaak tegen deze verdachte is de persoon van E. B. als getuige opgebracht. De getuige is aanwezig ter terechtzitting en na opgave van de personalia, wordt betrokkene onder ede gesteld, en worden haar door zowel de Krijgsraad als de Plv. Auditeur Militair en de raadsman vragen gesteld. Na het verhoor van deze getuige, wordt door de President van de Krijgsraad aan de raadsman van de verdachte gevraagd als de verdediging getuigen a decharge zal opbrengen.[7] Volgens de raadsman zal de verdediging op dit moment geen getuigen a decharge opgeven, doch kan in deze fase niet worden gesteld dat er helemaal geen getuigen a decharge zullen worden opgebracht. Door de raadsman wordt gesteld dat thans over mag worden gegaan tot het verhoor van de verdachte. De President van de Krijgsraad geeft echter aan dat op dit moment moet worden aangegeven als er al dan geen getuigen a decharge zullen worden opgebracht. Indien zulks niet op dit moment kan worden opgegeven, zal de zaak tegen de verdachte worden uitgesteld.
Op aangeven van de President van de Krijgsraad wordt de zitting kort geschorst, zodat de raadsman zich kan onderhouden met zijn cliënt. Na het onderhoud tussen raadsman en cliënt, wordt door de verdediging gevraagd het onderzoek uit te stellen. De Krijgsraad stelt het onderzoek tegen de verdachte uit naar 13 juli as., op welke datum de verdediging zal behoren aan te geven als zij al dan geen getuigen a decharge zal doen oproepen. De raadsman attendeert de Krijgsraad nog op het feit dat zijn cliënt vanaf omstreeks 9 uur hedenmorgen in de open lucht, en wel in de zon zijn verschijning voor de Krijgsraad heeft moeten afwachten, en wordt gevraagd als er geen andere ruimte voorhanden is.[8] Thans blijkt tevens dat deze verdachte is gedagvaard voor 09.30 uur, terwijl dat 12.30 uur had moeten zijn. Door de President van de Krijgsraad wordt gesteld dat zulks een omissie betreft van het Openbaar Ministerie, en wordt de verdachte aangegeven dat hij in het vervolg steeds om 12.30 uur aanwezig zal behoren te zijn. Door de Krijgsraad wordt gevraagd dat het Openbaar Ministerie in het vervolg attent is op het voorgaande.
Het onderzoek tegen de verdachte R. R.
De verdachte is niet ter terechtzitting aanwezig, zijn raadsman wel. Door de raadsman wordt verwezen naar artikel 269 van het Wetboek van Strafvordering, welke stelt dat in gevallen waarin van nietigheid van de dagvaarding kan blijken zonder onderzoek van de zaak zelf, de verdachte bevoegd is deze verwering dadelijk voor te dragen.[9] Naar aanleiding hiervan wordt door de raadsman gesteld dat hij op 25 mei jl. de dagvaarding van de verdachte R. R. in ontvangst heeft genomen, de verdachte zelf heeft deze niet ontvangen. De raadsman stelt dat artikel 517 van het Wetboek van Strafvordering aangeeft op welke wijze de uitreiking van een dagvaarding moet geschieden; het uitreiken van een dagvaarding aan de raadsman staat niet vermeld in artikel 517 van het Wetboek van Strafvordering. Derhalve moet ingevolge lid 6 van het artikel, nietigheid volgen.[10]
In reactie hierop stelt de Plv. Auditeur Militair heden een rapport te hebben ontvangen van de deurwaarder, waaruit blijkt dat de deurwaarder op instructie van de verdachte de dagvaarding heeft afgestaan aan diens raadsman, en de vraag die gesteld moet worden is wat beoogd wordt met de in de wet aangegeven wijze van dagvaarding. De Plv. Auditeur Militair stelt dat een dagvaarding een oproepfunctie en een mededelingsfunctie heeft: het moet de verdachte namelijk kenbaar zijn op welke datum en bij welke rechter hij zich zal moeten vervoegen, tevens behoort het de verdachte kenbaar te worden gemaakt van welk strafbaar feit hij verdacht wordt. De deurwaarder heeft zich met de dagvaarding begeven naar het bij de justitie bekende adres van de verdachte R. R. , doch is de verdachte noch enige huisgenoot daar aangetroffen. Aangezien de deurwaarder over het telefoonnummer van de verdachte beschikte, heeft hij deze opgebeld en hem medegedeeld dat hij gedagvaard wordt om ter terechtzitting te verschijnen. Op instructie van de verdachte heeft de deurwaarder de dagvaarding ter hand gesteld aan de raadsman, die geen bezwaar had deze in ontvangst te nemen. Door de Plv. Auditeur Militair wordt geconcludeerd dat de functies die aan de dagvaarding zijn verbonden kenbaar zijn gemaakt aan de verdachte, die gesteld heeft dat de dagvaarding aan zijn raadsman ter hand moest worden gesteld, hetwelk ook is gebeurd. Hoewel dit afwijkt van hetgeen bij wet is gesteld, is zulks geschied met goedkeuring van de verdachte, en wordt derhalve gevraagd dat de Krijgsraad voorbij gaat aan het verweer van de raadsman.
