![]()
Voorlichting & Communicatie, van het Militair rechtscollege
Zoeken = Cntrl + F
Hof van Justitie oordeelt over wraking van mr. Ombre,
voorgedragen door raadsman verdachte in het 8 december strafproces
Paramaribo, 7 november 2008
Op 29 augustus jl. is de op de zitting van 25 juli jl. voorgedragen wraking van de wnd. President van de Krijgsraad, mevr. mr. drs. C. C. L. A. Valstein-Montnor in behandeling genomen door het Hof van Justitie. Op 29 augustus heeft de raadsman van de verdachte namens wie de wraking was voorgedragen, ook de President van de kamer die was samengesteld om over wraking van de President van de Krijgsraad te oordelen, mr. E. S. Ombre, gewraakt.
Op dinsdag 4 november is de behandeling van de voordragen wraking van mr. Ombre, voortgezet. Door het Hof is toen gesteld dat aan de orde is de vraag of de raadsman bij afwezigheid van de verdachte al dan niet bevoegd is om namens deze bij de behandeling in Raadkamer van een reeds voorgedragen wraking, een opeenvolgende wraking van een lid van de wrakingskamer voor te dragen.
Het Hof komt ten aanzien daarvan tot het oordeel dat nu artikel 437 van het Wetboek van Strafvordering1 het expliciet heeft over het Openbaar Ministerie en de verdachte die een wraking kunnen voordragen, deze vraag ontkennend dient te worden beantwoord.
Het is volgens het Hof ingevolge bepaaldelijk genoemde jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, zo dat ook in verstekzaken de raadsman het woord ter verdediging dient te krijgen op de terechtzitting, echter omvat het voorgaande naar het oordeel van het Hof niet eveneens de bevoegdheid van de raadsman om bij afwezigheid van de verdachte namens deze wrakingsverzoeken voor te dragen in Raadkamer.
Naar het oordeel van het Hof is toekenning van deze bevoegdheid aan de raadsman niet alleen een uitholling van de positie van de verdachte in het strafproces, doch is zulks eveneens in strijd met de systematiek die de wetgever kennelijk voor ogen heeft gehad, aangezien het bepaalde in artikel 262 van het Wetboek van Strafvordering2 uitdrukkelijk en limitatief aangeeft in welke zaken de verdachte zich kan laten vertegenwoordigen.
Door het Hof is aangegeven dat niet is gesteld of is gebleken dat onderhavige zaak dient te worden gerubriceerd onder de zogenaamde “paraplu” van voormeld wetsartikel. Gelet op het hiervoor overwogene is het Hof eveneens voorbij gegaan aan het door de raadsman gedane beroep op de machtiging d.d. 29 augustus 2008, afkomstig van de verdachte.
Al het voorgaande heeft het Hof aanleiding gegeven om de raadsman niet ontvankelijk te verklaren in de door hem op de Raadkamerzitting van 29 augustus jl. namens de verdachte voorgedragen wraking van de fgnd. President van de wrakingskamer, mr. Ombre.
Het Hof heeft tevens bepaald dat zal worden overgegaan tot de behandeling van het wrakingsverzoek met betrekking tot mr. drs. Valstein-Montnor, Wnd. President van de Krijgsraad, door de wrakingskamer die belast is met de behandeling van voormelde wrakingszaak.
mr. Marjory Sanches
Woordvoerder 8 december strafproces
Hof oordeelt over derde wraking,
voorgedragen door raadsman verdachte in het 8 december strafproces
Paramaribo, 31 oktober 2008
Zoals bekend is op 29 augustus jl. de op de zitting van 25 juli jl. voorgedragen wraking van de President van de Krijgsraad, mevr. mr. drs. C. Valstein-Montnor in behandeling genomen door het Hof van Justitie. Op 29 augustus heeft de raadsman van de verdachte namens wie de wraking was voorgedragen, ook de President van de kamer die was samengesteld om over de de wraking van de President van de Krijgsraad te oordelen, mr. E. Ombre, gewraakt.
Op 27 oktober jl. is in raadkamer de behandeling van de op 29 augustus jl. voorgedragen wraking van mr. E. Ombre, aangevangen. Op de raadkamerzitting van 27 oktober heeft toen de raadsman van eerdergenoemde verdachte de wraking voorgedragen van een der leden van die wrakingskamer, mr. S. Chu.
Ten aanzien van de voorgedragen wraking van mr. Chu is thans gesteld door het Hof, dat artikel 437 van het Wetboek van Strafvordering1 expliciet aangeeft dat het Openbaar Ministerie en de verdachte een wraking schriftelijk dan wel mondeling mogen voordragen.
Het is volgens het Hof ingevolge bepaaldelijk genoemde jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, zo dat ook in verstekzaken de raadsman het woord ter verdediging dient te krijgen op de terechtzitting, echter geeft dit naar het oordeel van het Hof niet de bevoegdheid aan de raadsman om bij afwezigheid van de verdachte namens deze wrakingsverzoeken voor te dragen in raadkamer.
Volgens het Hof is toekenning van deze bevoegdheid aan de raadsman niet alleen een uitholling van de positite van de verdachte in het strafproces, doch is zulks eveneens in strijd met de systematiek die de wetgever kennelijk voor ogen heeft gehad, aangezien het bepaalde in artikel 262 van het Wetboek van Strafvordering 2 uitdrukkelijk en limitatief aangeeft in welke zaken de verdachte zich kan laten vertegenwoordigen.
Het vorengaande heeft het Hof aanleiding gegeven om de raadsman niet ontvankelijk te verklaren in de door hem ter raadkamerzitting voorgedragen wraking van het lid van de wrakingskamer, mr. S. Chu.
Derhalve komt het Hof niet toe aan de inhoudelijke behandeling van het wrakingsverzoek. Het Hof heeft verder gesteld dat nu de raadsman opeenvolgende wrakingen van rechters die betrokken waren bij de behandeling van de strafzaak van het Openbaar Ministerie contra de verdachte heeft ingediend, terwijl de verdachte daar zelf niet aanwezig bij is geweest, zij niet aan de indruk ontkomt dat in casu sprake is van klaarblijkelijk misbruik van de door de wet geboden mogelijkheid van wraking.
Het belang van de verdachte om desgewenst van voormelde mogelijkheid gebruik te maken afgewogen tegenover het algemeen belang om misbruik van die mogelijkheid te voorkomen en om een efficiente voortgang van de zaak te verzekeren, alsook het belang om zorg te dragen voor een faire bejegening van de betrokken rechters, is door de wetgever afgewogen en vastgelegd.
Het Hof ziet derhalve aanleiding om gebruikmakend van de aan haar krachtens artikel 438 van het Wetboek van Strafvordering3 gegeven bevoegdheid, te bepalen dat in deze zaak de volgende voordrachten tot wraking niet-ontvankelijk zullen zijn.
Het Hof heeft verder bepaald dat zal worden overgegaan tot de behandeling van het wrakingsverzoek met betrekking tot mr. E. Ombre, fgnd. President van de wrakingskamer die belast is met de behandeling van de wrakingszaak van mr. drs. C. Valstein-Montnor, Wnd. President van de Krijgsraad.
mr. Marjory Sanches,
Woordvoerder 8 december strafproces
8 maart 2008
Communiqué 7/2008
Paramaribo, 6 maart 2008
Krijgsraadzitting van 29 februari 2008 in het 8 December-strafproces
Op de eerste zitting van 30 november 2007, heeft de verdediging preliminaire verweren opgeworpen ten aanzien van de bevoegdheid van de Krijgsraad om kennis te nemen van deze zaak, de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie en de geldigheid van de dagvaarding.
Het verweer ten aanzien van de bevoegdheid van de Krijgsraad, is op de tweede zitting van 17 december 2007 verworpen door de Krijgsraad. Op de derde zitting van 28 januari 2008 heeft het Openbaar Ministerie in de persoon van de Auditeur Militair, mr. John Mohammedamin, in een conclusie van antwoord gereageerd op de verweren met betrekking tot de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie en de geldigheid van de dagvaarding.
Op de vierde zitting van 29 februari 2008 heeft de verdediging gereageerd (repliek gevoerd) op de conclusie van antwoord van het Openbaar Ministerie. Op dezelfde zitting heeft het Openbaar Ministerie op dat repliek geantwoord (dupliek). Tot slot heeft de verdediging de gelegenheid gehad zich voor de laatste maal uit te laten omtrent de door haar opgeworpen preliminaire verweren ten aanzien van de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie en de geldigheid van de dagvaarding. Alzo is voldaan aan het vereiste gesteld in artikel 269 van het Wetboek van Strafvordering.
Benadrukt wordt dat de onderstaande stellingen die naar voren zijn gebracht bij het repliek, dupliek en de laatste spreekbeurt van de verdediging, vanwege de omvangrijkheid van het gepresenteerde niet letterlijk en volledig geciteerd zijn in dit communiqué, doch is de essentie hiervan weergegeven. In bepaalde gevallen zijn in dit verslag uit hoofde van efficiëntie, meerdere afzonderlijk aangedragen argumenten samengevoegd en als een stelling gepresenteerd.
De Auditeur Militair en de verdediging hebben hun stellingen zeer uitgebreid onderbouwd met aanhaling van relevante wetgeving, jurisprudentie en dogmatiek; doch zijn deze verwijzingen niet allemaal opgenomen in dit verslag, eveneens vanwege de omvangrijkheid van het gepresenteerde.
A. TEN AANZIEN VAN DE ONTVANKELIJKHEID VAN HET OPENBAAR MINISTERIE
Één (1) raadsman heeft een preliminair verweer ten aanzien van de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie opgeworpen. Het repliek van betrokkene terzake, is onderstaand samengevat:
Repliek Verdediging :
De wet stelt dat iedere daad van vervolging de verjaring stuit, mits deze de verdachte bekend of betekend is.1 In de 8 decemberzaak is de daad van vervolging, met name het vorderen van het Gerechtelijk Vooronderzoek, de betrokkenen niet op de door de wet voorgeschreven wijze betekend. Er waren namelijk gebreken in de akten van uitreiking van de vordering van het Gerechtelijk Vooronderzoek, weshalve de verjaring niet adequaat is gestuit. Onder andere ontbreken op de akten van uitreiking het uur van de uitreiking en het nummer van de akte. Recente Surinaamse jurisprudentie heeft dergelijke gebreken in akten van uitreikingen, afgestraft met nietigheid.