De raadsman op zijn beurt herhaalt dat in artikel 517 van het Wetboek van Strafvordering wordt aangegeven op welke wijze een dagvaarding betekent moet worden. Indien de verdachte niet wordt aangetroffen, stelt de wet dat de dagvaarding moet worden uitgereikt aan het hoofd van het plaatselijk bestuur. Derhalve is de betekening thans niet geschiedt, en staat daar ingevolge artikel 517 van het Wetboek van Strafvordering, nietigheid op. De raadsman vervolgt met te stellen dat de verdachte indertijd telefonisch aan de deurwaarder had aangegeven dat hij verhuisd was, en dat dit ook bekend was bij de Burgerlijke Stand. Volgens de raadsman had de betekening van de dagvaarding op de juiste manier kunnen zijn geschied, indien men zich vergewist had van het juiste adres van de verdachte.
Het feit dat gebeld is naar de verdachte is niet ter zake, omdat deze wijze van handelen niet in de wet staat opgenomen. Indien niet volgens de wet is gehandeld, is nietigheid het gevolg, aldus de raadsman.
In reactie hierop wordt door de Plv. Auditeur Militair gesteld dat de wet geen dode letter is, doch een bedoeling heeft. De bij wet voorgeschreven wijze van betekening op straffe van nietigheid, heeft als bedoeling dat op enig moment vastgesteld kan worden dat de verdachte inderdaad zijn dagvaarding heeft ontvangen of geacht wordt te hebben ontvangen, waardoor indien hij niet is verschenen, verstek kan worden gevraagd. De verdachte heeft volgens de Plv. Auditeur Militair aangegeven aan de deurwaarder dat hij een raadsman heeft en dat de dagvaarding aan die raadsman kan worden afgestaan. Derhalve kan nu niet gesteld worden dat de verdachte niet is opgeroepen om zich op een bepaalde datum op een bepaalde locatie te vervoegen. De Plv. Auditeur Militair concludeert dat hoewel is afgeweken van hetgeen gesteld in artikel 517 van het Wetboek van Strafvordering, zulks is geschied op aangeven van de verdachte. Verder concludeert de Auditeur Militair dat zowel de oproepfunctie als de mededelingsfunctie van de dagvaarding zijn volbracht. Reden waarom de Plv. Auditeur Militair vraagt om voorbij te gaan aan het verweer, en verstek te verlenen tegen de verdachte.[11]
Aangezien de deurwaarder W. K. die de dagvaarding heeft afgestaan aan de raadsman van de verdachte R. R. heden ter terechtzitting aanwezig is, wordt betrokkene beëdigd als ad hoc deskundige, en ter zake gehoord door de Krijgsraad. De deurwaarder verklaart ter terechtzitting o.a. indertijd op het van de verdachte bekende adres, niemand te hebben aangetroffen aan wie de dagvaarding kon worden afgestaan. Na terugkeer op de werkplek heeft hij zulks gerapporteerd aan zijn meerdere die hem heeft aangegeven dat hij de verdachte moest bellen. Zulks is gebeurd, doch weigerde de verdachte tijdens dat telefoongesprek zijn huidige adres kenbaar te maken, en heeft in plaats daarvan aangegeven dat de dagvaarding aan zijn raadsman kon worden afgestaan. Volgens de deurwaarder heeft hij zich ten kantore van de raadsman begeven, en hem het telefonisch onderhoud met diens cliënt voorgehouden, waarop de raadsman geen bezwaar had de dagvaarding in ontvangst te nemen. Volgens de deurwaarder heeft de raadsman hem medegedeeld dat de verdachte was verhuisd, doch heeft de deurwaarder niet om het nieuwe adres gevraagd, noch heeft de raadsman dat uit zichzelf opgegeven. In reactie op het vorengaande erkent de raadsman gesproken te hebben met de deurwaarder, die hem heeft aangegeven dat hij een gesprek heeft gehad met de verdachte. Volgens de raadsman heeft hij de dagvaarding weliswaar in ontvangst genomen, doch heeft hij deze niet in ontvangst genomen voor de verdachte. Tevens stelt de raadsman dat toen de deurwaarder constateerde dat de verdachte niet aanwezig was op het bij de justitie van hem bekende adres, de wet had moeten worden geraadpleegd voor instructie omtrent hoe te handelen. In de wet staat niet dat verdachten gebeld moeten worden als zij niet aangetroffen worden. Volgens de raadsman rust op de verdachte niet de verplichting om zijn huidige adres door te geven aan de deurwaarder. In casu verwijst de raadsman naar het “nemo tenetur” beginsel, hetwelk stelt dat een verdachte niet behoeft mee te werken aan zijn eigen veroordeling.
Na de standpunten van het Openbaar Ministerie en de verdediging gehoord te hebben, wordt de zitting geschorst opdat de Krijgsraad zich over het onderwerpelijke kan beraden. Bij hervatting van de zitting wordt door de Krijgsraad gesteld dat gelet op de aard van de wet die zeer stringent is op dit punt, zal moeten worden geconcludeerd dat de dagvaarding niet op de volgens de wet voorgeschreven wijze is betekend. Indien om welke reden dan ook niet voldaan is aan de vereisten van artikel 517 van het Wetboek van Strafvordering, moet de dagvaarding nietig worden verklaard, en is er thans geen zaak tegen de verdachte R. R.[12] De consequentie van het oordeel van de Krijgsraad is dat de personen die als getuige tegen deze verdachte zijn opgeroepen en verschenen, heden niet ter terechtzitting kunnen worden gehoord.
Het onderzoek tegen de verdachte E. R.
De verdachte en zijn raadsman zijn ter terechtzitting aanwezig, en de zaak tegen de verdachte wordt voorgedragen door de Plv. Auditeur Militair. In de zaak tegen deze verdachte is de persoon van M. R. als getuige opgeroepen. Betrokkene is aanwezig, en verklaart desgevraagd de jongere zuster te zijn van de verdachte. Betrokkene wordt geattendeerd op het verschoningsrecht dat haar toekomt, en wordt gevraagd als zij bereid is afstand hiervan te doen.[13] De getuige is daartoe bereid en doet afstand van het verschoningsrecht, waarna haar door zowel de Krijgsraad als de Plv. Auditeur Militair vragen worden gesteld. De raadsman noch zijn cliënt hebben enige vragen te stellen aan de getuige. Ten aanzien van de tweede op de rol opgebrachte getuige S. B., blijkt ter terechtzitting dat betrokkene in persoon is gedagvaard, doch niet ter terechtzitting is verschenen, waarop de Plv. Auditeur Militair de medebrenging van deze getuige verzoekt. De Krijgsraad verleent hierbij akte van niet-verschijning, en gelast de medebrenging van de getuige naar de zitting van 13 juli as.
De raadsman wordt gevraagd als de verdediging beschikt over getuigen a decharge, waarop ontkennend wordt geantwoord. Naar aanleiding hiervan stelt de President van de Krijgsraad dat de verdediging zich behoort voor te bereiden op het verhoor van de verdachte op 13 juli as. aangezien thans slechts het verhoor van 1 getuige a charge rest. Op de vraag van de raadsman als de zaak daarna voor requisitoir en pleidooi zal staan, wordt aangegeven dat zulks dan zal worden bekeken.[14]
De raadsman vraagt de aandacht van de Krijgsraad voor het gegeven dat in het dossier een rapport van het Nederlands Juristen Comité is opgenomen, in welke melding wordt gemaakt van een aantal getuigenverklaringen op welke dat rapport zou zijn gebaseerd. Echter zijn die getuigenverklaringen niet aangetroffen in het dossier dat de verdediging heeft ontvangen van het Openbaar Ministerie.
Naar aanleiding van de opmerking van de raadsman stelt de President van de Krijgsraad dat het rapport van het Nederlands Juristen Comité zou zijn gebaseerd op getuigenverklaringen die indertijd zouden zijn gedeponeerd bij de Vice-President van het Gerechtshof in Den Haag, Nederland.
Het rapport zou een samenvatting zijn van meer dan 10 getuigenverklaringen die indertijd zijn afgelegd. De President van de Krijgsraad vraagt het Openbaar Ministerie te bewerkstelligen dat over die getuigenverklaringen kan worden beschikt. De Plv. Auditeur Militair stelt dat op een later tijdstip hier een reactie op zal volgen. De zaak tegen de verdachte E. R. wordt hierna uitgesteld tot 13 juli as., waarbij door de President van de Krijgsraad aan de Auditeur Militair wordt gevraagd dat indien hij voor die datum over de relevante informatie beschikt, zulks aan de Krijgsraad kenbaar wordt gemaakt.
Aangezien er verder niets meer op de rol staat, wordt de zitting omstreeks 15.30 uur gesloten.
mr. Marjory Sanches
Woordvoerder 8 decemberstrafproces
[1] Artikel 325 van het Wetboek van Strafvordering noemt als wettige bewijsmiddelen: de eigen waarneming van de rechter, verklaringen van de verdachte, getuigen en deskundigen, alsook schriftelijke bescheiden. Artikel 330, lid 1 onder 2 duidt als schriftelijke bescheiden ook aan processen verbaal en andere geschriften in wettelijke vorm opgemaakt door colleges en personen die daartoe bevoegd zijn, en behelzende hun mededeling van feiten of omstandigheden door henzelf waargenomen of ondervonden.
[2] In casu wordt verwezen naar het arrest van de Hoge Raad der Nederlanden d.d. 29 oktober 1991
[3] Artikel 284, lid 1 van het Wetboek van Strafvordering stelt o.a. dat indien een getuige overleden is, de verklaring die hij tijdens het gerechtelijk vooronderzoek na beëdiging heeft afgelegd, mits ter terechtzitting voorgelezen, als aldaar afgelegd wordt beschouwd. Tijdens het gerechtelijk vooronderzoek worden verklaringen onder ede slechts bij de Rechter-Commissaris afgelegd, bij de politie worden geen verklaringen onder ede afgelegd.
[4] In de dagvaarding wordt ook het strafbare feit of de strafbare feiten welke de verdachte ten laste is of zijn gelegd vermeld. Het Openbaar Ministerie poogt ter terechtzitting deze tenlastelegging te bewijzen.
[5] Het onmiddellijkheidsbeginsel strekt ertoe dat zo veel als mogelijk die informatie die ter terechtzitting in aanwezigheid van de verdediging, het Openbaar Ministerie, de rechter en eventueel het publiek in de meest authentieke vorm en bij voorkeur als onderdeel van mondelinge ondervraging en mondeling debat wordt gepresenteerd, als bewijsmateriaal wordt gebezigd.
[6] Bij de voordracht van de zaak wordt door de Auditeur Militair o.a. aangegeven welke feiten de verdachte ten laste zijn gelegd.
[7] Een getuige a charge is een getuige die het Openbaar Ministerie denkt te kunnen gebruiken voor het bewijzen van het ten laste gelegde feit. Tegenover een getuige a charge staat een getuige a decharge, die ontlastende verklaringen zou kunnen afleggen.