Op een eerder door de verdediging aangedragen stelling dat de uitlokking van het gronddelict “moord” plaats had gevonden voor het gronddelict, en dat derhalve de uitlokking reeds verjaard was voordat de verjaring van het gronddelict zelf was gestuit, heeft het Openbaar Ministerie gesteld dat het moment van de uitlokking en dat van het gronddelict samenvielen, en dat indien dat niet zo was, de verdediging het tegendeel moest bewijzen. Daarop wordt thans gesteld dat het regel is dat de uitlokking onafhankelijk van het gronddelict plaatsvindt, en dat het samenvallen juist een uitzondering is. Derhalve is het aan het Openbaar Ministerie om de uitzondering bewijzen.
Het Openbaar Ministerie heeft bijkans 18 jaar lang geen enkele opsporingshandeling verricht, hoewel zij daartoe bevoegd was op grond van artikel 145 van de Grondwet.2 Het Openbaar Ministerie is pas in actie gekomen na de beschikkingen van het Hof van Justitie naar aanleiding van bij het Hof op grond van artikel 4 van het Wetboek van Strafvordering door de nabestaanden ingediend beklag.3 Echter is dit artikel een controle op het sepotbeleid, en is het gericht op ingrijpen bij het nalaten van vervolging, niet het nalaten van opsporing. Het Hof heeft in haar beschikkingen dan ook slechts opdracht tot vervolging gegeven, en geen opdracht tot opsporing.
Vanwege het feit dat het Openbaar Ministerie bijkans 18 jaar lang geen actie heeft ondernomen, heeft zij de verwachting gewekt dat het feit niet meer vervolgd zou worden.
De verdediging had eerder verwezen naar verdragrechterlijke bepalingen, de toepassing van welke niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie tot gevolg zouden moeten hebben. In casu gaat het onder andere om artikel 14 van het Internationale Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten, welke richtlijnen geeft ten aanzien van “fair trial” (eerlijke procesgang). Daarop had het Openbaar Ministerie aangegeven dat die verdragrechtelijke bepalingen geen rechtstreekse doorwerking hadden in het nationaal recht. Echter heeft de OAS een Surinaams burger wel ontvankelijk verklaard ten aanzien van zijn beklag inzake schending van een verdragrechtelijke bepaling betreffende het fair trial principe.
Er is willekeur gehanteerd bij het aanwijzen van personen als verdachten. Ten opzichte van een bepaalde persoon is een belastende getuigenverklaring afgelegd, desondanks is die persoon niet aangemerkt als verdachte, terwijl een ander persoon - eveneens op basis van een getuigenverklaring - wel als verdachte is aangemerkt.
Dupliek Openbaar Ministerie :
Ten aanzien van de stuiting van de verjaring, stelt de wet dat de daad van vervolging de verdachte bekend of betekend moet zijn. De verdachten waren bekend met de instelling van het Gerechtelijk Vooronderzoek, het is een feit van algemene bekendheid dat breed is uitgemeten in de pers. De verdachten hebben medewerking verleend aan het Gerechtelijk Vooronderzoek, zij zijn aldaar verschenen, en hebben alstoen verklaringen afgelegd bij de Rechter Commissaris. Zij zijn op generlei wijze in hun belang geschaad. Het verweer dat de betekening van het Gerechtelijk Vooronderzoek niet op de bij wettelijk voorschrift bepaalde wijze is geschied, is tardief (laat), aangezien dit verweer had moeten zijn opgeworpen tijdens het voorbereidend onderzoek zelf, zulks ingevolge artikel 236, lid 1 van het Wetboek van Strafvordering.4 Na aanvang van het onderzoek ter terechtzitting, kunnen eventuele vormfouten tijdens het voorbereidend onderzoek, namelijk niet meer leiden tot nietigheid, zulks op grond van artikel 236, lid 2 van het Wetboek van Strafvordering.5 Verder heeft het Hof van Justitie recent inderdaad een dagvaarding nietig verklaard, vanwege het feit dat het nummer op de akte van uitreiking daarvan ontbrak. Dit is echter geen fout die begaan is in de fase van het voorbereidend onderzoek, aangezien het in deze ging om de uitreiking van een dagvaarding, en op dat moment de fase van het voorbereidend onderzoek reeds gepasseerd is.
Het is juridisch niet uitgesloten dat het tijdstip van uitlokking en dat van het gronddelict samenvallen. Het strafbare karakter van de uitlokking treedt in op het moment dat het gronddelict is gepleegd, dus wanneer het de uitlokker is gelukt de uitgelokte te bewegen tot het plegen van het uitgelokte strafbare feit. Als het gronddelict niet heeft plaatsgevonden, is er geen sprake van een strafbare uitlokking. Verjaring van de uitlokkking is dus niet afhankelijk van het tijdstp waarop is uitgelokt, maar van het moment waarop het door de uitlokking gepleegde delict is voltooid. De verjaringstermijn van uitlokking vangt derhalve aan op het moment van de voltooiing van het strafbare feit zelf.
Gesteld is door de verdediging dat vanwege het tijdsverloop van 18 jaar, verwachtingen zijn gewekt dat het Openbaar Ministerie op basis van het opportuniteitsbeginsel, niet zou overgaan tot vervolging 6. Het Openbaar Ministerie moet bij het opportuiteitsbeginsel echter steeds het algemeen belang in acht nemen. Artikel 9 van de Grondwet stelt dat een ieder recht heeft op fysieke, psychische en morele integriteit, en dat niemand mag worden onderworpen aan folteringen, vernederende of onmenselijke behandeling of straf. Het opportuniteitsbeginsel brengt met zich mee dat bij zeer ernstige inbreuken op artikel 9 van de Grondwet, tot opsporing en vervolging moet worden overgegaan. De wet stelt tevens expliciet dat het recht tot strafvordering pas vervalt door intrede van verjaring 7, derhalve mag betrokkene pas vanaf dat moment erop vertrouwen dat het Openbaar Ministerie haar vervolgingsrecht heeft verspeeld. Ook in geval er een kennisgeving van niet verdere vervolging is verstrekt, mag de verdachte daar de verwachting aan ontlenen dat hij niet verder vervolgd zal worden. Als gesteld wordt dat het Openbaar Ministerie bijkans 18 jaar niets heeft gedaan aan opsporing en vervolging, kan daarop gezegd worden dat het Openbaar Ministerie haar dominus litus positie (exclusief vervolgingsrecht) slechts maximaal kan vervullen binnen een goed functionerend staatsbestel met een duidelijke scheiding der machten en de aan die machten grondwettelijk dan wel wettelijk toebeldeelde taken en bevoegdheden.
De verantwoordelijkheid voor het instellen van een waarheidscommissie is niet opgedragen aan het Openbaar Ministerie en/of de Krijgsraad, maar aan andere instituten. De waarheidsvinding door het Openbaar Ministerie en de rechter is gebaseerd op regels van het strafprocesrecht.
De stelling dat verdragen rechtstreekse werking hebben op de nationale rechtsorde, en dat vanwege een zekere verdragrechtelijke bepaling het Openbaar Ministerie niet ontvankelijk zou moeten worden verklaard, is niet juist. Dit vraagstuk is reeds in een andere zaak aan de orde geweest, waarbij het Hof van Justitie heeft gesteld dat de doorwerking van internationaal recht in de nationale rechtsorde, afhankelijk is van hetgeen het nationaal recht daaromtrent zegt. Ingevolge de nationale wetgeving, leent de verdragsbepaling op welke de raadsman zich wenst te beroepen, met name artikel 14 van het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten, zich niet voor rechtstreekse toepassing, aangezien het geen bepaling is welke naar de inhoud een ieder kan binden.8 De verdediging beroept zich erop dat niet de beslissing van het Surinaamse Hof van Justitie doorslaggevend is, maar de beslsissing van de Inter-Amerikaanse Commissie voor de Rechten van de Mens (IACRM), om een Surinaams burger ontvankelijk te verklaren ten aanzien van een klacht welke zou zijn gebaseerd op schending van het principe van “fair trial”. De beslissing van het IACRM om betrokken klager ontvankelijk te verklaren, betreft echter niet de beantwoording van de opgeworpen rechtsvraag, en gaat niet naar de inhoud van de klacht. Burgers hebben binnen het Inter-Amerikaans systeem het recht om de staat aan te klagen wegens vermeende schenidng van mensenrechten. Een burger ontvankelijk verklaren ten aanzien van zijn klacht, houdt slechts in dat de klacht in behandeling wordt genomen, het zegt niets over de beoordeling van het inhoudelijke van de klacht. En zelfs al zou in het voordeel van de klager zijn beslist, dan heeft een conclusie van het IACRM nog niet het karakter van een vonnis dat het eenmaal gewezen vonnis van het Hof van Justitie teniet kan doen.
Eerder is duidelijk uiteengezet hoe het Openbaar Ministerie de verdachten heeft geïdentificeerd. Artikel 19, lid 1 van het Wetboek van Strafvordering stelt dat als verdachte wordt aangemerkt degene te wiens aanzien uit feiten of omstandigheden een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit voortvloeit. Het feit dat een bepaalde persoon enkel omdat hij enige dagen na het gepleegde strafbare feit gesignaleerd was met een dader, en hij de inhoud van het tussen hen besprokene niet heeft doorverteld, kan betrokkene niet de kwalificatie van verdachte opleveren. Anderzijds blijkt uit tientallen verklaringen in het dossier dat betrokken persoon wederrechtelijk van zijn vrijheid was beroofd, en onder erbarmelijke omstandigheden gevangen werd gehouden. Vanwege de veelheid van deze verklaringen is het meer dan terecht dat deze persoon niet is aangemerkt als verdachte.