[8] Ter plekke zijn zowel in het Gerechtsgebouw als buiten het gebouw zelf, ruimten voor de verdachten bestemd. De verdachte heeft de keuze in welke van die ruimten hij zich in afwachting van zijn verschijning voor de Krijgsraad wenst op te houden.
[9] Alvorens een aanvang wordt gemaakt met de inhoudelijke behandeling van een strafzaak, heeft de verdachte de bevoegdheid een verweer op te werpen ten aanzien van de geldigheid van de dagvaarding, de bevoegdheid van de rechter om kennis te nemen van de zaak, en de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie. Indien een verweer gegrond wordt verklaard, wordt niet overgegaan tot inhoudelijke behandeling van de zaak, althans niet totdat de omstandigheid die aanleiding heeft gegeven tot het verweer, hersteld wordt.
[10] Artikel 517 van het Wetboek van Strafvordering stelt o.a. dat de uitreiking van een dagvaarding in persoon of aan een huisgenoot geschiedt. Worden noch de persoon, noch diens huisgenoten aangetroffen aan zijn woon- of verblijfplaats, of zijn deze niet bereid de dagvaarding in ontvangst te nemen, dan wordt deze uitgereikt aan het hoofd van het plaatselijk bestuur (de Districts-Commissaris) of een door hem aangewezen persoon, die de dagvaarding zo mogelijk alsnog aan de verdachte doet toekomen, zonder dat hiervan in rechte zal behoeven te blijken. Artikel 517, lid 6 van het Wetboek van Strafvordering geeft aan dat indien wordt afgeweken van hetgeen vermeld in artikel 517, nietigheid van de dagvaarding het gevolg is.
[11] Artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering stelt o.a. dat tegen de verdachte die in gebreke is op de aan hem gedane dagvaarding ter terechtzitting te verschijnen, verstek wordt verleend, waarna het onderzoek wordt voortgezet.
[12] Indien de dagvaarding nietig is verklaard, kan het Openbaar Ministerie de verdachte zo zij dat wenst, opnieuw dagvaarden.
[13] Artikel 196 van het Wetboek van Strafvordering geeft aan dat van het geven van getuigenis zich kunnen verschonen de verdachte’s bloed of aanverwanten in de rechte lijn (ouders, kinderen, kleinkinderen etc.), de verdachte’s bloed of aanverwanten in de zijlijn tot de derde graad (o.a. broers, zusters, ooms, tantes), alsook de verdachte’s echtgenoot of vroegere echtgenoot, dan wel de persoon met wie de verdachte duurzaam feitelijk samenwoont dan wel heeft samengewoond.
[14] Nadat de getuigen en de verdachte zijn gehoord, kan de vervolgingsambtenaar het woord voeren en legt hij zijn vordering na voorlezing aan de rechter over. De vordering omschrijft de straf - indien oplegging daarvan wordt geëist - en vermeld in dat geval tevens welk strafbaar feit zou zijn begaan. Het voordragen van die vordering door de vervolgingsambtenaar, wordt het requisitoir genoemd. Het antwoord van de verdachte of diens raadsman op het requisitoir, wordt pleidooi genoemd.
Communiqué no. 19
Paramaribo, 2 juni 2009
Krijgsraadzitting 29 mei 2009 in het 8 December strafproces
Op vrijdag 29 mei 2009 is het 8 december strafproces hervat. Voor de zitting van 29 mei waren een viertal verdachten en twaalf getuigen op de rol opgebracht.
Omstreeks 10.00 uur wordt de zitting voor geopend verklaard en de zaak van de eerste op de rol opgebrachte verdachte D.B. afgeroepen. Echter was betrokkene niet aanwezig ter terechtzitting. Door de President van de Krijgsraad wordt gesteld dat de raadsman van de verdachte melding heeft gedaan van verhindering wegens ziekte, en heeft gevraagd dat de behandeling van de zaak tegen zijn cliënt om deze reden wordt uitgesteld.
In de zaak tegen deze verdachte zijn een zestal getuigen op de rol opgebracht, en wordt door de Krijgsraad hun gezamenlijke binnenkomst bevolen. Vijf van de getuigen blijken aanwezig ter terechtzitting, en zoals voorgeschreven door het Wetboek van Strafvordering worden zij gevraagd naar hun personalia. Door de President van de Krijgsraad wordt hierna aan betrokkenen voorgehouden dat de raadsman van de verdachte in wiens zaak zij getuigenis zouden moeten afleggen, een schrijven heeft gericht aan de Krijgsraad, waarin wordt gesteld dat de raadsman vanwege gezondheidsredenen niet ter terechtzitting aanwezig zal kunnen zijn.
De raadsman heeft verder aangegeven niet te wensen dat voor hem waargenomen wordt, aangezien hij er prijs op stelt persoonlijk aanwezig te zijn bij de behandeling van de zaak tegen zijn cliënt. Vermeldenswaard is dat de raadsman van verdachte D.B., tevens raadsman is van al de verdachten die heden op de rol zijn opgebracht.
Naar aanleiding van het schrijven van de raadsman wordt door de Krijgsraad beslist dat de zaak tegen de verdachte D.B. wordt uitgesteld naar maandag 22 juni as., en worden de ter terechtzitting verschenen getuigen B.J., P.T., H.V., H.A. en R.S. aangezegd om op genoemde datum aanwezig te zijn. Ten aanzien van de niet ter terechtzitting verschenen getuige R.L., blijkt uit het rapport van de deurwaarder dat betrokkene zich op dit moment in het buitenland bevindt, en wordt zijn hernieuwde dagvaarding bevolen.
Hierna wordt de zaak van de tweede op de rol geplaatste verdachte E.G. afgeroepen. Betrokkene is ter terechtzitting aanwezig, en geeft desgevraagd zijn personalia op aan de President van de Krijgsraad. Door de President van de Krijgsraad wordt kenbaar gemaakt dat er een schrijven is ontvangen van een neuroloog betreffende de verdachte in kwestie, en dat daar ter terechtzitting rekening mee zal worden gehouden.
In de zaak van deze verdachte zijn een drietal getuigen op de rol opgebracht, echter blijkt slechts 1 getuige ter terechtzitting aanwezig. De President van de Krijgsraad houdt de verdachte en de getuige het schrijven van de raadsman voor, in welke melding wordt gedaan van verhindering wegens ziekte, en wordt gevraagd de zaak tegen zijn cliënt uit te stellen. Desgevraagd stelt de verdachte niet op de hoogte te zijn van de omstandigheden en het verzoek van zijn raadsman.
Door de President van de Krijgsraad wordt aangegeven dat de Krijgsraad voldoet aan het verzoek van de raadsman, en dat het onderzoek tegen de verdachte E.G. wordt uitgesteld naar 22 juni. Derhalve worden zowel de verdachte als de aanwezige getuige A.G. aangezegd om op die datum aanwezig te zijn. Ten aanzien van de niet ter terechtzitting verschenen getuige I.D. wordt door de President van de Krijgsraad aangegeven dat van betrokkene bericht van verhindering wegens ziekte is ontvangen, en dat deze getuige opnieuw zal worden gedagvaard.
Ten aanzien van de niet ter terechtzitting verschenen getuige S.M., blijkt dat deze in het buitenland woonachtig is, en vraagt de President van de Krijgsraad het Openbaar Ministerie zich hieromtrent uit te laten. Door de Plaatsvervangend Auditeur Militair wordt gesteld dat het Openbaar Ministerie voornemens is alle in Nederland woonachtig zijnde getuigen te dagvaarden ter terechtzitting. Daartoe zal het Openbaar Ministerie met de Krijgsraad in contact treden om te overleggen over een zittingsdatum kort voor of na het reces [1], zodat de getuigen via een rechtshulpverzoek gedagvaard kunnen worden.
Hierna wordt de zaak van de derde op de rol opgebrachte verdachte B.B. afgeroepen. Betrokkene is niet ter terechtzitting aanwezig, wel is van hem een schrijven ontvangen in welke wordt aangegeven dat het tijdstip voor welke hij heden is opgeroepen, hem niet convenieert. Door de President van de Krijgsraad wordt gesteld dat betrokkene aanvankelijk voor een later tijdstip was opgeroepen, en gisteren pas bericht heeft gehad dat hij heden op een eerder tijdstip moest verschijnen.
Onderkend wordt dat dit een kort tijdsbestek is, en wordt de hernieuwde oproeping van betrokkene bevolen. In de zaak van deze verdachte is 1 getuige, met name S.M. opgebracht. Aangezien deze getuige in het buitenland woonachtig is, vraagt de President van de Krijgsraad het Openbaar Ministerie zich hieromtrent uit te laten.
De Plv. Auditeur Militair herhaalt dat het Openbaar Ministerie voornemens is alle in het buitenland woonachtig zijnde getuigen te dagvaarden ter terechtzitting. Daartoe zal het Openbaar Ministerie met de Krijgsraad in contact treden om te overleggen over een zittingsdatum kort voor of na het reces, zodat de getuigen via een rechtshulpverzoek gedagvaard kunnen worden. Ook de zaak van de verdachte B.B. wordt door de Krijgsraad uitgesteld naar 22 juni as.
Hierna wordt de zaak van de vierde op de rol opgebrachte verdachte I.T. afgeroepen. Betrokkene is ter terechtzitting aanwezig, en wordt door de President van de Krijgsraad geïnformeerd omtrent de verhindering wegens ziekte van zijn raadsman, en het door de raadsman gedane verzoek tot uitstel van de behandeling van de zaak. Desgevraagd geeft de verdachte aan op de hoogte te zijn van het verzoek van de raadsman, en zulks op prijs te stellen. In de zaak tegen deze verdachte zijn een drietal getuigen op de rol opgebracht, echter is slechts de getuige H.K. ter terechtzitting verschenen.
Het betreft in deze een getuige wiens medebrenging naar de terechtzitting is gelast, vanwege het feit dat hij op de vorige zitting afwezig was. Desgevraagd geeft de getuige de Krijgsraad als reden voor zijn eerdere niet-verschijning op, dat hij indertijd een keuze had moeten maken tussen het ter terechtzitting verschijnen en een andere voor hem belangrijke gebeurtenis, en hij voor het laatste had gekozen.
De President van de Krijsraad informeert de getuige over de verhindering wegens ziekte van de raadsman van de verdachte, en het door de raadsman gedane verzoek om uitstel van de behandeling van de zaak tegen zijn cliënt. Door de getuige wordt daarop aangegeven dat dit inmiddels de tweede keer is dat hij ter terechtzitting verschijnt, zonder gehoord te zijn geworden. Dit gegeven wordt onderkend door de President van de Krijgsraad, en wordt de getuige om begrip voor de situatie gevraagd, daar het gaat om ziekte van de raadsman. De getuige wordt aangezegd om op 22 juni wederom ter terechtzitting aanwezig te zijn.