Het Openbaar Ministerie persisteert derhalve bij al datgene reeds eerder gesteld, en concludeert tot verwerping van het opgeworpen verweer.
Laatste spreekbeurt verdediging
Aangezien bekendheid met een daad van vervolging moeilijk te bewijzen valt, wordt vereist dat het moet worden betekend aan de verdachte. De betekening is niet op de door de wet voorgeschreven wijze geschied, met als gevolg dat de verjaring niet is gestuit, en er thans in feite geen zaak is. Het verweer is geenszins tardief, omdat dit volgens de wet zelfs in een latere fase van het onderzoek ter terechtzitting mag worden voorgedragen.
Ten aanzien van de verjaring van de uitlokking wordt gesteld dat er een afstand is tussen het gronddelicht en uitlokking, zij zijn onafhankelijk van elkaar. Het feitenmateriaal zal aantonen waneer de uitlokking heeft plaatsgevonden.
Het Openbaar Ministerie heeft vóór het uitkomen van de beschikkingen van het Hof, niet alleen geen enkele daad van vervolging gepleegd, maar ook helemaal geen opsporingshandelingen verricht. Het wetsartikel op grond van welke het Hof de vervolging heeft bevolen is niet bedoeld als een controle op de opsporing, maar als controle op de vervolging, met name bij gevallen waarin er wel opsporingsdaden zijn verricht, maar er desondanks niet is overgegaan tot vervolging.
Ten aanzien van de rechtstreekse doorwerking van verdragrechtelijke bepalingen, wordt gesteld dat het betoog zich richt op het principe van fair trial welke is geschonden. Trouwens is indertijd de klacht van een Surinaamse burger aangaande schending van ditzelfde beginsel, niet alleen ontvankelijk verklaard door de OAS; de zaak is inhoudelijk uitgeprocedeerd.
Ten aanzien van de willekeur bij het identificeren van de verdachten, wordt gesteld dat er een getuigen verklaring is afgelegd dat een persoon in een bepaalde situatie in gezelschap van de hoofdverdachte is gezien. De persoon in kwestie heeft op zijn beurt een verklaring afgelegd dat een andere persoon op een bepaalde plek is gezien. Desondanks is de eerste persoon niet als verdachte aangemerkt, maar de tweede persoon wel.
In de allereerste spreekbeurt was de rol van de Nationale Assemblee aangehaald, daarmee werd niet verwezen naar de instelling van een waarheidscommissie; bedoeld was dat de Nationale Assemblee zou moeten nagaan welke rol de regering in de vervolging heeft gehad, o.a. bij het aanstellen van een buitenlandse adviseur.
Het Openbaar Ministerie beroept zich bij haar optreden op artikel 9 van de Grondwet, desondanks heeft zij 18 jaar lang niets gedaan. Ook al heeft het Openbaar Ministerie bevoegdheden, haar optreden behoort te geschieden volgens de algemene beginselen van behoorlijk bestuur; door het 18 jaar lang stil te zitten, zijn door haar verwachtingen opgewekt.
B. TEN AANZIEN VAN DE GELDIGHEID VAN DE DAGVAARDING
Drie (3) raadslieden hebben preliminaire verweren opgeworpen ten aanzien van de geldigheid van de dagvaardingen. De essentie van het repliek van die 3 raadslieden is onderstaand als geheel verwerkt:
Repliek verdediging:
Eerder was door de verdediging gesteld dat de omschrijving van het feit in de kennisgeving van verdere vervolging en de omschrijving van het feit in de dagvaarding op straffe van nietigheid woordelijk met elkaar moesten overeenstemmen. Hoewel - zoals het Openbaar Ministerie eerder in haar conclusie van antwoord heeft gesteld - in het wetsartikel niet staat aangegeven dat de omschrijvingen woordelijk moeten overeenstemmen, blijkt uit recente literatuur dat deze omschrijvingen wel woordelijk met elkaar dienen overeen te stemmen.
De ten laste gelegde feiten moeten in niet-juridische temen worden omschreven. Bij het ten laste leggen van moord moet duidelijk worden aangegeven hoe het e.e.a.heeft plaatsgevonden, echter is het historisch gebeuren niet in niet-juridische termen beschreven. Door het Openbaar Ministerie was gesteld dat slechts het aangeven van het gevolg van de daad van belang was, doch zeker bij moord is het van belang dat het verband tussen de handeling en het gevolg wordt aangegeven (causaliteit). Vastgesteld moet worden dat de dood door de handeling van de verdachte is veroorzaakt. Het causaal verband blijkt niet uit de tenlastelegging.
De omstandigheden waaronder het feit is gepleegd moeten worden opgenomen in de tenlastelegging. De tijd en plaats van de uitlokking zijn niet opgenomen in de tenlastelegging; bijzonderheden van de wapens waarmee de feiten zouden zijn gepleegd zijn niet opgenomen in de tenlastelegging; de door de slachtoffers bekomen letsels zijn niet opgenomen in de tenlastelegging. Verder is ook het obductieverslag niet gevoegd bij de dagvaarding. De tenlastelegging is niet voldoende feitelijk, niet begrijpelik voor de verdachte, derhalve is er sprake van een obscuur libel.
Dupliek Openbaar Ministerie:
De wet stelt niet dat de omschrijving van het feit in de kennisgeving van verdere vervolging en dat in de dagvaarding, woordelijk met elkaar dienen overeen te stemmen. Mocht de Krijgsraad een andere mening zijn toegedaan, dan zal het Openbaar Ministerie op grond van de mogelijkheid gegeven bij artikel 270 van het Wetboek van Strafvordering, het verzoek doen de nodige wijzigingen in de dagvaarding aan te brengen.9
Door de verdediging is gesteld dat de tenlastelegging niet voldoende feitelijk is. De tenlastelegging is wel voldoende feitelijk. In de tenlastelegging zijn duidelijk de verweten gedragingen aangegeven die de dood ten gevolge hebben gehad, weshalve is de causaliteit aangetoond.
Gesteld is geworden dat de omstandigheden van het feit niet zijn aangegeven en het obductieverslag niet is geinsereerd. De omstandigheden van het feit behoeven niet op strafe van nietigheid te worden vermeld in de dagvaarding. Van belang is dat de dagvaarding als geheel voldoende duidelijk is en dat er bij de verdachte geen twijfel bestaat ten aanzien van het strafbare feit waarvan hij wordt verdacht. Het is niet vereist dat het obductieverslag wordt bijgevoegd. Het obductieverslag is een bewijsmiddel welke voorkomt in het procesdossier. De dagvaarding is begrijpelijk, niet tegenstrijdig en er is geen sprake van een obscuur libel.
Het Openbaar Ministerie persisteert derhalve bij al datgene reeds eerder gesteld, en concludeert tot verwerping van het opgeworpen verweer.
Laatste spreekbeurt verdediging
Vermeldenswaard is dat één (1) raadsman gebruik heeft gemaakt van de gelegenheid om zijn laatste spreekbeurt ten aanzien van het verweer betreffende de geldigheid van de dagvaarding, meteen na het dupliek van het Openbaar Ministerie te voeren. Dit is dezelfde raadsman die het verweer ten aanzien van de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie heeft opgeworpen.
De twee andere raadslieden hebben aangegeven niet onmiddellijk na het dupliek van het Openbaar Ministerie het woord te willen voeren ten aanzien van de geldigheid van de dagvaarding. Bij het dupliek zijn er namelijk enkele producties aangehaald door het Openbaar Ministerie, en hebben de raadslieden wat tijd nodig om deze te bestuderen alvorens voor het laatst te spreken ten aanzien van het opgeworpen verweer. De Krijgsraad heeft naar aanleiding hiervan besloten dat betrokken raadslieden hun laatste reactie tot 5 maart as. schriftelijk zullen indienen bij de Krijgsraad. Indien er hierbij producties worden overlegd, heeft het Openbaar Ministerie tot 7 maart as. de gelegenheid zich ten aanzien van die producties, schriftelijk uit te laten. Op de volgende zitting van 4 april 2008, zal de Krijgsraad vonnis vellen over de door de verdediging opgeworpen verweren ten aanzien van de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie en de geldigheid van de dagvaarding.
mr. Marjory Sanches
Woordvoerder 8 decemberstrafproces
1 Artikel 98, lid 1 van het Wetboek van Strafrecht stelt : “Elke daad van vervolging stuit de verjaring, mits die daad de vervolgde bekend of hem op de bij wettelijk voorschrift voor gerechtelijke akten bepaalde wijze betekend zij.”
2 Artikel 145 van de Grondwet stelt dat het Openbaar Ministerie met uitsluiting van elk ander orgaan verantwoordelijk is voor de opsporing en belast met de vervolging van alle strafbare feiten.
3 Artikel 4 van het Wetboek van Strafvordering luidt als volgt: “Wordt een strafbaar feit niet vervolgd of de vervolging niet voortgezet, dan kan de belanghebbende daarover beklag doen bij het Hof van Justitie. Het Hof kan de Procureur-Generaal opdragen te dien aanzien verslag te doen en kan voorts bevelen, dat de vervolging zal worden ingesteld of voortgezet. Het Hof kan het geven van zodanig bevel ook weigeren op gronden aan het algemeen belang ontleend.”
4 Artikel 236, lid 1 van het Wetboek van Strafvordering luid als volgt: “Indien aan de kantonrechter blijkt dat bij het voorbereidend onderzoek vormen zijn verzuimd of verzuim of nietigheid van een wettelijk voorgeschreven betekening heeft plaatsgehad, is artikel 185 van overeenkomstige toepassing”. Artikel 185, lid 1 van het Wetboek van Strafvordering luidt als volgt: “Indien de rechter commissaris blijkt dat bij het instellen van het gerechtelijk vooronderzoek vormen zijn verzuimd, op straffe van nietigheid voorgeschreven, beveelt hij, hetzij ambtshalve, hetzij op vordering van de vervolgingsambtenaar of op verzoek van de verdachte of diens raadsman, zo mogelijk het herstel van het verzuim, onder aanwijzing van de verrichtingen welke daartoe opnieuw zullen geschieden. Artikel 185, lid 3 luidt: “Bij verzuim of nietigheid van een wettelijk voorgeschreven betekening beveelt hij op gelijke wijze, zo mogelijk, dat de betekening alsnog zal geschieden.”