Ten aanzien van de twee niet ter terechtzitting verschenen getuigen J.R. en M.R., blijkt dat betrokkenen in het buitenland woonachtig zijn. Hierop wordt door de Plv. Auditeur Militair aangegeven dat de vervolging belang heeft bij het horen van deze getuigen, en dat de gedachte ernaar uitgaat dat er een zittingsdag wordt bepaald kort na het reces, zodat er voldoende tijd is om binnen de mogelijkheden van het rechtshulpverdrag [2], betrokken getuigen te dagvaarden of van hen te vernemen op welke wijze zij op enig moment gehoord kunnen worden ter terechtzitting. In dit kader wordt de Krijgsraad gevraagd een datum aan te willen wijzen voor het overleg met het Openbaar Ministerie.
De verdachte, in de gelegenheid gesteld te reageren op het voorgaande, geeft aan het onderwerpelijke door te zullen geven aan zijn raadsman. De zaak van de verdachte I.T. wordt hierna eveneens uitgesteld naar 22 juni as., waarna de zitting omstreeks 10.30 uur wordt gesloten.
mr. Marjory Sanches
Woordvoerder 8 decemberstrafproces
[1] Het is gebruik dat de Rechterlijke Macht jaarlijks van medio augustus tot eind september met reces is. Tijdens de periode van reces worden geen openbare terechtzittingen gehouden.
[2] De “Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Suriname betreffende de uitlevering en rechtshulp in strafzaken”, ook bekend als het “Rechtshulpverdrag”, geeft o.a. voorschriften over het verlenen van rechtshulp door partijen in elke procedure die betrekking heeft op strafbare feiten waarvan de bestraffing op het tijdstip waarop de rechtshulp wordt gevraagd, tot de bevoegdheid behoort van de rechterlijke autoriteiten van de verzoekende partij.
Communiqué no. 18
Paramaribo, 22 april 2009
Krijgsraadzitting 17 april 2009 in het 8 December strafproces
Op vrijdag 17 april 2009 is het 8 december strafproces voortgezet in de stand waarin het geding was geschorst op 20 maart jl. Voor de zitting van 17 april waren een zestal (6) verdachten en achttien (18) getuigen op de rol opgebracht.
Het onderzoek tegen de verdachte D. B.
Nadat de President van de Krijgsraad de zitting omstreeks 10.00 uur voor geopend had verklaard, werd de zaak van de verdachte D.B. afgeroepen. Betrokkene was niet ter terechtzitting aanwezig, zijn raadsman wel. Op de vraag van de President betreffende de afwezigheid van de verdachte, gaf de raadsman te kennen dat zijn cliënt er wel zou zijn, en misschien straks nog zou komen. In de zaak van deze verdachte waren een drietal getuigen a charge [1] opgeroepen, doch was slechts een van hen ter terechtzitting verschenen.
Eén van de afwezige getuigen, H. V. bevond zich voor werkzaamheden in het buitenland, en zal opnieuw worden gedagvaard. Van de andere afwezige getuige B. J. was bericht ontvangen dat hij geen vrijaf van zijn werkgever had gekregen om ter terechtzitting te verschijnen. Volgens de Plaatsvervangend Auditeur Militair was B. J. een getuige die op vorige zittingen altijd aanwezig is geweest, een bericht van verhindering heeft gestuurd waaruit een geval van overmacht blijkt, en hiermee dus rekening dient te worden gehouden. Derhalve is door de Plv. Auditeur Militair gevraagd om betrokkene opnieuw te dagvaarden voor de volgende zitting. De wel ter terechtzitting verschenen getuige P.T. is gehoord door de Krijgsraad, waarbij - zoals voorgeschreven door het Wetboek van Strafvordering - tevens het Openbaar Ministerie en de verdediging in de gelegenheid zijn gesteld betrokkene vragen te stellen.
Door de raadsman is op gegeven moment aan de getuige gevraagd door welke verbalisanten van de Militaire Politie hij tijdens het Gerechtelijk Vooronderzoek gehoord is geworden. De getuige heeft daarop aangegeven indertijd gehoord te zijn geworden door de verbalisanten S. en A., doch was volgens hem S. niet gedurende het gehele verhoor aanwezig.
Volgens de getuige was verbalisant S. bij aanvang van het verhoor aanwezig geweest, doch is hij tussendoor weggelopen. Volgens de getuige heeft verbalisant S. hem wel enkele vragen gesteld, doch was hij bij het einde van het verhoor niet aanwezig. Door de raadsman van de verdachte wordt de aandacht van de Krijgsraad gevraagd voor dit gegeven, waarop de President van de Krijgsraad stelt dat hoewel de verbalisanten niet beiden constant aanwezig waren, zij wel degelijk beiden bezig zijn geweest met het verhoor.
Op nadere door de raadsman gestelde vragen, geeft de getuige verder aan indertijd te zijn opgehaald door de verbalisanten in kwestie, zonder dat hij voor verhoor was opgeroepen en zonder dat hem was medegedeeld dat hij gehoord zou worden in verband met deze zaak. Pas na zijn verhoor is hem die mededeling gedaan. Naar aanleiding van nadere opmerkingen van de raadsman omtrent de omstandigheden van het verhoor tijdens het Gerechtelijk Vooronderzoek, wordt op gegeven moment door de Plv. Auditeur Militair gesteld dat de verbalisanten S. en A. over wiens wijze van verhoren ook op de vorige zitting opmerkingen zijn gemaakt door getuigen, heden ter terechtzitting zijn gedagvaard, en wordt voorgesteld dat betrokkenen met de getuige P. T. worden geconfronteerd.
Echter blijkt dat betrokken verbalisanten voor een later tijdstip zijn gedagvaard, waarop door de Krijgsraad wordt bepaald dat genoemde confrontatie zal plaats vinden op de volgende zitting. Het onderzoek tegen de verdachte D. B. wordt uitgesteld naar 29 mei as., waarbij de President van de Krijgsraad aan de raadsman van de verdachte aangeeft dat zijn cliënt via hem wordt aangezegd om op die datum aanwezig te zijn ter terechtzitting.
Het onderzoek tegen de verdachte J. S.
Er wordt een aanvang gemaakt met het verhoor van de verdachte J. S., waarbij aan betrokkene door zowel de Krijgsraad als door het Openbaar Ministerie, vragen worden gesteld omtrent zijn eventuele betrokkenheid bij de feiten voor welke hij thans terechtstaat. Ook door de raadsman worden enkele vragen gesteld aan zijn cliënt.
Na afronding van het verhoor wordt in eerste instantie door de Krijgsraad aangegeven dat de zaak wordt uitgesteld naar 29 mei as. voor requisitoir en pleidooi [2]. Hierop wordt door de Plv. Auditeur Militair echter gesteld dat vanwege de veelheid van verdachten, hij er om proceseconomische redenen de voorkeur aan geeft slechts eenmaal te rekwireren, en wel ten aanzien van al de verdachten tegelijk.
Tevens wordt door de Plv. Auditeur Militair gesteld dat de verschillende verdachten ten laste is gelegd dat zij de feiten tezamen en in vereniging zouden hebben gepleegd, en dat indien hij derhalve nu bij het requisitoir in de zaak tegen deze specifieke verdachte bepaalde bewijsconclusies zou trekken en zou komen tot een bewezenverklaring of vrijspraak, impliciet gesteld zou kunnen worden dat dit ook zou kunnen gelden ten aan zien van verdachten wiens zaken op dit moment nog niet afgerond zijn.
De raadsman van de verdachte, in de gelegenheid gesteld hierop te reageren, stelt zich hieromtrent te refereren aan het oordeel van de Krijgsraad. Door de President van de Krijgsraad wordt daarop gesteld dat de Krijgsraad akkoord gaat met het standpunt van de Plv. Auditeur Militair, en dat het Openbaar Ministerie te zijner tijd voor al de verdachten tegelijk zal kunnen rekwireren.
Het onderzoek tegen de verdachte I. T.
In de zaak van de derde verdachte I. T. die voor de Krijgsraad verschijnt zijn een drietal getuigen a charge opgebracht, die geen van allen ter terechtzitting zijn verschenen. Ter terechtzitting blijkt dat twee van die getuigen in het buitenland woonachtig zijn. Door de Plv. Auditeur Militair wordt aan de Krijgsraad gevraagd dat het Openbaar Ministerie de ruimte krijgt na te gaan hoe deze in het buitenland woonachtige getuigen ter terechtzitting kunnen worden gehoord, waarop door de President van de Krijgsraad wordt aangegeven dat op 29 mei as. uitsluitsel daarover behoort te worden gegeven door het Openbaar Ministerie.
Ten aanzien van de derde afwezige getuige, wordt diens medebrenging op de volgende zitting gelast. Desgevraagd geeft de raadsman van de verdachte aan dat de verdediging wel getuigen a decharge wenst te doen oproepen, doch dat deze zullen worden opgegeven nadat al de getuigen a charge zijn afgewerkt. Aangezien geen der getuigen thans aanwezig is, wordt het onderzoek tegen de verdachte I. T. uitgesteld naar 29 mei as.
Het onderzoek tegen de verdachte E. G.
In de zaak van de vierde verdachte E. G. zijn een viertal getuigen a charge opgeroepen, die allen ter terechtzitting zijn verschenen. Tijdens het verhoor van de eerste getuige A. P., geeft betrokkene op gegeven moment aan dat hij tijdens het Gerechtelijk Vooronderzoek in eerste instantie een verklaring had afgelegd op de Brigade van de Militaire Politie bij de verbalisanten A. en S., welke verklaring na lezing door hem ter plekke is ondertekend. Volgens de getuige echter is hij diezelfde dag kort na zijn verhoor, bij zijn woning bezocht door de verbalisant A., die hem een document voorhield, en aangaf dat het een verbeterde versie van zijn eerder afgelegde verklaring betrof, aangezien in die eerste verklaring fouten waren gemaakt.
Op de vraag van de getuige die eerste verklaring te mogen zien zodat hij die naast de nieuwe verklaring kon leggen, werd hem door verbalisant A. aangegeven dat die reeds vernietigd was. Volgens de getuige heeft hij niet de gelegenheid gehad de tweede verklaring die hem werd voorgehouden nauwkeurig en in zijn geheel te lezen, aangezien verbalisant A. aangaf haast te hebben. Op de vraag van de Plv. Auditeur Militair aan de getuige waarom hij een verklaring die hij niet nauwkeurig en in zijn geheel had kunnen lezen heeft ondertekend, erkende betrokkene dat het niet verstandig van hem was geweest zulks te doen.
Naar aanleiding van het vorengaande, wijst de raadsman van de verdachte de Krijgsraad erop dat in de getuigenverklaring staat vermeld dat betrokken getuige heeft volhard in zijn verklaring, en deze heeft ondertekend nadat hij die gelezen had. Tevens attendeert de raadsman de Krijgsraad op het gegeven dat in het proces-verbaal staat aangegeven dat deze op het hoofdkwartier van de Militaire Politie is opgemaakt, terwijl die verklaring ten huize van de getuige is gebracht ter ondertekening. De raadsman stelt naar aanleiding van het vorengaande dat de getuige thans ter terechtzitting is opgeroepen naar aanleiding van een proces-verbaal dat valsheden bevat.