5 Artikel 236, lid 2 van het Wetboek van Strafvordering stelt dat wanneer het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg is aangevangen, verzuim van vormen bij het voorbereidend onderzoek, niet meer tot nietigheid kunnen leiden.
6 Artikel 156, lid 2 van het Wetboek van Strafvordering stelt dat van vervolging kan worden afgezien ook op gronden aan het algemeen belang ontleend.
7 Artikel 96 van het Wetboek van Strafrecht geeft aan dat het recht tot strafvordering vervalt door verjaring.
8 Artikel 105 juncto artikel 103, juncto artikel 106 van de Grondwet stellen dat bepalingen van overeenkomsten met andere mogendheden of met volkenrechtelijke organisaties welke naar de inhoud een ieder kunnen binden, verbindende kracht hebben nadat zij zijn bekendgemaakt, en dat binnen de Republiek Suriname geldende wettelijke voorschriften geen toepassing vinden wanneer deze toepassing niet verenigbaar zou zijn met een ieder verbindende bepalingen van overeenkomsten.
9 Artikel 270, juncto artikel 299 en artikel 300 van het Wetboek van Strafvordering, bieden het Openbaar Ministerie de gelegenheid de dagvaarding te wijzigen vóór het moment van het requisitoir. Bij het requisitoir voert de vervolgingsambtenaar het woord, en wel nadat de getuigen en eventueel de verdachte zijn gehoord.
31 januari 2008
Communiqué 6/2008
Krijgsraadzitting van 28 januari 2008 in het 8 December-strafproces
Op de zitting van 28 januari 2008 heeft het Openbaar Ministerie, in de persoon van de Auditeur Militair mr. John Mohammedamin, gereageerd op de verweren ten aanzien van de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie en de geldigheid van de dagvaarding welke door de verdediging zijn opgeworpen op de zitting van 17 december 2007. Een eerder door de verdediging opgeworpen verweer ten aanzien van de bevoegdheid van de Krijgsraad om kennis te nemen van deze zaak, is op de zitting van 17 december verworpen.
Benadrukt wordt dat de onderstaande bij de verweren opgeworpen stellingen en de daarop gegeven reacties, vanwege de omvangrijkheid van het gepresenteerde niet letterlijk en volledig geciteerd zijn in dit communiqué, doch is de essentie hiervan weergegeven.
In bepaalde gevallen zijn in dit verslag uit hoofde van efficiëntie, meerdere afzonderlijk aangedragen argumenten samengevoegd en als een stelling gepresenteerd. De Auditeur Militair heeft zijn antwoorden zeer uitgebreid onderbouwd met aanhaling van relevante wetgeving, jurisprudentie en dogmatiek; doch zijn deze verwijzingen niet allemaal opgenomen in dit verslag, eveneens vanwege de omvangrijkheid van het gepresenteerde.
Ten aanzien van de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie :
Stelling: De aanzet en beslissing om tot vervolging over te gaan, is ingegeven door de politiek verantwoordelijke minister, politieke leiders dan wel hun adviseurs, en niet het Openbaar Ministerie.
Auditeur Militair: In maart 2000 hebben een aantal nabestaanden alsook een aantal maatschappelijke organisaties, verzoekschriften ingediend bij het Hof van Justitie ten aanzien van het niet vervolgen van op of omstreeks 8 december 1982 begane strafbare feiten, zulks op grond van artikel 4 van het Wetboek van Strafvordering[1].
Op 31 oktober 2000 heeft het Hof een tweetal beschikkingen doen uitgaan, in welke zij heeft bevolen dat de Procureur Generaal tegen één bij name genoemde persoon en verder tegen diegenen die daarvoor in aanmerking komen, een strafvervolging zal instellen, en tevens een Gerechtelijk Vooronderzoek zal vorderen.
Het Openbaar Ministerie heeft op 17 november 2000 een daad van vervolging gesteld door het Gerechtelijk Vooronderzoek te vorderen, zoals bevolen in de beschikkingen van het Hof van Justitie. Uit het vorengaande blijkt dat de aanzet om tot vervolging over te gaan is gegeven door de nabestaanden; de opdracht tot vervolging is gegeven door het Hof van Justitie, waarna de vervolging is ingesteld door het Openbaar Ministerie.
Stelling: Het algemeen belang verzet zich tegen de vervolging
Auditeur Militair: In de beschikkingen van het Hof van Justitie van 31 oktober 2000, is juist aangegeven dat het Hof van oordeel is dat in het algemeen belang, de mogelijke verjaring van het recht tot strafvervolging dient te worden gestuit. De opdracht om over te gaan tot vervolging, is dus mede gestoeld op het algemeen belang.
Stelling: Het overgrote deel van de gemeenschap was voorstander van de instelling van een waarheidscommissie in plaats van vervolging.
Auditeur Militair: In theorie is het inderdaad zo dat de wetgevende macht de opdracht had kunnen geven dat het gebeurde rond 8 december 1982 door een speciaal daarvoor aangewezen commissie zou kunnen worden behandeld, met de bepaling dat na deze behandeling, strafrechterlijke vervolging zou zijn uitgesloten. De feitelijke situatie is echter dat de vervolging is bevolen en ingezet, en dat de behandeling van deze zaak ter terechtzitting is aangevangen.
Het gevolg hiervan is dat deze strafzaak zal moeten eindigen met een rechterlijk uitspraak. Tevens is het zo dat vanaf 1983, opeenvolgende regeringen niet hebben gekozen voor de instelling van een waarheidscommissie, waaruit volgt dat de zienswijze van de raadsman hierover niet de heersende opvatting is.
Stelling: Het Openbaar Ministerie heeft ruim 17 jaar lang geen onderzoeksdaden verricht. Vanwege het tijdsverloop mochten de verdachten er op vertrouwen dat het Openbaar Ministerie hierdoor haar vervolgingsrecht zou hebben verspeeld. Tevens heeft één der verdachten tot twee maal toe het Openbaar Ministerie schriftelijk gevraagd een strafrechtelijk onderzoek en vervolging in te stellen, doch is daar niet op gereageerd.
Auditeur Militair: Artikel 96 van het Wetboek van Strafrecht geeft expliciet en onomstotelijk aan dat het recht tot strafvordering pas vervalt door de intreding van verjaring[2]. Pas wanneer de verjaring is ingetreden, mogen verdachten erop vertrouwen dat het Openbaar Ministerie haar vervolgingsrecht heeft verspeeld.
Op 17 november 2000 heeft het Openbaar Ministerie een Gerechtelijk Vooronderzoek gevorderd bij de Rechter Commissaris, en deze vordering op de door de wet voorgeschreven wijze aan de verdachten betekend. Door deze daad van vervolging is de verjaring gestuit geworden[3]. De bewering dat één der verdachten tot tweemaal toe heeft aangedrongen op onderzoek en vervolging, staat tevens haaks tegenover de eerdere stelling dat het algemeen belang zich verzet tegen de vervolging.
Stelling : Op grond van het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten, is de redelijke termijn binnen welke een berechting moet geschieden, overschreden.
Auditeur Militair: Inderdaad maakt de verdachte aanspraak op berechting binnen een redelijke termijn. De termijn begint te lopen op het moment dat vanwege de Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht, waaruit hij in redelijkheid kan aannemen dat er een vervolging tegen hem zal worden ingesteld.
De eerste daad van vervolging in november 2000, met name het vorderen van een Gerechtelijk Vooronderzoek, is onverwijld op de door de wet voorgeschreven wijze betekend aan de verdachten. Binnen 30 dagen na sluiting van het Gerechtelijk Vooronderzoek in december 2004, is aan de verdachten een kennisgeving van verdere vervolging verstrekt, tegen welke kennisgeving een aantal verdachten bezwaar hebben aangetekend bij de Krijgsraad.
Tegen het oordeel van de Krijgsraad in deze, is er beroep aangetekend bij het Hof van Justitie, die hier op 11 juni 2007 uitspraak over heeft gedaan. De aanvang van de strafzaak is daarna door de Krijgsraad gesteld op 30 november 2007.
Het Openbaar Ministerie heeft prompt na het vaststellen van deze datum, de verdachten gedagvaard voor het onderzoek ter terechtzitting. Uit het vorengaande blijkt dat het Openbaar Ministerie geenszins heeft getalmd dan wel heeft gezorgd voor onredelijke vertraging, en moet dus een beroep op het overschrijden van de redelijke termijn verworpen worden.
Stelling:Drie van de verdachten zijn voor het Hof van Justitie gedagvaard, alzo is het gelijkheidsbeginsel geschonden.
Auditeur Militair: Uit niets is gebleken dat 3 niet bij name genoemde verdachten voor het Hof van Justitie zijn gedagvaard.
Stelling:De verjaring van de uitlokking van het strafbare feit “moord”, hetwelk eveneens ten laste is gelegd, is niet gestuit geworden. Uitlokkinghandelingen vinden plaats vóór het gronddelict (moord), en deze verjaren dan ook voor het gronddelict. Toen de verjaring van het delict “moord” werd gestuit, was de uitlokking van het feit reeds verjaard.
Auditeur Militair: De tijd en plaats van de uitlokking en de tijd en plaats van het gronddelict kunnen wel degelijk samen vallen, en derhalve kunnen de verjaring van de uitlokking en de verjaring van het gronddelict eveneens samen vallen.
In casu blijkt uit het verrichte onderzoek dat de uitlokkinghandelingen in deze zaak kort voor het plegen van het gronddelict hebben plaatsgevonden, en wel op of omstreeks dezelfde dag. Zowel de uitlokking als het gronddelict zijn derhalve effectief gestuit door het vorderen van een Gerechtelijk Vooronderzoek.
Stelling: De aanwijzing van verdachten in november 2000 door het Openbaar Ministerie, is geschied op basis van willekeur, en niet op grond van bekende feiten en omstandigheden, zoals voorgeschreven door artikel 19 van het Wetboek van Strafvordering. Bepaalde personen zijn nimmer door de politie gehoord alvorens zij als verdachte zijn aangemerkt.
Auditeur Militair: Het Openbaar Ministerie is door het Hof van Justitie per beschikkingen d.d. 31 oktober 2000 bevolen een strafvervolging in te stellen, en een Gerechtelijk Vooronderzoek te vorderen. Op basis van dit bevel is in opdracht van het Openbaar Ministerie door de politie een strafrechterlijk onderzoek ingesteld.
Tijdens dit onderzoek zijn een aantal personen opgeroepen om bij de politie een verklaring af te leggen, doch hebben niet al deze personen gevolg gegeven aan de oproep, en zijn zij dus niet gehoord. Op grond van het door de politie verrichte onderzoek, zijn een aantal personen aangemerkt als verdachten en is tegen hen een Gerechtelijk Vooronderzoek gevorderd, zoals bevolen door het Hof van Justitie. Tijdens het Gerechtelijk Vooronderzoek zijn alle als verdachte aangemerkte personen in die hoedanigheid gehoord door de Rechter Commissaris.
Stelling: Op het moment dat het Gerechtelijk Vooronderzoek werd gevorderd door het Openbaar Ministerie, was er geen strafbaar feit bekend op welke deze vordering zou moeten worden gebaseerd.
Auditeur Militair:In de beschikkingen van het Hof van Justitie van 31 oktober 2000 is expliciet aangegeven dat het Openbaar Ministerie een strafvervolging moest instellen en een Gerechtelijk Vooronderzoek moest vorderen terzake het tezamen en in vereniging opzettelijk en met voorbedachte rade van het leven beroven van de in het verzoekschrift genoemde personen. Ziehier de vaststelling van het strafbaar feit.
Stelling: De in de maatschappij gebezigde benaming “8 december moorden” brengt een zodanige beïnvloeding met zich mee dat er van een eerlijk en onpartijdig proces, mogelijk geen sprake zou zijn.
Auditeur Militair: Artikel 433 van het Wetboek van Strafvordering stelt dat een rechter zich kan verschonen van elke bemoeiing in een zaak ingeval er ten aanzien van die rechter feiten en omstandigheden bestaan waardoor in het algemeen de rechterlijke onpartijdigheid ernstig schade zou kunnen lijden.
Tevens stelt artikel 437 van het Wetboek van Strafvordering dat in geval er ten aanzien van een rechter feiten of omstandigheden bestaan waardoor in het algemeen de rechterlijke onpartijdigheid ernstig schade zou kunnen leiden, het Openbaar Ministerie of de verdachte de wraking van deze rechter kunnen voordragen.
Aangezien geen der partijen gebruik hebben gemaakt van de wettelijke mogelijkheid om consequenties te verbinden aan een vermeende partijdigheid van de rechter, twijfelen partijen in onderhavige zaak dus niet aan de onpartijdigheid van de rechter.
Ten aanzien van de geldigheid van de dagvaarding:
Stelling: De in de dagvaarding gegeven omschrijving van het ten laste gelegde feit moet op straffe van nietigheid, woordelijk overeenstemmen met het in de kennisgeving van verdere vervolging omschreven strafbare feit.
Auditeur Militair: Artikel 238, lid 2 van het Wetboek van Strafvordering stelt dat het in de dagvaarding en het in de kennisgeving van verdere vervolging omschreven feit met elkaar moeten overeenstemmen. Het artikel stelt echter niet dat zij woordelijk met elkaar moeten overeenstemmen. De raadsman heeft zich kennelijk beroepen op inmiddels achterhaalde Nederlandse wetgeving, aangezien het artikel in de Nederlandse wet welke over deze materie handelt, tot 1995 inderdaad stelde dat de omschrijvingen wel woordelijk met elkaar dienen overeen te komen.
Die wetgeving is in het jaar 1995 gewijzigd, waarbij het vereiste van woordelijke overeenstemming is geschrapt. De Surinaamse wetgeving heeft nimmer het vereiste van woordelijke overeenstemming gekend. Het in artikel 238, lid 2 van het Wetboek van Strafvordering gestelde voorschrift houdt dus in dat de omschrijving van het feit in de dagvaarding, niet een andere mag zijn dan de omschrijving van het feit in de kennisgeving van verdere vervolging.
De ratio hiervan ligt erin dat de verdachte die een kennisgeving van verdere vervolging ontvangt, daar bezwaar tegen kan aanteken. Tegen een dagvaarding die vooraf is gegaan door een kennisgeving van verdere vervolging kan geen bezwaar meer worden aangetekend, derhalve moet de verdachte erop kunnen vertrouwen dat het in de kennisgeving van verdere vervolging omschreven ten laste gelegde feit, overeenkomt met het in de dagvaarding omschreven ten laste gelegde feit.
Geringe tekstuele wijzigingen in de dagvaarding aangebracht door het Openbaar Ministerie, staan daaraan niet in de weg en leiden er niet toe dat de verdachten in hun belangen zijn geschaad.
Aangezien het aan de beoordeling van de rechter is als de grondslag in de kennisgeving van verdere vervolging en die in de dagvaarding met elkaar overeenstemmen, zal het Openbaar Ministerie, indien de Krijgsraad de mening is toegedaan dat de grondslag is verlaten, een beroep doen op de wettelijke mogelijkheid om de dagvaarding te wijzigen[4] .
Stelling: De ten laste legging is onvoldoende feitelijk, innerlijk tegenstrijdig, onduidelijk en onvolledig, onder andere vanwege het feit dat bepaalde begrippen niet nader omschreven zijn geworden, de letsels welke de slachtoffers hebben bekomen niet gespecificeerd zijn, er geen obductieverslag is gevoegd bij de dagvaarding, en er is verwoord dat burgers in een militaire actie militairen hebben uitgelokt.
Auditeur Militair: De begrippen op welke men doelt, zijn volgens jurisprudentie en dogmatiek wel voldoende feitelijk omschreven. Voor het ten laste leggen van moord is slechts vereist dat de dood is ingetreden, de letsels welke de dood hebben doen intreden behoeven niet in de tenlastelegging worden aangegeven. De obductieverslagen maken deel uit van het procesdossier en zijn derhalve aan te merken als wettig bewijsmiddel.
Er bestaat geen wettelijke verplichting het obductieverslag te voegen bij de dagvaarding. Het feit dat bij het begaan van het delict gebruik is gemaakt van militair wapentuig en militaire infrastructuur, betekent niet in dat het om een militaire actie zou gaan. Het gaat om het strafbare feit moord, welke geen bepaalde kwaliteit, c.q. hoedanigheid vereist. Derhalve kunnen zowel militairen als niet-militairen daar dader van zijn.
Aldus de reactie van de Auditeur Militair op de door de verdediging opgeworpen verweren.
De datum voor de volgende zitting is gesteld op 29 februari 2008. Door de Krijgsraad is beslist dat de verdediging haar reactie (repliek) op hetgeen door de Auditeur Militair is aangedragen, voor 15 februari a.s. schriftelijk zal indienen ten behoeve van de Auditeur Militair.
De Auditeur Militair zal de reactie van het Openbaar Ministerie hierop (dupliek), schriftelijk indienen op de zitting van 29 februari a.s. Op die zitting zullen zowel de verdediging als het Openbaar Ministerie de gelegenheid hebben hun repliek respectievelijk dupliek, mondeling toe te lichten. Tot slot heeft de verdediging op die datum de gelegenheid als laatst het woord te voeren, waarna de Krijgsraad zich zal beraden over de gegrondheid van de opgeworpen excepties.
Alzo wordt voldaan aan het vereiste gesteld in artikel 269 van het Wetboek van Strafvordering, welke stelt dat de verdachte bevoegd is verweren ten aanzien van de bevoegdheid van de rechter, de geldigheid van de dagvaarding en de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie voor te dragen (conclusie).
De vervolging kan antwoorden op die verweren (conclusie van antwoord), waarna de verdediging nogmaals het woord mag voeren (repliek). De vervolging mag daar weer op reageren (dupliek), tot slot mag de verdachte als laatst het woord voeren.
mr. Marjory Sanches,
Woordvoerder 8 december strafproces
21 december 2007
Communiqué 5/2007
Krijgsraadzitting van 17 december 2007 in het 8 December-strafproces
Naar aanleiding van de op maandag 17 december 2007 gehouden zitting van de Krijgsraad in het 8 december strafproces, wordt hierbij een uiteenzetting gegeven van hetgeen zich op die zitting heeft voorgedaan:
Excepties (Preliminaire verweren)
Ingevolge artikel 269 van het Wetboek van Strafvordering, heeft de verdediging meteen na de voordracht van de zaak door het Openbaar Ministerie, de gelegenheid excepties (verweren) aan te dragen ten aanzien van de bevoegdheid van de rechter, de geldigheid van de dagvaarding, en de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie.
Ter verduidelijking: Een grond voor onbevoegdheidverklaring van de rechter is als de zaak is voorgebracht bij een gerecht dat daar geen rechtsmacht over heeft (b.v. een zaak die bij de Kantonrechter is voorgebracht, terwijl deze bij het Hof van Justitie zou moeten worden voorgebracht). Een grond op welke een dagvaarding nietig kan worden verklaard, is als in de tenlastelegging geen datum op welke het feit zou zijn gepleegd is vermeld, of als de dagvaarding niet voldoende feitelijk zou zijn.
Enkele gronden voor het niet ontvankelijk verklaren van het Openbaar Ministerie, zijn als een feit te laste zou worden gelegd dat reeds verjaard is, of als beginselen van behoorlijk procesrecht zouden zijn geschonden (o.a. het gelijkheidsbeginsel[1], het beginsel van redelijke en billijke belangenafweging[2] of het beginsel van zuiverheid van oogmerk[3]).
Exceptie t.a.v. de bevoegdheid van de rechter, opgeworpen op de zitting van 30 november jl.