Naar aanleiding van een hierna door de raadsman gestelde vraag, geeft de getuige aan dat hij gedurende zijn verhoor tijdens het Gerechtelijk Vooronderzoek had aangegeven bepaalde personen op of omstreeks 8 december 1982 niet te hebben gezien op een bepaalde locatie, en dat hij daaruit concludeerde dat een bepaalde persoon derhalve ook niet ter plekke aanwezig was geweest.
Volgens zeggen van de getuige was zulks opgenomen in zijn eerste verklaring die hij na lezing had ondertekend op de Brigade van de Militaire Politie. Thans blijkt het de getuige ter terechtzitting dat in de tweede verklaring die hij niet in zijn geheel had kunnen lezen, en die in het dossier is geplaatst, juist is aangegeven dat hij bepaalde personen wel op een bepaalde locatie had gezien, en daaruit concludeerde dat een bepaalde persoon daar dan wel zou moeten zijn geweest.
Naar aanleiding van het voorgaande wordt de verbalisant A. die thans op de locatie aanwezig is, voor de Krijgsraad gebracht. Na beëdiging door de Krijgsraad, wordt betrokkene geconfronteerd met de uitlatingen die door de getuige zijn gedaan. Verbalisant A. geeft daarop aan dat hij indertijd tezamen met verbalisant S. bij de woning van de getuige is geweest met een verbeterde verklaring, en dat zulks zou zijn gebeurd omdat er kleine typefouten in de eerste versie waren. Ook erkent de verbalisant dat de getuige hem indertijd gevraagd had naar de eerste verklaring, en dat hij daarop had aangegeven dat die reeds vernietigt was.
Echter ontkent de verbalisant dat hij de getuige zou hebben gezegd dat hij haast had, waardoor betrokkene de verklaring niet nauwkeurig en in zijn geheel had kunnen doornemen. De verbalisant ontkent tevens dat de verklaring van de getuige inhoudelijk was gewijzigd. Naar aanleiding van het voorgaande wordt de verbalisant door zowel de Plv. Auditeur Militair als de President van de Krijgsraad gevraagd waarom hij het indertijd nodig had geacht om een nieuwe verklaring aan de getuige voor te leggen, indien er in de originele versie slechts enkele typefouten waren, aangezien het gebruik is dat zulke fouten middels doorhalingen op originele stukken worden gewijzigd. De verbalisant zet daarop de werkwijze uiteen welke is gevolgd tijdens de verhoren die in het kader van het Gerechtelijk Vooronderzoek zijn afgenomen door de Militaire Politie, waarbij tevens wordt gesteld dat daarbij de instructies van de meerdere zijn gevolgd.
Naar aanleiding van de uitlatingen van de verbalisant, wordt betrokkene door de raadsman gevraagd als hij zich bewust is van de consequenties van het plegen van meineed [3], waarop betrokkene bevestigend antwoord. Desgevraagd geeft de verbalisant aan dat de tweede verklaring was ondertekend door zijn persoon, de verbalisant S. en de getuige. Echter blijkt ter terechtzitting dat de verklaring slechts is ondertekend door verbalisant A. en de getuige; de handtekening van verbalisant S. ontbreekt op het document.
Naar aanleiding van dit gegeven wordt door de Krijgsraad nadrukkelijk aan verbalisant A. gevraagd als hij zich alleen naar de woning van de getuige had begeven met de nieuwe verklaring. De verbalisant persisteert dat hij daar geweest is met zijn collega S., hetwelk ter terechtzitting wordt betwist door de getuige. Door de President van de Krijgsraad wordt opgemerkt dat de afwezigheid van verbalisant S. bij de bezorging van het tweede document ten huize van de getuige, een verklaring zou kunnen zijn voor het feit dat diens handtekening ontbreekt op dat stuk.
Door de Krijgsraad wordt daarop het bevel gegeven dat de verbalisant S. thans gehoord zal worden, waarbij verbalisant A. de zittingszaal pas mag verlaten wanneer verbalisant S. die zal hebben betreden.[4] Alzo geschied, en wordt verbalisant S. onder ede gesteld door de Krijgsraad. Door de President van de Krijgsraad wordt betrokkene het proces-verbaal houdende de verklaring van de getuige A. P. getoond, en wordt hem gevraagd als hij tezamen met verbalisant A. aanwezig was bij de woning van de getuige toen deze de verklaring tekende. Door verbalisant S. wordt daar bevestigend op geantwoord. Op de vraag van de President van de Krijgsraad waarom hij het document dan niet van zijn handtekening heeft voorzien, wordt door betrokkene gesteld dat hij zulks waarschijnlijk vanwege drukke werkzaamheden over het hoofd heeft gezien.
Op een door de Krijgsraad gestelde vraag, stelt verbalisant S. dat het verhoor van de getuige A. P. in eerste instantie in concept is opgenomen bij de woning van die getuige, en dat dit concept daarna uitgewerkt is geworden. Wanneer de verbalisant wordt voorgehouden dat in de kop van de verklaring staat aangegeven dat de getuige is gehoord op de Brigade van de Militaire Politie, wordt door hem gesteld dat de getuige zijn verklaring heeft