Op de zitting van 30 november werd door de raadsman van één van de verdachten, betoogd dat de Krijgsraad niet bevoegd zou zijn kennis te nemen van de zaak tegen zijn cliënt, omdat deze ten tijde van de ten laste gelegde feiten, niet de hoedanigheid zou hebben van militair zoals aangegeven in het wetboek van Militair Strafrecht.
Volgens de raadsman bezat zijn cliënt toentertijd andere hoedanigheden, over welke de Krijgsraad geen jurisdictie zou hebben, onder ander die van wetgever en politiek ambtsdrager c.q. politiek gezagsdrager, en zou betrokken cliënt derhalve terecht moeten staan voor het Hof van Justitie, ingevolge artikel 140 van de Grondwet.
Oordeel Krijgsraad t.a.v. opgeworpen exceptie
Op de zitting van 17 december verwierp de Krijgsraad de eerder door de raadsman opgeworpen exceptie, op grond van het volgende:
Ten aanzien van de stelling van de raadsman dat betrokken cliënt ten tijde van de ten laste gelegde feiten niet kon worden aangemerkt als te zijn “militair in werkelijke dienst”, zoals neergelegd in artikel 38 van het Wetboek van Militair Strafrecht, oordeelde de Krijgsraad dat betrokken verdachte ten tijde van de ten laste gelegde feiten wel degelijk de hoedanigheid van militair bezat. Ter staving werd verwezen naar de resoluties middels welke de verdachte in kwestie indertijd is aangesteld, respectievelijk is ontslagen als Bevelhebber van het Nationaal Leger.
Alvorens in te gaan op de stelling van de raadsman dat diens cliënt ten tijde van de feiten voor welke deze nu terechtstaat, de hoedanigheid van politiek ambtsdrager dan wel politiek gezagsdrager bezat, en derhalve, ingevolge hetgeen gesteld in artikel 140 van de Grondwet, terecht zou moeten staan voor het Hof van Justitie, stelde de Krijgsraad ambtshalve dat de Grondwet naar welke verwezen wordt, in werking is getreden in het jaar 1987, en dat hetgeen in die Grondwet is gesteld, niet terug werkt naar een eerdere datum, indien er in daartoe geen overgangsbepalingen zijn gesteld [4].
Voor feiten gepleegd in het jaar 1982, kan dus geen beroep worden gedaan op artikelen van de Grondwet die op een latere datum in werking is getreden. Daarnevens was de Grondwet welke in het jaar 1975 in werking trad, per decreet van 13 augustus 1980, buiten werking gesteld, en was deze Grondwet ook in december 1982, buiten werking[5]. Derhalve kan geen beroep worden gedaan op berechting door een in de in de Grondwet van 1975 gestelde “forum priviligatium”[6].
De Krijgsraad heeft derhalve gesteld dat reeds op grond van het bovenstaande, het verweer ten aanzien van de bevoegdheid van de rechter, ongegrond is. Desondanks heeft de Krijgsraad zich toch gebogen over de stelling van de raadsman, als zou de verdachte in casu op grond van artikel 140 van de Grondwet, als politiek ambtsdrager, c.q. politiek gezagsdrager, terecht moeten staan voor het Hof van Justitie.
Ten aanzien van het vorengaande, is door de Krijgsraad gesteld dat artikel 1 c van het uitvoeringsbesluit van artikel 140 van de Grondwet (Wet in staat van beschuldigingstelling Politieke Ambtsdragers, SB 2001, no. 72), limitatief aangeeft welke functionarissen worden beschouwd als politieke ambtsdrager, en de verdachte in casu niet één van de aldaar genoemde functies bekleedde, met name de functie van President van de Republiek, Vice-President van de Republiek, minister, onderminister, dan wel een persoon die ingevolge of krachtens de wet betreffende uitgeschreven verkiezingen lid is van een volksvertegenwoordigend lichaam.
Op grond van al het vorengaande is de op 30 november opgeworpen exceptie verworpen, en acht de Krijgsraad zich wel bevoegd tot kennisname van de zaak tegen betrokken verdachte.
Excepties ten aanzien van de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie en de geldigheid van de dagvaarding
Na het vonnis van de Krijgsraad ten aanzien van de bevoegdheidsexceptie, werden de verschillende raadslieden in de gelegenheid gesteld excepties op te werpen ten aanzien van de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie en de geldigheid van de dagvaarding.
Ontvankelijkheid Openbaar Ministerie
Een der raadslieden wierp op dat het Openbaar Ministerie niet ontvankelijk moest worden verklaard in haar vordering. De argumenten welke de raadsman hiervoor aandroeg, waren (in hoofdlijnen) de volgende:
Het Hof van Justitie zou bij het geven van de opdracht aan de Procureur-Generaal in het jaar 2000 om over te gaan tot vervolging, voorbij gegaan zijn aan het algemeen belang. In de gemeenschap zou namelijk geen behoefte zijn aan strafrechterlijke vervolging, doch wel aan de instelling van een waarheidscommissie;
Het Openbaar Ministerie zou haar dominus litus positie (exclusief vervolgingsrecht), jarenlang prijs hebben gegeven, door de feiten die in december 1982 zijn begaan, ruim 17 jaar onvervolgd te laten. Het Openbaar Ministerie zou kennelijk op instigatie van derden en onder politieke druk, uiteindelijk overgegaan zijn tot vervolging.
De Regering zou zich indertijd ongeoorloofd gemengd hebben in de vervolging. De toenmalige minister van Justitie en Politie zou er namelijk toe overgegaan zijn een regeringsadviseur aan te stellen, die verschillende vervolgingsgerelateerde activiteiten heeft verricht, waaronder het aanzoeken van getuigen in het buitenland.
De aanwijzing van verdachten in november 2000 door het Openbaar Ministerie, zou zijn geschied op basis van willekeur, en niet op grond van bekende feiten en omstandigheden, zoals voorgeschreven door artikel 19 van het wetboek van Strafvordering.
De verjaring van bepaalde deelnemingshandelingen (uitlokking en medeplichtigheid), zou niet effectief gestuit zijn geworden. Volgens deze stelling vinden uitlokkinghandelingen namelijk plaats vóór het delict (moord), en verjaren deze dan ook voor het gronddelict. Toen de verjaring van het delict “moord” in november 2000 werd gestuit door de instelling en betekening van een daad van vervolging (instelling en betekening van het Gerechtelijk Vooronderzoek), zou de uitlokking van het feit, volgens deze stelling reeds verjaard zijn.
Betwijfeld wordt als de verdachten een eerlijk proces ten deel zal vallen, aangezien de publieke opinie in de afgelopen jaren negatief beïnvloed zou zijn door o.a. bepaalde segmenten van de media.
Geldigheid dagvaardingen
Ten aanzien van de geldigheid van de dagvaardingen, is door verschillende raadslieden opgeworpen dat de in de dagvaardingen opgenomen tenlasteleggingen, niet voldoen aan de eisen welke door de wet worden gesteld. Beargumenteerd is geworden dat de tenlasteleggingen onvoldoende feitelijk zijn, alsook innerlijk tegenstrijdig. Als gevolg hiervan is het voor de verdachten niet duidelijk welke feitelijke handelingen hen ten laste zijn gelegd, waardoor zij zich dan ook niet adequaat hebben kunnen voorbereiden op hun verdediging.
Tevens is door één van de raadslieden aangehaald dat indien – zoals gesteld in artikel 238 van het Wetboek van Strafvordering - een dagvaarding vooraf is gegaan door een kennisgeving van verdere vervolging, het in de dagvaarding omschreven ten laste gelegde feit overeen dient te stemmen met het in de kennisgeving van verdere vervolging omschreven feit. Middels het citeren van zinsneden uit zowel de dagvaarding als uit de kennisgeving van verdere vervolging, werd betoogd dat er afwijkingen waren in de respectieve omschrijvingen.
Vorengenoemde excepties zijn door de verschillende raadslieden mondeling toegelicht, en formeel schriftelijk ingediend. Het Openbaar Ministerie zal na bestudering van de ingediende excepties, eveneens een schriftelijke antwoord hierop geven, welke op de eerstvolgende zitting van 28 januari 2008 mondeling zal worden toegelicht door de Auditeur Militair.
mr. Marjory Sanches
Woordvoerder 8 december strafproces
_____________________________________________________________________________
10 december 2007
Voortzetting 8 december strafproces
Op maandag 17 december 2007 om 09.00 uur des voormiddag, wordt in het Gerechtsgebouw aan de Sir Winston Churchillweg, het 8 december strafproces voortgezet.
Publiek dat geïnteresseerd is de zitting bij te wonen kan zich daarvoor registreren op donderdag 13 december van 10.00 uur ‘s morgens tot 12.00 uur ‘s middags op de Brigade van de Militaire Politie op de hoek van de Tourtonnelaan en de Henck Arronstraat. Registratie dient persoonlijk te geschieden, onder medeneming van een geldig identiteitsbewijs.
Bijzonderheden omtrent de logistiek en de veiligheidsvoorschriften welke zullen gelden op de zittingsdag, kunt U hier nalezen.
De Voorzitter van de Commissie Beveiliging Rechterlijke Macht en Infrastructurele Voorzieningen Krijgsraad,
mr. R. D. Neslo
3 december 2007
Communiqué 4/2007
Krijgsraadzitting van 30 november 2007 in het 8- December-strafproces
Naar aanleiding van de op vrijdag 30 november 2007 gehouden eerste zitting van de Krijgsraad in het 8 december strafproces, wordt hierbij een uiteenzetting gegeven van hetgeen zich op díe zitting heeft voorgedaan. Voor een goed begrip van het onderwerpelijke wordt tevens algemene informatie verstrekt over de Krijgsraad, alsook andere relevante juridische begrippen.
Inrichting Krijgsraad
De Krijgsraad wordt voorgezeten door een lid van het Hof van Justitie en bestaat in beginsel, naast de President, uit twee militaire leden, die officier of eervol ontslagen officier van het Nationaal Leger zijn. Volgens de wet behoren de militaire leden van de Krijgsraad een hogere rang en anciënniteit te bezitten dan de verdachte is of was ten tijde van het begaan van het delict waarvoor deze terechtstaat. Voorzover de bedoelde militaire leden niet beschikbaar zijn, worden in hun plaats twee leden van het Hof van Justitie aangewezen.
Aangezien voorgaande van toepassing is op het 8 december strafproces, zijn voor de behandeling van deze zaak 2 Krijgsraadkamers samengesteld, die beiden worden voorgezeten door de President van de Krijgsraad, mw. mr. drs. C. Valstein-Montnor. De leden van de eerste Krijgsraadkamer zijn mr. I. Rasoelbaks en mr. R. Rodrigues, beiden lid van het Hof van Justitie. In de tweede Krijgsraadkamer hebben zitting luitenant-kolonel M. Cooper en luitenant-kolonel Amatdasim.
Volgens de wet is de Krijgsraad bevoegd kennis te nemen van strafbare feiten, begaan door Surinaamse militairen, en zij die daarmee zijn gelijkgesteld. Ten aanzien van niet- militairen, stelt de wet dat, indien een verdachte niet tot de Krijgsmacht behoort, doch in deelneming met de hoofdverdachte een strafbaar feit heeft begaan, het Openbaar Ministerie beslist of de berechting van dit strafbare feit aan de Krijgsraad wordt onderworpen. Echter neemt de Krijgsraad in beginsel geen kennis van strafbare feiten, begaan door ministers, onderministers of leden van het parlement.
In de eerste kamer, bestaande uit de President van de Krijgsraad, mr. drs. Valstein-Montnor, en de leden mr. Rasoelbaks en mr. Rodrigues, stonden een viertal voormalige militaire officieren terecht, terwijl in de tweede kamer, bestaande uit de President van de Krijgsraad, mr. drs. Valstein-Montnor, en de leden luitenant-kolonel Cooper en luitenant-kolonel Amatdasim, in totaal 15 personen terecht stonden, van wie een aantal ten tijde van het delict de hoedanigheid van militair hadden. De overigen waren burgers, die ervan verdacht worden, in deelneming met de hoofdverdachte, een strafbaar feit te hebben begaan.
Preliminaire excepties
Het Wetboek van Strafvordering geeft de verdachte de bevoegdheid, om na de voordracht van de zaak door de Auditeur-Militair, bezwaren oftewel “excepties” op te werpen ten aanzien van de geldigheid van de dagvaarding, de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie en de bevoegdheid van de rechter.
Ter verduidelijking: Een grond op welke een dagvaarding nietig kan worden verklaard, is als er bijvoorbeeld in de tenlastelegging een onjuiste datum op welke het feit zou zijn gepleegd is vermeld. Een grond voor het niet ontvankelijk verklaren van het Openbaar Ministerie is als er bijvoorbeeld een feit te laste zou worden gelegd dat reeds verjaard is. Een grond voor onbevoegdheidverklaring van de rechter is als de zaak is voorgebracht bij een gerecht dat daar geen rechtsmacht over heeft (b.v. een zaak is bij de Kantonrechter voorgebracht, terwijl deze bij het Hof van Justitie zou moeten worden voorgebracht).
Op de zitting van 30 november werd door de President van de Krijgsraad aangegeven dat de verweren t.a.v. de geldigheid van de dagvaarding en de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie, schriftelijk door de raadslieden zouden worden ingediend op een nadere datum, doch dat het verweer t.a.v. de bevoegdheid van de Krijgsraad om kennis te nemen van deze zaak, terstond mocht worden voorgedragen op de zitting.
Naar aanleiding van het voorgaande werd door de raadsman van één van de verdachten betoogd dat de Krijgsraad niet bevoegd zou zijn kennis te nemen van de zaak tegen zijn cliënt, omdat deze te tijde van de gebeurtenissen van 8 december 1982 niet de hoedanigheid zou hebben van militair, zoals aangegeven in het wetboek van Militair Strafrecht.
Volgens de raadsman bezat zijn cliënt toendertijd andere hoedanigheden, over welke de Krijgsraad geen jurisdictie zou hebben, onder ander die van wetgever. De raadsman haalde enkele decreten en wettelijke regelingen aan om zijn stelling te ondersteunen. De Auditeur-Militair op zijn beurt droeg verschillende argumenten aan om te staven dat betrokken verdachte op 8 december 1982 wel degelijk de hoedanigheid van militair bezat.
Na de argumenten van zowel de raadsman als de Auditeur-Militair gehoord te hebben, heeft de Krijgsraad na een korte schorsing aangegeven dat zij zich op 17 december as. zal uitspreken over het door de raadsman opgeworpen verweer.
Indien het verweer van de raadsman gegrond wordt bevonden, heeft dat tot gevolg dat de Krijgsraad zich onbevoegd zal verklaren de zaak tegen de verdachte in kwestie in behandeling te nemen. Het is dan aan het Openbaar Ministerie gelegen als zij deze verdachte opnieuw wenst te dagvaarden voor het gerecht dat wel bevoegd is kennis te nemen van deze zaak. Indien de Krijgsraad het verweer van de raadsman verwerpt, zal diens cliënt gewoon voorgaan bij de Krijgsraad.
Op de zittingsrol opgebrachte personen
Alhoewel officieel 25 personen de hoedanigheid van verdachte bezitten, zijn voor de zitting van 30 november jl. slechts 19 van hen op de rol gebracht. Het is namelijk zo dat in de eerste week van november van dit jaar, 22 van de 25 verdachten zijn gedagvaard voor de zitting van 30 november.
De overige 3 verdachten zijn niet gedagvaard voor die zitting, aangezien zij ten tijde van 8 december 1982, de hoedanigheid van minister dan wel onderminister hadden en de Krijgsraad over deze categorie personen geen jurisdictie heeft. Deze drie verdachten zullen door het Openbaar Ministerie worden gedagvaard bij de Kantonrechter.
Verder is het zo dat 3 van de 22 in november gedagvaarde personen bezwaar tegen hun dagvaarding hebben aangetekend bij de Krijgsraad. Voordat de Krijgsraad in haar toenmalige samenstelling een beslissing kon nemen over de ingediende bezwaren werd de wraking van één van haar leden voorgedragen bij het Hof van Justitie. Het Hof van Justitie had op 30 november nog niet beslist t.a.v. de voorgedragen wraking, weshalve de Krijgsraad nog geen uitspraak heeft gedaan over het door de drie verdachten ingediende bezwaar tegen hun dagvaarding.
Aangezien een bezwaar tegen de dagvaarding deze van rechtswege doet vervallen zijn de drie verdachten wiens bezwaar nog in behandeling is niet opgebracht op de rol van 30 november jl. Afhankelijk van de uiteindelijke beslissing van de Krijgsraad omtrent de ingediende bezwaren zullen betrokken verdachten mogelijk opnieuw worden gedagvaard door het Openbaar Ministerie voor een nader te bepalen datum.
Zoals eerder aangegeven doet de Krijgsraad op haar zitting van maandag 17 december a.s. uitspraak over de op de zitting van 30 november door de raadsman opgeworpen exceptie. Tevens zullen op die zitting door de verschillende raadslieden excepties t.a.v. de geldigheid van de dagvaarding en de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie schriftelijk worden ingediend. Het Openbaar Ministerie zal eveneens schriftelijk reageren op die excepties.
mr. Marjory Sanches,
(woordvoerder 8 december-strafproces)
24 november 2007
INFORMATIE TEN AANZIEN VAN HET BIJWONEN......
VAN DE ZITTINGEN VAN DE KRIJGSRAAD IN HET 8 DECEMBER STRAFPROCES
Op vrijdag 30 november 2007 om 10.00 uur des voormiddag, wordt in het Gerechtsgebouw gelegen op de Marinebasis aan de Sir Winston Churchillweg perc. 633-637 (meer bekend als weg naar Dombug), een aanvang gemaakt met het 8 december strafproces.
Voor het onderzoek ter terechtzitting, zijn 25 personen gedagvaard als verdachte. Uiteraard kunnen betrokkenen zich tijdens het proces doen bijstaan door een of meer raadslieden. De gedagvaarde personen zullen zich elk tevens naar de zitting mogen laten vergezellen door 1 (één) begeleider.
Een groot aantal nationale en buitenlandse media hebben zich aangemeld voor bijwoning van dit proces. Voor de media die accreditatie hebben ontvangen om de zittingen te verslaan, zijn bijzondere voorzieningen getroffen. Hierover is reeds rechtstreeks met hen gecommuniceerd. Tevens zullen ook nationale en internationale waarnemers de zittingen bijwonen.
Voor overige belangstellenden zijn er 30 plekken in het Gerechtsgebouw gereserveerd. 15 van die 30 plekken zijn in de zittingszaal, wat betekent dat 15 van deze personen daadwerkelijk in de zittingszaal plaats kunnen nemen. De overige 15 personen zullen het gebeuren kunnen volgen vanuit een ruimte met een audio-video verbinding. Deze ruimte is enkele meters verwijderd van de zittingszaal.
Uit het bovenstaande moge duidelijk zijn, dat er bijzondere logistieke en veiligheidsmaatregelen zullen moeten worden getroffen, om alles op een ordelijke en voor ieder veilige manier te doen verlopen.
Deze zijn de volgende:
Het publiek dat de zittingen wil bijwonen, zal zich hiervoor vooraf moeten registreren. De registratie zal geschieden op het Hoofdkwartier van de Militaite Politie op de hoek van de Tourtonnelaan en de Henck Arronstraat, en wel op woensdag 28 november van 10.00 uur s’morgens tot 12.00 uur s’middags. Aangezien er slechts 30 plaatsen in het Gerechtsgebouw beschikbaar zijn voor regulier publiek, zullen slechts 30 personen zich kunnen registreren.
Het registreren dient persoonlijk te geschieden, onder medename van een geldig identiteitsbewijs. Dit houdt in dat degenen die zich willen registreren, dat zelf moeten doen. Een bepaalde persoon zal dus naast zichzelf, niet een andere of andere personen kunnen registreren voor bijwoning van de zittingen.
Bij registratie ontvang men een registratiebewijs, op welke is aangegeven als men voor de zittingszaal is geregistreerd, of voor de audio-video ruimte. Het registratiebewijs moet men meenemen op de dag van de zittingen.
De gedagvaarde personen hebben uiteraard allen toegang tot het Gerechtsgebouw. Zij behoeven zich daarvoor niet vooraf te registreren. Tevens worden in de zittingszaal plaatsen vrijgehouden voor eventuele begeleiders van de gedagvaarde personen. Iedere gedagvaarde persoon zal zich namelijk door 1 begeleider kunnen doen vergezellen.
Aangezien 25 personen zijn gedagvaard voor de zitting van 30 november, worden er in de zittingszaal 25 zitplaatsen vrijgehouden voor de begeleiders. Ook de begeleiders hoeven zich vooraf niet te registreren. Daarom zal iedere begeleider om toegelaten te kunnen worden, in gezelschap moeten zijn van de gedagvaarde persoon welke hij/zij vergezeld.
Hoewel het Gerechtsgebouw op het terrein van de Marinebasis van het Nationaal Leger staat, zullen degenen die de zittingen zullen bijwonen, of dat nu pers, publiek of gedagvaarden zijn, niet met hun voertuig tot naar die locatie kunnen.
Ongeveer 600 meter voor het Gerechtsgebouw, is er een aanmeldpost met bijbehorende beveiligde parkeerplaats. Op die plek aan de Sir Winston Churchillweg, zal men zijn voertuig moeten achterlaten. Het publiek dat zich vooraf heeft geregistreerd, krijgt op de aanmeldpost een toegangspasje.
Gedagvaarde personen krijgen, onder vertoon van hun dagvaarding, eveneens een toegangspasje. De begeleiders van de gedagvaarde personen krijgen, indien zij zich in gezelschap van de gedagvaarde aanmelden, eveneens een toegangspasje.
Let wel: de gedagvaarde en diens begeleider, behoren zich gezamenlijk aan te melden! Omdat de begeleiders zich namelijk niet op een eerdere datum hebben hoeven te registreren, is bij de organisatie niet van tevoren bekend wie zij zijn, en zullen zij dus slechts op aangeven van de gedagvaarde persoon worden toegelaten.
Voor zowel het publiek als de begeleiders van de gedagvaarde personen, geldt dat zij zich op de aanmeldpost zullen moeten identificeren middels een geldig identiteitsbewijs. Na verstrekking van de pasjes, zal men per bus worden vervoerd van de aanmeldpost naar het Gerechtsgebouw. Na afloop van de zittingen, wordt men vanuit het Gerechtsgebouw, wederom met de bus vervoerd naar de aanmeldpost annex parkeerplaats, alwaar men de verstrekte toegangspasjes zal moeten retourneren.
Een ieder die het Gerechtsgebouw wenst te betreden, zal aan een intensieve veiligheidscontrole worden onderworpen. Cellullairs , recorders, camera’s en andere apparatuur moeten worden afgegeven aan de balie, alvorens men het gebouw kan betreden. Zodra men het gebouw verlaat, worden deze weer geretourneerd. Voor personen die wensen te telefoneren in het Gerechtsgebouw, zijn er publieke telefooncellen opgesteld. Om gebruik te kunnen maken van deze telefooncellen, zal men over een TELESUR belkaart dienen te beschikken.
Aangezien de zitting op 30 november om 10.00 uur des voormiddag aanvangt, zal de aanmelding reeds vanaf 07.00 uur mogelijk zijn. Op het geregistreerde publiek wordt een dringend beroep gedaan om uiterlijk 08.00 uur aanwezig te zijn op de aanmeldpost, aangezien zich na 09.00 uur geen personen meer kunnen aanmelden om toegelaten te worden tot de zittingslocatie.
Op het terrein van de Marinebasis en in het Gerechtsgebouw, wordt de orde gehandhaafd door de Militaire Politie. Buiten de muren van de Marinebasis en op de aanmeld post annex parkeerplaats, wordt de orde gehandhaafd door het Korps Politie Suriname.
Mr. R. D. Neslo.
Voorzitter Commissie Beveiliging Rechterlijke Macht
en Infrastructurele Voorzieningen Krijgsraad
15 juni 2007
Communiqué 2/2007
Hof van Justitie doet uitspraak in beroepschriften in 8 Decemberzaak
Na afsluiting van het Gerechtelijk Vooronderzoek in de 8 december zaak, had het Openbaar Ministerie in de maand december 2004 aan 26 personen kennisgevingen van verdere vervolging doen verstrekken.
Tien van deze personen hadden - ingevolge de mogelijkheid die de wet hen biedt - tegen deze kennisgevingen bezwaar aangetekend bij de Krijgsraad. Het bezwaar van 9 van deze personen was ongegrond verklaard; dat van 1 persoon was wel gegrond verklaard door de Krijgsraad.
De 9 personen wiens bezwaar ongegrond was verklaard door de Krijgsraad, zijn tegen deze beslissing in beroep gegaan bij het Hof van Justitie. Het Openbaar Ministerie is eveneens in beroep gegaan bij het Hof van Justitie, en wel tegen de beslissing van de Krijgsraad om het bezwaar van de tiende persoon gegrond te verklaren.
Op 11 juni 2007 heeft Het Hof van Justitie zich bij beschikking uitgesproken over de bij haar ingestelde beroepen. Hierbij heeft zij het beroep van 8 van de 9 personen afgewezen, en dat van 1 persoon toegewezen. De 8 personen wiens beroep is afgewezen, kunnen nu dus wel verder vervolgd worden, de ene persoon wiens beroep is toegewezen, kan niet meer vervolgd worden.
Het beroep van het Openbaar Ministerie is eveneens toegewezen, hetwelk inhoudt dat de persoon wiens bezwaar eerder wel gegrond was verklaard door de Krijgsraad, nu ook vervolgd mag worden.
De beschikkingen van het Hof van Justitie zijn inmiddels door het Openbaar Ministerie betekend aan alle 10 betrokken personen. Met deze betekening, hebben thans 25 personen officieel de status van verdachte.
De Krijgsraad zal – na afstemming met het Openbaar Ministerie – overgaan tot vaststelling van een datum op welke het onderzoek ter terechtzitting zal aanvangen, met andere woorden, op welke datum de rechtzaak tegen degenen die verdacht worden van enig misdrijf gepleegd op of omstreeks 8 december 1982, een aanvang zal maken.
Na vaststelling van die datum, kan het Openbaar Ministerie overgaan tot de dagvaarding van deze verdachten.
De woordvoerder in het 8 december proces,
mr. Marjory Sanches
15 mei 2007
Communiqué 1/2007
Bezwaarschriften in 8-decemberzaak in behandeling bij het Hof van Justitie
Op 1 december 2004 is het Gerechtelijk Vooronderzoek (GVO) in de 8 december zaak afgesloten. Bij de afsluiting van een GVO, behoren volgens de wet degenen die als verdachten waren aangemerkt, door het Openbaar Ministerie schriftelijk te worden medegedeeld als zij al dan niet verder vervolgd zullen worden Zullen zij wel verder vervolgd worden, dan ontvangen zij een kennisgeving van verdere vervolging. Worden zij niet verder vervolgd, dan ontvangen zij een kennisgeving van niet-verdere vervolging.
Na afsluiting van het GVO in de 8 december zaak, heeft het Openbaar Ministerie in de maand december 2004, aan 26 personen kennisgevingen van verdere vervolging doen verstrekken.
Tien van deze personen hebben - ingevolge de mogelijkheid die de wet hen biedt - tegen deze kennisgevingen, bezwaar aangetekend bij de Krijgsraad. Het bezwaar van 9 van deze personen is ongegrond verklaard; dat van 1 persoon is wel gegrond verklaard door de Krijgsraad.
Één van de gronden op welke volgens de wet bezwaar tegen een kennisgeving van verdere vervolging gegrond kan worden geacht, is indien er onvoldoende aanwijzing van schuld tegen de verdachte aanwezig is. Degene wiens bezwaar gegrond wordt geacht door de rechter, wordt door dit oordeel buiten verdere vervolging gesteld, dat wil zeggen dat deze persoon niet meer gedagvaard kan worden, en niet meer terecht hoeft te staan.
Voor de 9 personen wiens bezwaar niet gegrond was geacht door de Krijgsraad, was dus niets veranderd, zij zouden normaal verder vervolgd kunnen worden; de ene persoon wiens bezwaar wel gegrond was geacht, zou door deze beslissing van de Krijgsraad, niet verder vervolgd kunnen worden door het Openbaar Ministerie.
Echter hebben noch de 9 personen wiens bezwaar ongegrond werd verklaard, noch het Openbaar Ministerie, zich bij de beslissing van de Krijgsraad neergelegd. Ingevolge de mogelijkheid die de wet biedt, zijn de 9 personen wiens bezwaar ongegrond is verklaard door de Krijgsraad, tegen deze beslissing in beroep gegaan bij het Hof van Justitie. Het Openbaar Ministerie op haar beurt is bij het Hof van Justitie in beroep gegaan tegen de beslissing van de Krijgsraad om het bezwaar van die tiende persoon wel gegrond te verklaren.
Het bij het Hof van Justitie in beroep gaan tegen de beslissing van de Krijgsraad, houdt in dat de eerder ingediende bezwaarschriften nogmaals beoordeeld worden door het Hof van Justitie, die zich dan uitspreekt over de juistheid van de eerdere beslissing van de Krijgsraad.
De uitkomst van het beroep kan zijn dat de eerdere beslissing van de Krijgsraad wordt bevestigd, of dat daarvan wordt afgeweken, met alle juridische consequenties van dien. Het Hof van Justitie heeft in deze het laatste woord.
Op dit moment is er vanuit het Openbaar Ministerie, vooralsnog geen zicht op wanneer het Hof van Justitie zich zal uitspreken over het bij haar aangetekende beroep. Als die uitspraak er echter eenmaal is, bepaalt de rechter op het verzoek en de voordracht van het Openbaar Ministerie, een datum voor de aanvang van de terechtzitting.
De woordvoerder in het 8 december-proces,
mr. Marjory Sanches